Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.13.2:6.13.2 Antwoord op deelvraag 5
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.13.2
6.13.2 Antwoord op deelvraag 5
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633738:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk ben ik op zoek gegaan naar een antwoord op de subvragen onder deelvraag 5 over de anbi-regeling. Hierna volgt op basis van mijn onderzoek het antwoord bij elke subvraag.
Waarom heeft de wetgever ervoor gekozen om religie, spiritualiteit en levensbeschouwing als een van de dertien categorieën van algemeen nut aan te merken (art. 5a, lid 3, onderdeel i AWR)?
De fiscale wetsgeschiedenis heeft daar geen expliciet antwoord op gegeven, maar uit de parlementaire behandeling blijkt dat bij louter kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen van oudsher impliciet wordt aangenomen dat zij zich volledig richten op het algemeen belang. Overigens bevat de fiscale wetsgeschiedenis bij geen van de dertien rubrieken een onderbouwing waarom ze als algemeen nuttig kunnen worden erkend.
Verder bevat de fiscale wetsgeschiedenis bij de toelichting op de algemeennutcategorie rsl wat betreft religie slechts een melding van ‘kerkgenootschappen’ en ‘het CIO en de daarbij aangesloten kerkgenootschappen’ waarmee de Belastingdienst een convenant heeft gesloten. Dit zijn religieuze anbi’s van joodse en christelijke signatuur.
Zijn rsli’s per definitie algemeen nuttig? Of dienen ze vooral of ook een particulier belang?
Rsli’s zijn niet per definitie algemeen nuttig. Ook rsli’s moeten aan de voorwaarden van de anbi-regeling voldoen, willen ze als anbi’s kunnen worden aangemerkt. Algemeen belang staat tegenover particulier belang. Of een bepaalde rsli een particulier belang dient, hangt af van de feiten en de omstandigheden van het geval. Algemeen belang kan een beperkt belang zijn. Het stellen van toetredingsvoorwaarden hoeft dus niet tot de conclusie te leiden dat het om een besloten groep gaat en dus dat algemeen belang ontbreekt. Wanneer de doelgroep echter zo beperkt is dat het een besloten groepbetreft, waarin toetreding of vervanging niet mogelijk is of alleen mogelijk is via geboorte of huwelijk of tot slechts één persoon beperkt is, kan geen sprake zijn van algemeen belang, maar is er een particulier belang.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de Belastingdienst en soms ook de rechter bij minder bekende rsli’s eerder een particulier belang aannemen dan bij traditionele rsli’s. Overheidsinstanties doen er goed aan het waarschuwende woord van het Mensenrechtencomité ter harte te nemen. Deze instantie spreekt zich uit tegen elke tendens tot het maken van onderscheid tussen traditionele en minder traditionele rsli’s, met name als het gaat om nieuwe rsli’s of rsli’s die een religieuze of levensbeschouwelijke minderheid vertegenwoordigen.
Welke soorten activiteiten zijn algemeen nuttig? Zijn religieuze diensten of levensbeschouwelijke bijeenkomsten algemeen nuttig? Zo ja, waarom?
Algemeen belang in het kader van rsli’s omvat het uitdragen en stimuleren van een geloofsovertuiging en levensbeschouwing, maar de hiervoor gekozen vorm moet rechtstreeks daartoe of aan een ander algemeen nuttig doel bijdragen. Er moet dus een rechtstreeks verband bestaan tussen het uitdragen of stimuleren van de overtuiging en de gekozen activiteit. Het houden van erediensten of bezinningsbijeenkomsten beantwoordt aan deze voorwaarde. Deze diensten of bijeenkomsten hoeven niet openbaar te zijn, wil er sprake zijn van ‘algemeen belang’. Ook hoeft een instelling niet aannemelijk te maken dat haar activiteiten een gunstige maatschappelijke impact hebben.
Is er een verschil in de fiscale behandeling van religie, spiritualiteit en levensbeschouwing op de onderzochte drie niveaus (a) anbi’s versus rsli’s; (b) rsli’s onderling; en (c) religieuze instellingen onderling, spirituele instellingen onderling en levensbeschouwelijke instellingen onderling? Zo ja, is dat verschil gerechtvaardigd?
Op verschillende terreinen heb ik geconstateerd dat er verschil in fiscale behandeling bestaat op een of meer van de drie niveaus. Dit verschil spitst zich voornamelijk toe op de rechtsvorm kerkgenootschap, waaraan de (fiscale) wetgever extra faciliteiten toekent of anderszins tegemoetkomt. Mijn toetsingskader laat zien dat voor dat verschil op drie uitzonderingen na geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat. Een uitzondering betrof het ontbreken van een RSIN als reden voor de uitstelregeling publicatieplicht van kerkgenootschappen, zij het dat ik de uitstelperiode van twee jaar te ruim vind.
Wat betreft het sluiten van een convenant met de Belastingdienst bestaat er een rechtvaardiging mits alle rsli’s op basis van de fundamentele beginselen dezelfde mogelijkheden hebben om onder dezelfde voorwaarden een eigen convenant met de Belastingdienst te sluiten.
Op grond van de fundamentele beginselen zie ik een mogelijke rechtvaardiging voor het verschil in de publicatieplicht van financiële gegevens tussen rsli’s en overige anbi’s. Dit is omdat een volledige publicatieplicht van financiële gegevens voor kerkgenootschappen die een anbi-status wensen, kan ingrijpen in hun door deze fundamentele beginselen beschermde inrichtingsvrijheid, zoals vastgelegd in artikel 2:2 BW. Aan de andere kant dient een volledige publicatieplicht van rsli’s met inbegrip van kerkgenootschappen het publieksbelang.