Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.5:7.2.4.5 Resumé ten aanzien van opsporing en vervolging zonder klacht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.5
7.2.4.5 Resumé ten aanzien van opsporing en vervolging zonder klacht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946090:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit kwam hiervoor aan bod in paragraaf 2.4.2. Daarbij werd ter illustratie verwezen naar: Swier 1998, p. 166 en Kampen 2021, p. 49.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is uitgebreid uiteengezet dat en waarom het ontbreken van een klacht niet alleen gevolgen dient te hebben voor de vervolging van klachtdelicten, maar ook voor de opsporing daarvan. Dit hangt direct samen met de functie van het klachtrecht. De wetgever heeft met het klachtvereiste ten aanzien van specifieke strafbepalingen voorrang willen verlenen aan het belang dat de getroffene kan hebben bij het achterwege blijven van vervolging, omdat die vervolging kan leiden tot ruchtbaarheid voor het strafbare feit en tot gespannen familieverhoudingen. Deze negatieve gevolgen kunnen zich ook reeds in de opsporingsfase voordoen als bijvoorbeeld getuigen worden bevraagd over de feiten of indien doorzoekingen worden verricht. Dit maakt dat ook opsporing achterwege moet blijven indien de klachtgerechtigde geen klacht heeft ingediend of tenminste heeft aangegeven dat opsporingsonderzoek is gewenst. In de literatuur wordt af en toe gesteld dat enig oriënterend onderzoek wel acceptabel zou zijn, maar een gedegen onderbouwing voor die conclusie ontbreekt. 1De strekking van de regeling van klachtdelicten maakt dat iedere vorm van opsporing en vervolging van klachtdelicten achterwege behoort te blijven totdat de klachtgerechtigde te kennen geeft daarop prijs te stellen. Vanwege de in hoofdstuk 6 beschreven ontwikkelingen binnen de strafrechtspleging – waarbij steeds meer aandacht uitgaat naar het door het feit getroffen slachtoffer en waarin diens belangen een voornamere rol zijn gaan spelen – is het des te meer aangewezen geen afbreuk te doen aan de hiervoor omschreven uitgangspunten. Tegen die achtergrond verdient het ook de voorkeur om anders om te gaan met een pluraliteit van klachtgerechtigde slachtoffers dan de Hoge Raad thans doet. De klacht van de één zou niet redengevend moeten kunnen zijn voor de (de start van) opsporing ter zake een ander klachtdelict dat een ander is aangedaan. Aan die ander is immers wettelijk het recht verleend om het feit dat hem is aangedaan te laten rusten. Het is aan de wetgever om eventueel in een wettelijke uitzondering op het klachtvereiste te voorzien indien de wens bestaat om een verdachte van wie wordt vermoed dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan een serie soortgelijke klachtdelicten ambtshalve te kunnen opsporen en vervolgen.