Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.4.4.1:4.4.4.1 Gehele of gedeeltelijke teloorgang van schuldeisersrechten bij voortdurende prestaties?
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.4.4.1
4.4.4.1 Gehele of gedeeltelijke teloorgang van schuldeisersrechten bij voortdurende prestaties?
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973651:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Idem, r.o. 6.3.1-6.3.2.
Vgl. art. 6:105 BW; zie verder Asser/Sieburgh 6-II 2021/412 en 415b, met verdere verwijzingen.
Zie HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270, NJ 2017/344 (Nanada c.s./Golden Earring), r.o. 5.5.4-5.5.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het citaat uit het arrest Nanada c.s./Golden Earring, hiervoor weergegeven in par. 4.4.3-slot, stelt buiten twijfel dat art. 6:89 BW van toepassing is op voortdurende prestaties. In dit verband rijst een andere vraag ten aanzien van het toepassingsbereik van art. 6:89 BW: wat is de consequentie in het geval niet tijdig is geklaagd over een tekortkoming in een voortdurende prestatie? Strekt de sanctie rechtsverval zich uit tot vorderingen ten aanzien van de gehele voortdurende prestatie of slechts een gedeelte daarvan? Het antwoord gaat in de richting van een gedeeltelijke teloorgang van schuldeisersrechten, aldus de Hoge Raad in het arrest Nanada c.s./Golden Earring. Ik citeer:
“6.3.1 Onderdeel 1 klaagt over het oordeel van het hof dat [verweerders] in het geheel niet tijdig hebben geklaagd. Voor zover de voortdurende tekortkoming heeft plaatsgevonden binnen de in art. 6:89 BW bedoelde termijn voorafgaand aan 25 augustus 2010, kunnen [verweerders] daarop wel degelijk een beroep doen, aldus het onderdeel.
6.3.2 Het onderdeel slaagt. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de inhoud van de brief van 25 augustus 2010 niet (mede) kan worden aangemerkt als een klacht over de wijze waarop Nanada c.s. aan hun exploitatieverplichting hebben voldaan in de periode daaraan voorafgaand, voor zover deze valt binnen de bekwame tijd als bedoeld in art. 6:89 BW.”1
De overweging van de Hoge Raad in r.o. 6.3.2 suggereert dat de sanctie rechtsverval, althans het toepassingsbereik van art. 6:89 BW, wordt beperkt. Slechts het gedeelte van de vordering dat ziet op de periode die buiten de klachttermijn van art. 6:89 BW valt, gaat ten onder. De Hoge Raad zwijgt over het lot van vorderingen met betrekking tot de prestatie ná het moment van klagen. Toekomstige schade kan in het gegeven geval reeds in het heden opeisbaar zijn en worden begroot. Als toekomstige schade voorzienbaar is, wordt die schade gezien als een element van de reeds aanwezige schade en is daarmee aan verjaring onderworpen.2 Opmerking verdient wel dat in de zaak Nanada c.s./Golden Earring geen schadevergoedingsvordering voorlag, maar een vordering tot ontbinding en, subsidiair, opzegging. Het hof wijst de vordering van Golden Earring strekkende tot opzegging van de overeenkomst met ingang van een datum ruim een jaar na hun eerste klacht toe. Daarin ligt besloten dat het hof de rechten van Golden Earring met betrekking tot de overeenkomst na het moment van klagen niet vervallen acht. De Hoge Raad casseert deze beslissing, maar slechts vanwege het feit dat het hof heeft geoordeeld dat geen opzeggingsgrond was vereist.3 Over de reikwijdte van de klachtplicht met betrekking tot de toekomst wordt in cassatie verder niet geklaagd.