Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.4.2.3
2.4.4.2.3 Vergelijkend overzicht
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501487:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
In het voorwoord van de vertaler van de IBFD-bundel 1963 wordt als publicatiedatum van het FFC-rapport 1 februari 1963 genoemd. Van het ABC-rapport wordt geen publicatiedatum genoemd. Uit het ABC-rapport zelf kan worden afgeleid dat het rapport in 1962 is samengesteld. De vertaling van het ABC-rapport en het FFC-rapport was in mei 1963 gereed.
Niet te verwarren met werkgroep C van het ABC-rapport.
‘Vergelijkend overzicht van de voor- en naderen van de verschillende systemen, welke in aanmerkingen kunnen komen om als gemeenschappelijk omzetbelastingsysteem te kunnen worden aanvaard (opgesteld door een werkgroep van de E.E.G.)’, opgenomen als bijlage II, Kamerstukken II 1965/1966, 8556, nr. 3 (Bijlagen I t/m VII van de Nota over de harmonisatie van belasting in de Europese Gemeenschap).
Bijlage II bij Kamerstukken II 1965/1966, 8556, nr. 2 (Nota over de harmonisatie van belasting in de Europese Gemeenschap), p. 5.
Bijlage II bij Kamerstukken II 1965/1966, 8556, nr. 2 (Nota over de harmonisatie van belasting in de Europese Gemeenschap), p. 5-6.
Bijlage II bij Kamerstukken II 1965/1966, 8556, nr. 2 (Nota over de harmonisatie van belasting in de Europese Gemeenschap), p. 7.
Na publicatie van het ABC-rapport en het FFC-rapport begin 19631 maakten de hoofden van de nationale belastingadministraties de wens kenbaar om in het bezit te worden gesteld van een overzicht van de voor- en nadelen van de verschillende in studie genomen omzetbelastingsystemen. Dit overzicht werd vervolgens door een werkgroep (studiegroep C2) van de EU opgesteld.3 In de begeleidende tekst bij het overzicht worden door de studiegroep eerst de voornaamste bezwaren in herinnering gebracht die kleefden aan de toen binnen de EU geldende omzetbelastingsystemen, zoals ook opgetekend in het ABC- en het FFC-rapport. Met deze bezwaren in het achterhoofd, werd (ook) door studiegroep C onderzoek gedaan naar diverse omzetbelastingsystemen. Naast het zoveel mogelijk opheffen van bedoelde bezwaren zou een nieuw omzetbelastingsysteem ook door de lidstaten als wetenschappelijk systeem moeten kunnen worden aanvaard. De onderzochte systemen werden door studiegroep C onderverdeeld in twee groepen: (i) de niet-cumulatieve belastingen, welke in één enkele fase van de productie- en distributiefasen worden geheven, en (ii) de niet-cumulatieve belastingen, waarbij de heffing wordt verdeeld over meerdere fasen.4 Volgens de onderzoekers kwam een fabrikantenbelasting (hetzij in één fase, hetzij geheven door een stelsel van gefragmenteerde betalingen, hetzij een btw) ‘vanwege een gebrek aan neutraliteit’ niet in aanmerking als nieuw gemeenschappelijk systeem. Een eenmalige kleinhandelsbelasting kon evenzeer buiten beschouwing worden gelaten, nu deze op grond van tal van overwegingen in bepaalde landen niet voor verwezenlijking vatbaar zou zijn. De onderzoekers stelden vervolgens een shortlist samen van drie systemen, waaruit volgens hen een keuze gemaakt zou moeten worden. Het betrof (i) een eenmalige heffing in de aan de kleinhandel voorafgaande fase (groothandelsbelasting), (ii) een btw, waarbij de heffing zich niet verder zou uitstrekken dan tot en met de groothandelsfase en (iii) een btw, waarbij de heffing zich zou uitstrekken tot en met de kleinhandelsfase.5 De voor- en nadelen van deze systemen werden vervolgens naast elkaar gezet in een vergelijkend overzicht.6 Uit dit overzicht blijkt dat al deze drie systemen ‘zo goed als volledig’ neutraal ten opzichte van de concurrentieverhoudingen op nationaal vlak zijn (mits op een zo eenvoudig en zuiver mogelijke wijze worden toegepast), maar dat een zeker risico van verstoringen bestaat naar gelang de afwenteling niet volledig slaagt en indien de fraude omvangrijk is. Deze risico’s waren volgens studiegroep C het laagst bij een btw die zich uitstrekt over alle schakels van de productie- en distributieketen. Voor de neutraliteit ten opzichte van de concurrentieverhoudingen met betrekking tot het internationale verkeer wordt in het overzicht geen onderscheid gemaakt tussen de onderzochte systemen. In alle systemen vindt bij de in- en uitvoer een volledige en nauwkeurige belastingheffing en –ontheffing plaats. Dat wil zeggen: in de vergeleken systemen worden goederen die worden ingevoerd even zwaar belast als goederen die worden betrokken van binnenlandse leveranciers en heeft de belasting geen invloed op de prijzen van goederen die worden uitgevoerd en aldus de internationale mededingingsneutraliteit gewaarborgd is. Verder volgt uit het schema dat de prikkel tot fraude het hoogst is bij een groothandelsbelasting, vanwege het relatief hoge verschuldigde btw-bedrag, en het laagst is bij een btw, doordat de afnemer de voorbelasting mag aftrekken. Een btw had dus de voorkeur.