Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/2.7.6
2.7.6 Comitévorming
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401955:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent Schöndorf-Haubold 2011, p. 51.
Zie hieromtrent in het algemeen Chamon 2011, p. 127; Voermans 2010, p. 166.
Dit volgt uit artikel 11, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen). Op de status van het Comité van Toezicht wordt in hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.1 en 5.2.2 uitgebreid teruggekomen.
Het Coördinatiecomité van de Fondsen. Dit comité ziet op EFRO, ESF en het Cohesiefonds. Zie artikel 103 van de Verordening nr. 1083/2006.
Artikel 104 van de Verordening nr. 1083/2006.
Zie artikel 90 van de Verordening nr. 1698/2005. Het betreft het vroegere Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling (STAR-comité) dat bestond op grond van artikel 47, eerste lid, van de Verordening nr. 1260/1999.
Zie artikel 101 van de Verordening nr. 1198/2006. Het betreft het vroegere Comité voor de structuur van de visserij en de aquacultuur dat bestond op grond van artikel 47, eerste lid, van de Verordening nr. 1260/1999.
Zie artikel 141 van de Verordening nr. 73/2009.
Zie artikel 195, eerste lid, van de GMO-verordening. Op grond van het derde lid van dat artikel bestaat ook een regelgevend comité.
Zie artikel 43 van de Verordening nr. 515/97.
Zie artikel 41 van de Verordening nr. 1290/2005.
Zie artikel 52, eerste lid, van de Beschikking 573/2007 (EVF). Dit Comité is opgericht bij Beschikking nr. 574/2007.
Zie artikel 9 van het Besluit 1719/2006 (Jeugd in Actie); artikel 10 van het Besluit 1720/2006 (Een Leven Lang Leren); artikel 13 van de Verordening nr. 614/2007 (LIFE+); artikel 13 van het Besluit nr. 1672/2006 (Progress).
Zie artikel 18, vierde lid, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO).
Zie bijvoorbeeld artikel 9, eerste lid, onder g, van het Besluit 1720/2006 (Een Leven Lang Leren).
Op de richtsnoeren voor het vaststellen van financiële correcties voor door de structuurfondsen en het cohesiefonds medegefinancierde uitgaven, in geval van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten staat bijvoorbeeld COCOF-nummer 07/0037/03. De betrokkenheid van het COCOF bij de totstandkoming van Europese soft law is in interviews bevestigd.
Zie hieromtrent Chamon 2011, p. 127 en p. 386 e.v.; Hofmann, Rowe & Tfirk 2011, p. 264 e.v.; Voerman 2010, p. 166. Zie over de geschiedenis van het comitologiesysteem Craig 2012B, p. 111 e.v.; Craig 2006, p. 104 e.v.
Zie het Verslag van de Europese Commissie over de werking van de Comités in 2009 van 2 juli 2010, COM (2010) 354 def., p. 4.
Besluit 1999/468 van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, Pb. 1999, L 184/23.
Zie artikel 3 van het Besluit 1999/468.
Zie artikel 4 van het Besluit 1999/468.
Zie artikel 5 van het Besluit 1999/468.
Zie artikel 5 bis van het Besluit 1999/468.Zie hieromtrent uitgebreid Chamon 2011, p. 128;
De Verordening nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren, Pb. 2011, L 55/1. Zie hieromtrent Craig 2011.
Zie omtrent de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen en het onderscheid daartussen Gellermann 2011, p. 2465; Craig 2011; Hofmann, Rowe & Tllrk 2011, p. 236 e.v. en p. 525 e.v.; Craig & De Burca 2011, p. 117; Keading & Hardacre 2010, p. 7; Craig 2008, p. 121; Barents 2008, p. 460.
Dit impliceert dat essentiële onderdelen van een bepaald beleidsterrein uitsluitend bij wetgevingshandeling kunnen worden geregeld en derhalve niet het voorwerp kunnen zijn van bevoegdheidsdelegatie. Zie omtrent het onderscheid tussen essentiële en niet-essentiële onderdelen Voermans 2010, p. 174; Barents 2008, p. 461. De Europese Commissie houdt zich in een mededeling uit 2009 op de vlakte. Zie p. 4 van de Mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, tenuitvoerlegging van artikel 290 van het VWEU, COM (2009) 673 def.
Artikel 291, eerste lid, VWEU.
Artikel 291, tweede lid, VWEU.
Zie hieromtrent Voermans 2010.
Zie Verordening nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Europese Commissie controleren, Pb. 2011, L 55/13. Zie omtrent comitologie na het Verdrag van Lissabon ook Craig 2008,p. 123.
Zie paragraaf 42 van de Mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, tenuitvoerlegging van artikel 290 van het VWEU, COM (2009) 673 def. Chamon merkt op dat in wetgevingshandelingen die sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn vastgesteld en waarin de Europese Commissie de bevoegdheid wordt verleend om gedelegeerde handelingen vast te stellen conform artikel 290 VWEU, een standaardzinnetje is terug te vinden in de overwegingen waarin de Europese Commissie wordt aangemaand om bij het uitoefenen van haar bevoegdheid ook advies in te winnen, in het bijzonder van deskundigen. In de onderhavige voorstellen van de Europese Commissie ontbreekt een dergelijk zinnetje vooralsnog. Zie Chamon 2011, p. 135. Het voorgaande betekent dat toch een soort comités zullen worden ingeschakeld, zij het dat het standpunt van deze comités geen formele juridische gevolgen heeft. Een negatief advies heeft - anders dan bij de onderzoeksprocedure op grond van artikel 5 van de Verordening nr. 182/2011 die geldt bij ontwerpuitvoeringshandelingen - derhalve niet tot gevolg dat de gedelegeerde handeling niet wordt aangenomen. Vergelijk ook Voermans 2010, p. 176 en Ponzano 2008, p. 136.
Zie bijvoorbeeld artikel 142 van het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds, COM (2011) 615 def.
In het kader van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving zijn veel comités opgericht die bestaan uit zowel vertegenwoordigers van de lidstaten en van de Europese Commissie. Gedacht kan worden aan de á genoemde comités van toezicht die in het kader van elk OP worden ingesteld. In deze comités komt het beginsel van partnerschap tot uitdrukking, nu daarin zowel de Europese Commissie, de lidstaat en regionale en lokale autoriteiten zijn vertegenwoordigd. Het is ook mogelijk om vertegenwoordigers van economische en sociale partners in het comité op te nemen.1 Daarnaast voorzien de Europese subsidieregelingen in het bestaan van comités die zijn betrokken bij de uitvoering van de desbetreffende Europese subsidieregeling in de gehele EU. Deze comités bestaan uit ambtenaren uit de lidstaten, voorgezeten door een ambtenaar van de Europese Commissie.2 De comités worden beheerst door het Eu-recht. In die zin verschillen zij van de voormelde Comités van Toezicht die zijn onderworpen aan het nationale recht.3 Zo opereren in het kader van de structuurfondsen het cocoF4 en het ESF-comité 5 Voor het ELFPO bestaat een Comité voor plattelandsontwikkeling6 en voor het Europees Visserijfonds het Comité van het Europees Visseriffonds.7 Voor het ELGF bestaan het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,8 het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten9 en het Comité inzake de wederzijdse bijstand met betrekking tot douane en landbouw.10 Voor het ELFPO en ELGF gezamenlijk bestaat het Comité voor de landbouwfondsen.11 Voor de migratiefondsen is het gemeenschappelijk comité Solidariteit en beheer van de migratiestromen opgericht.12 Ook in het kader van de programma's Jeugd in Actie, Een Leven Lang Leren en met betrekking tot Europese subsidies die direct door de Europese Commissie worden verstrekt, wordt de Europese Commissie bijgestaan door comités.13
In het kader van de Europese subsidieregelingen zijn de comités betrokken bij de goedkeuring van de door de lidstaten ingediende programma's14 en de verdeling van de financiële middelen over de lidstaten.15 Voorts geldt voor het COCOF-comité dat het nauw is betrokken bij de totstandkoming van soft law in het kader van ESF en EFRO die uiteindelijk door DG Regio van de Europese Commissie wordt uitgegeven.16 De voormelde comités worden ook betrokken bij de vaststelling van verordeningen en andere besluiten door de Europese Commissie. De betrokkenheid van comités bij de uitvoering van het Eu-recht door de Europese Commissie wordt comitologie genoemd.17 Het comitologiesysteem is in het leven geroepen om ervoor zorg te dragen dat de lidstaten door middel van vertegenwoordiging in de comités controle kunnen houden over de uitvoeringsmaatregelen die de Europese Commissie neemt. Comitologie doet zich voor op vrijwel alle Eu-beleidsterreinen — zo bestonden in 2009 in totaal 266 comités —,18 maar komt in het kader van de verstrekking van Europese subsidies waarin sprake is van een nauwe samenwerking tussen de EU en de lidstaten een bijzondere betekenis toe.
Tot 2011 werd de comitologie geregeld in het Besluit 1999/468 van de Raad.19 Het besluit kwam kort gezegd op het volgende neer. In de eerste plaats was voorzien in comités die, á naar gelang wat in de Verordeningen van de Raad hieromtrent was bepaald, over voorstellen van uitvoeringsverordeningen en —besluiten van de Europese Commissie adviezen verstrekten, waarmee de Europese Commissie zoveel mogelijk rekening diende te houden (raadplegingsprocedure).20 In de tweede plaats bestonden ook comités die zich met een meerderheid van stemmen dienden uit te spreken over het voorstel van de Europese Commissie. Indien de Europese Commissie maatregelen vaststelde die in strijd waren met het advies van het comité, diende zij daarvan de Raad in kennis te stellen opdat deze binnen een bepaalde termijn met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit kon nemen (beheersprocedure).21 De derde variant zag eveneens op comités die zich met een meerderheid van stemmen dienden uit te spreken over het voorstel van de Europese Commissie. Verschil met de beheersprocedure was dat in gevallen waarin de Europese Commissie het advies van de comités niet wilde opvolgen, zij het voorstel bij de Raad moest indienen en het Europees Parlement op de hoogte moest brengen (regelgevingsprocedure).22 Ten slotte was voorzien in de ingewikkelde regelgevingsprocedure met toetsing (de zogenaamde PRAc-procedure).23 In de Europese subsidieregelgeving is meestal de raadplegings- en beheersprocedure van toepassing verklaard.
Inmiddels is tijdens de huidige programmaperiode het Verdrag van Lissabon in werking getreden en ook een nieuwe Comitologieverordening tot stand gekomen.24 Dit was nodig omdat de Europese Commissie ingevolge het artikel 290 en 291 VWEU zowel gedelegeerde als uitvoeringshandelingen vaststelt.25 Gedelegeerde handelingen zijn niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling.26 Bij de totstandkoming dient het Europees Parlement te worden betrokken. Het vaststellen van uitvoeringshandelingen geschiedt in beginsel door de lidstaten.27 In gevallen waarin het nodig is dat het Eu-recht volgens eenvormige voorwaarden wordt uitgevoerd, kan worden voorzien in een bevoegdheid voor de Europese Commissie tot het vaststellen van uitvoeringshandelingen.28 Er ontstond grote discussie over de vraag of bij de totstandkoming van gedelegeerde handelingen ook nog ruimte bestaat voor de comités, of dat deze enkel moesten worden betrokken bij de totstandkoming van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 291, derde lid, VWEU29 Uit de vastgestelde Verordening nr. 182/2011 volgt dat het comitologiesysteem is gereserveerd voor door de Europese Commissie vast te stellen uitvoeringshandelingen.30 De Europese Commissie heeft echter aangekondigd dat zij ook in het kader van de vaststelling van gedelegeerde handelingen een beroep zou blijven doen op comités van deskundigen uit de lidstaten.31
Voor de Europese subsidies betekent dit dat nog niet duidelijk is of er de komende programmaperiode 2014-2020 veel voor de bestaande comités zal veranderen. In de voorstellen van de Europese Commissie voor de nieuwe Europese subsidieregelingen is weliswaar voorgesteld dat ter uitvoering daarvan gedelegeerde handelingen zullen worden vastgesteld,32 maar is niet duidelijk in hoeverre de Europese Commissie overeenkomstig de voormelde mededeling de bestaande comités zal raadplegen. De keuze voor gedelegeerde handelingen heeft wel tot gevolg dat de adviezen van deze comités geen rechtsgevolgen hebben.