Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§6.7.:§6.7. Is de positie van de raad versterkt?
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§6.7.
§6.7. Is de positie van de raad versterkt?
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als in voorgaande hoofdstukken zal tot besluit van dit hoofdstuk worden bezien in hoeverre de in dit hoofdstuk besproken controlemechanismen hebben bijgedragen aan de gewenste versterking van de positie van de gemeenteraad.
Voor wat betreft de controle over de gemeentelijke fmanciën moet worden gekeken naar de fmanciële verordeningen ex art. 212, 213 en 213a Gemeentewet. Van de eerste twee verordeningen (de financiële verordening ex art. 212 Gemeentewet en de accountantsverordening ex art. 213 Gemeentewet) is reeds geconstateerd dat deze niet nieuw zijn. Van een versterking van de positie van de raad kan hierdoor dan ook nauwelijks sprake zijn. Ten aanzien van de verordening ex art. 213a Gemeentewet (de controleverordening) is vastgesteld dat deze in de praktijk niet van wezenlijke betekenis is. Dit bracht de staatssecretaris tot de conclusie dat de verplichting deze verordening vast te stellen zelfs kan worden gemist.
Ten aanzien van de actieve inlichtingenplichten uit art. 169 lid 2 en lid 4 Gemeentewet ligt dit iets genuanceerder, maar op grond van het voorgaande niet fundamenteel anders. Zij lijken namelijk in hun huidige vorm niet bijzonder veel toe te voegen aan de passieve inlichtingenplicht. Zij zijn namelijk zodanig subjectief geformuleerd, dat raad en college vooraf afspraken zouden moeten maken over de invulling ervan. Dergelijke afspraken kunnen net zo goed worden gemaakt op grond van art. 169 lid 3 Gemeentewet. Voor de bijzondere actieve inlichtingenplicht uit art. 169 lid 4 Gemeentewet geldt bovendien dat de daarin vervatte voorhangprocedure deels in het leven geroepen is om het verlies van bepaalde bestuursbevoegdheden (de instelling van jaarmarkten en het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen) te compenseren. Per saldo is hier dus in ieder geval geen sprake van versterking van de positie van de raad.
Ten aanzien van de actieve inlichtingenplicht moet worden gewezen op de verhouding tussen art. 169 lid 3 en art. 155 Gemeentewet. Er moet worden gewaakt tegen de opvatting dat het vragen- en interpellatierecht (art. 155 Gemeentewet) controle-instrumenten zijn, die naast de reguliere verantwoordings- en inlichtingenplicht staan. Het vragen- en interpellatierecht vormen hiervan slechts een invulling. Juist vanwege deze relatie geldt voor het vragen- en interpellatie-recht een verplichting tot antwoorden en kunnen de verschoningsgronden uit art. 169 lid 3 Gemeentewet hierop eveneens van toepassing zijn. Vanwege de relatie tussen art. 169 lid 3 en 155 Gemeentewet voert het te ver om de invoering van het vragen- en interpellatierecht te beschouwen als een fundamentele versterking van de positie van de raad (of in dit geval: van zijn leden). Art. 169 lid 3 Gemeentewet biedt op zichzelf genomen een afdoende wettelijke grondslag voor de uitoefening van deze rechten.
Het gemeentelijke enquêterecht biedt wel een duidelijke versterking van de positie van de raad. Dit instrument zou in de toekomst een belangrijke rol kunnen spelen ten aanzien van fmanciële controle. Bij de controle op langjarige financiële besluitvorming (of besluitvorming met ingrijpende fmanciële consequenties) is de beperking van de mogelijke groep van getuigen minder bezwaarlijk, maar de mogelijkheid om voormalige ambtsdragers en ambtenaren aan de tand te voelen des te aantrekkelijker. Omdat het ontbreekt aan recent systematisch onderzoek naar de reeds gehouden raadsenquêtes, kan een oordeel over het succes van dit instrument in de huidige praktijk moeilijk worden gegeven. Hoewel dit onderzoek zeer gewenst is, kan worden gesteld dat het controlearsenaal van de raad vergroot is en dat daardoor op zijn minst in abstracte zin zijn positie versterkt is.