Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.2.3
2.2.3 Uitleg van het petitum
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS302224:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een vordering omvat uiteraard ook een wijziging daarvan op voet van artikel 130 Rv, welke situatie zich blijkens artikel 353 Rv ook kan voordoen in appel (Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2009, p. 144 e.v.). Overigens vallen de grieven in appel niet onder de vordering, net als de middelen in cassatie (Conclusie A-G Ten Kate bij HR 4 oktober 1974, NJ 1975, 121 (Request-civiel)).
Ekelmans 2008, p. 1. Het petitum moet overigens voldoende duidelijk uit het processtuk blijken, opdat de gedaagde partij weet waartegen zij zich dient te verweren.
HR 8 april 2005, NJ 2006, 443, m.nt. G. van Solinge (Laurus), r.o. 3.5. Vgl. ook: HR 17 december 2004, LJN AR2390 (Dakterras), r.o. 3.3. Overigens is de vraag wat een vordering inhoudelijk precies omvat een feitelijke kwestie en dus voornamelijk voorbehouden aan de feitelijke instanties (HR 21 januari 2005, LJN AR3151 (Zeehavenbedrijf Dordrecht), r.o. 3.5.3.).
HR 13 juni 2008, NJ 2009, 105, m.nt. H.J. Snijders (Wolf c.s./Zürich Leven), r.o. 3.3 en 3.5; HR 14 december 2007, NJ 2008,10 (Doeland), r.o. 3.4. In HR 30 november 2001, NJ 2002,419, m.nt. H.J. Snijders (De Jong Vlees/Carnifour), r.o. 3.3.5 werd tot een andere uitkomst gekomen. Dat hing samen met betrokkenheid van het belang van een derde, in welke gevallen de Hoge Raad – ook ten aanzien van materieelrechtelijke aangelegenheden – tot een meer objectieve uitleg komt (vgl. bijv. HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493, m.nt. C.E. du Perron (DSM/Fox), r.o. 4.4).
26
Om binnen de grenzen van artikel 23 Rv te blijven, zal de rechter wel moeten weten wat de vordering omvat.1 Het is goed denkbaar dat dat niet meteen duidelijk is. De rechter moet dan het petitum uitleggen aan de hand van de door de Hoge Raad in de Laurus-beschikking geformuleerde criteria.2 Dat betekent dat de vordering dient te worden uitgelegd ‘in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde stellingen en van het processuele debat, zoals dit zich vervolgens heeft ontwikkeld.’3 Een louter taalkundige uitleg is dus onvoldoende. Er dient ook te worden gekeken naar de bedoeling van de eisende partij en de wijze waarop in het debat tussen partijen richting is gekozen met betrekking tot de vordering. Dit past ook in de lijn van de Hoge Raad met betrekking tot de uitleg van processtukken.4
27
Op basis van de uitleg van het petitum stelt de rechter dus vast wat de vordering omvat. Het kan ook zijn dat de rechter na de uitleg tot het oordeel komt dat een bepaald (essentieel) punt niet onder de vordering kan worden begrepen maar daar eigenlijk wel onder zou moeten vallen. Kortom, wat nu als de vordering volgens de rechter tekortschiet? Dit punt speelde in de Laurus-zaak en de Hoge Raad oordeelde:
“Indien de ondernemingskamer niettemin, gelet op de in rov. 1 van haar beschikking opgesomde omstandigheden, aanleiding zag deze kwestie [een aspect dat niet onder de vordering kan worden geschaard, AGFA] ambtshalve aan de orde te stellen, had zij partijen in een tussenbeschikking in de gelegenheid moeten stellen het processuele debat daarover aan te gaan en had zij zich van een beslissing op dit punt dienen te onthouden als vervolgens zou blijken dat partijen dit debat niet wensten te voeren (...).”
In de Laurus-beschikking maakt de Hoge Raad duidelijk dat de rechter in een dergelijk geval niet altijd passief hoeft te blijven. Onder omstandigheden kan de rechter zijn bevindingen ambtshalve aan partijen voorhouden. Wat wel duidelijk wordt uit de Laurus-beschikking is dat de rechter hiertoe niet zomaar kan overgaan. Hij moet in de feiten van de zaak aanleiding zien om het probleem ambtshalve aan de orde te stellen. In de praktijk zullen twee gevallen te onderscheiden zijn.
Ten eerste is denkbaar dat de vordering puur taalkundig niet toelaat dat er meer onder wordt gevat. Dat kan dan ook niet via de band van de uitleg van de vordering. Een duidelijke vordering behoeft immers weinig tot geen uitleg. Bij dergelijke vorderingen is er weinig ruimte voor de rechter om over te gaan tot het ambtshalve opwerpen van een aspect dat volgens hem in de vordering betrokken zou moeten worden.
Ten tweede is echter denkbaar dat de vordering niet zo duidelijk is. Als de wijze waarop de vordering is geformuleerd toelaat dat er een bepaald aspect onder wordt geschaard, maar dat niet door middel van uitleg bewerkstelligd kan worden omdat het partijdebat daar onvoldoende specifiek op gericht is, dan zou het ambtshalve opwerpen van dat aspect door de rechter nog tot de mogelijkheden kunnen behoren. Dat kan mijns inziens echter alleen als er in de stellingen van partijen wel een aanknopingspunt kan worden gevonden voor een dergelijk ambtshalve opwerpen. Op die manier kan worden voorkomen dat partijen al te zeer worden verrast met het ambtshalve opwerpen. Het laatste woord blijft ook aan partijen. Als zij de voorzet van de rechter niet wensen op te pakken, dan kan de rechter het aspect niet betrekken in zijn dictum.