Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.3.1
5.3.1 De binding van ex-werknemers aan cao’s
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687192:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
A. Stege, De cao en het regelingsbereik van de sociale partners, Deventer: Kluwer 2004, p. 146. Hij stelt, ten onrechte, dat er geen rechtsverhouding meer is met de ex-werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst, en daarom ongelijkheidscompensatie niet nodig is.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 82 en p. 97-98.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 82 en p. 97; A.G. van Marwijk Kooy, ‘De oudere werkende en pensioen’, in: G.J.J. Heerma van Voss en A.G. van Marwijk Kooy (red.), De oudere werkende en het sociaal recht, Deventer: Kluwer 2020, p. 243-244. Vergelijk R.M. Beltzer, ‘Zeggenschap van gepensioneerden’, SMA 2001/10, p. 474, die stelt dat gepensioneerden niet vertegenwoordigd zijn bij de sociale partners. Zie verder paragraaf 6.2.3.
M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.; J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 81-82; T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38.
Statuten FNV: ‘De FNV-vereniging wil in het algemeen de materiële en immateriële belangen behartigen van werkenden en niet-werkenden’. Onder niet-werkenden worden blijkens een definitie gepensioneerden verstaan. Statuten CNV: ‘De bond stelt zich ten doel het streven naar een rechtvaardige samenleving door het behartigen van de maatschappelijke belangen van de leden. (…) Personen die werkzaam zijn geweest in een bedrijfstak (…), maar ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, pensionering of vervroegd uittreden niet meer aan het arbeidsproces deelnemen, kunnen ook lid zijn van de bond’. Statuten De Unie: ‘De vereniging stelt zich ten doel de behartiging van de sociaal-economische en maatschappelijke belangen van haar leden in het vlak van welvaart en welzijn, voor zover deze belangen direct of indirect uit hun (voormalige) arbeidsverhouding voortvloeien’.
Gemiddeld over de periode 2012-2016 was van alle werknemers in de leeftijd van 15 tot 75 jaar 19% lid van een vakbond. De organisatiegraad onder werknemers van 55 tot 65 jaar was 35%. Bij de groep 65- tot 75-jarigen was die kleiner: 22%. Zie W. Gielen en J. Floris, Wie is er nog lid van een vakbond?, CBS Statistische Trends juni 2018, p. 6.
Zo ook T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38, die ook wijst op het vergrijzende ledenbestand.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 81-82 en p. 89; E. Lutjens, ‘Pensioenvoorziening bij CAO’, SR 2004/53; T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38; E. Schop, Wijziging van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder pensioen, Deventer: Kluwer 2007, p. 152. Voor een mooi voorbeeld zie Rb. Amsterdam 18 december 2007, PJ 2008/17 (Belangenvereniging van gepensioneerden van de Nederlandsche Bank/De Nederlandsche Bank), welke overweegt dat het in strijd zou zijn met de aan het pensioenstelsel ten grondslag liggende solidariteitsgedachte om van de actieven die tegenover hun loon nog een arbeidsprestatie moeten leveren wél een eigen bijdrage voor de pensioenopbouw te heffen, terwijl van de inactieven die wél ‘loon’ ontvangen maar geen arbeidsverplichtingen hebben, voor precies dezelfde pensioenopbouw geen bijdrage wordt geheven.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 93.
HR 23 september 2022, JAR 2022/267, m.nt. K.A. van Haaren en I.H. Vermeeren-Keijzers, PJ 2022/104, m.nt. J.M. van Slooten, JIN 2022/175, m.nt. R. van Arkel (Euronext Amsterdam/Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam c.s.). Eerder al: J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6.
J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 89.
HR 30 januari 1987, NJ 1987/936 (Technisch Bureau van Velden/Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het loodgieters-, fitters- en centrale verwarmingsbedrijf); Kamerstukken II 1926/27, 166, nr. 3, p. 4. Hierover bijvoorbeeld W.J.P.M. Fase en J. van Drongelen, CAO-recht, Deventer: Kluwer 2004, p. 48.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 83-84.
T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38.
A. Stege, De cao en het regelingsbereik van de sociale partners, Deventer: Kluwer 2004, p. 145-149; C.J. Loonstra, ‘Collectieve afvloeiingsregelingen: het sociaal plan’, in: F.B.J. Grapperhaus e.a. (red.), Afvloeiingsregelingen, Deventer: Kluwer 1999, p. 239, meent dat uit de bewoording voortvloeit dat het gaat om arbeidsvoorwaarden die tijdens de loop van de arbeidsovereenkomst moeten worden toegepast; N. Tali, ‘De cao en de rechtspositie van gepensioneerden’, ArbeidsRecht 2009/33; J. van Drongelen, ‘Een reactie op: “T. Huijg, Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?”, ArbeidsRecht 2016/38’, ArbeidsRecht 2017/7.
M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.
A. Stege, De cao en het regelingsbereik van de sociale partners, Deventer: Kluwer 2004, p. 145; M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 85. E. Lutjens, ‘Wijziging van de pensioenregeling’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 463, stelt juist dat uit de ILO-verdragen voortvloeit dat contractsvrijheid van vakbonden dient te worden beschermd, waaronder de vrijheid om afspraken te maken over ex-werknemers.
E. Lutjens, ‘Pensioenvoorziening bij CAO’, SR 2004/53; E. Verhulp en N. Jansen, Losbladige arbeidsovereenkomst, aant. 1 bij artikel 9 Wet CAO; T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2020, p. 243.
HR 6 september 2013, JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk, JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, TRA 2013/103, m.nt. J.J.M. de Laat, NJ 2014/67, m.nt. E. Lutjens (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG).
M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.
Hierover T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38; N. Tali, ‘De cao en de rechtspositie van gepensioneerden’, ArbeidsRecht 2009/33. G.J.J. Heerma van Voss en J.M. van Slooten, ‘Kroniek van het Sociaal recht’, NJB 2008/1734, stellen dat de wetgever er honderd jaar geleden niet aan heeft gedacht.
Onder meer P.G. Vestering, ‘Voorwaardelijke indexering van pensioenen: blijvend onzeker’, P&P 2010/5.
Bijlage bij Kamerstukken I 2020/21, 35555, J. Het gaat hier over afspraken in het kader van de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing.
M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.; later iets voorzichtiger in M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 86 en over algemeen verbindend verklaring op p. 88 en p. 101; E. Lutjens, ‘Pensioenvoorziening bij CAO’, SR 2004/53; E. Lutjens, ‘Wijziging van de pensioenregeling’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 422; E. Verhulp en N. Jansen, Losbladige arbeidsovereenkomst, aant. 1 bij artikel 9 Wet CAO; annotator Van den Heuvel bij Ktr. Terneuzen 22 augustus 2001, PJ 2002/28, m.nt. L.H. van den Heuvel (Van den Bos c.s./ACZC); annotator Tulfer bij Rb. Arnhem 16 april 2004, PJ 2004/74, m.nt. P.M. Tulfer(Vereniging van Gepensioneerden Campina c.s./Pensioenfonds Campina); J.M. van Slooten, ‘“Uitgewerkte rechtsverhouding” als arbeids- en/of pensioenrechtelijk leerstuk’, TPV 2012/16; P.G. Vestering, ‘Voorwaardelijke indexering van pensioenen: blijvend onzeker’, P&P 2010/5; T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38; R.M. Beltzer en E. Verhulp, Capita selecta cao-recht, Den Haag: Bju 2012, p. 21; C. Donner-Broersma, P. Kuijper en M. Vis, ‘Opzeggen uitvoeringsovereenkomst’, in: Vereniging voor Pensioenrecht, Het verweesde pensioenfonds, en nu?, Den Haag: Sdu 2013, p. 19; A.T.J.M. Jacobs, Collectief arbeidsrecht, Deventer: Kluwer 2017, p. 110 en p. 126; N. Jansen, in: J.M. van Slooten, M.S.A. Vegter en E. Verhulp (red.), Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, Tiende druk, Deventer: Kluwer 2018, artikel 14 Wet CAO, aant. 12; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2020, p. 243.
A. Stege, De cao en het regelingsbereik van de sociale partners, Deventer: Kluwer 2004, p. 145-149; F.B.J. Grapperhaus, in: P.F. van der Heijden e.a. (red.), Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, Derde druk, Deventer: Kluwer 2004, artikel 14 Wet CAO, aant. 12; annotator Beltzer bij Rb. Amsterdam 20 januari 2006, JAR 2006/53, m.nt. R.M. Beltzer (Belangenvereniging Pensioengerechtigden ABN AMRO c.s./ABN AMRO c.s.); A. Pasztor, ‘Wijziging van de pensioenregeling; deel 1: de formele aspecten’, ArbeidsRecht 2006/9; N. Tali, ‘De cao en de rechtspositie van gepensioneerden’, ArbeidsRecht 2009/33; P.G. van der Horst, ‘Opties voor het invaren – reactie op artikel TPV 2013/14’, TPV 2013/27; R.A.C.M. Langemeijer, ‘Beperking indexatie pensioen wegens ontoereikende middelen’, SR 2004/86; E. Schop, Wijziging van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder pensioen, Deventer: Kluwer 2007, p. 90; J. van Drongelen, ‘Een reactie op: “T. Huijg, Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?”, ArbeidsRecht 2016/38’, ArbeidsRecht 2017/7; in beginsel niet volgens H.V.R. Lepoutre en R.M.J.M. de Greef, ‘Pensioen’, in: A.R. Houweling, P.G. Vestering en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel II, Den Haag: Sdu 2019, p. 3561. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hield het er in 2012 op dat er over cao-binding geen consensus bestaat, zie Bijlage 2 bij Kamerstukken II 2011/12, 32043, nr. 133, p. 34.
HR 16 maart 1962, NJ 1963/222 (Bakker/Grafische Industrie Haarlem).
Onder meer M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.
Rb. Middelburg 5 november 2003, JAR 2003/291 (ACZC/ex-werknemers); Rb. Arnhem 16 april 2004, PJ 2004/74, m.nt. P.M. Tulfer(Vereniging van Gepensioneerden Campina c.s./Pensioenfonds Campina); Rb. Meppel 27 januari 2005, JAR 2005/260 (De Unie/Friesland Coberco Dairy Foods); Rb. Tiel 25 januari 2006, PJ 2006/38, m.nt. E. Lutjens (Vereniging van Gepensioneerden Campina c.s./Pensioenfonds Campina); Hof Amsterdam 28 december 2010, PJ 2011/36 (Hopstaken c.s./ING Personeel); Hof Arnhem 25 oktober 2011, JAR 2011/312 (Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands c.s./Elementis Specialties Netherlands); Hof Leeuwarden 25 september 2012, PJ 2012/204 (ex-werknemer/Friesland Foods); Hof Amsterdam 26 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:5246 (ex-werknemers/ASR Nederland). Ik wijs hier ook op Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2016, JIN 2016/48, m.nt. E.M. Bevers (ex-werknemer/Focus on Human), welk hof oordeelt dat het niet vanzelfsprekend is dat postcontractuele bedingen (in casu een concurrentie- en relatiebeding) vallen onder het bereik van artikel 1 Wet CAO.
Impliciet Ktr. Amsterdam 2 augustus 1995, PJ 1995/59 (eisers/Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief Personeel in de Bouwbedrijven); Ktr. Terneuzen 22 augustus 2001, PJ 2002/28, m.nt. L.H. van den Heuvel (Van den Bos c.s./ACZC); Ktr. Terneuzen 12 december 2001, JAR 2002/29 (Notschaele/Zélandaise de Carbonisation c.s.); impliciet Rb. Arnhem 9 juli 2007, PJ 2008/72 (ex-werknemers/Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland); Rb. Amsterdam 18 december 2007, PJ 2008/17 (Belangenvereniging van gepensioneerden van de Nederlandsche Bank/De Nederlandsche Bank); Rb. Utrecht 21 november 2007, JAR 2008/5 (FNV c.s./Douwe Egberts); Rb. Amsterdam 6 maart 2009, JAR 2009/79 (Hopstaken c.s./ING Personeel). Ook Rb. Alkmaar 8 september 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BF9735 (eiser/Pipelife Nederland) lijkt ervan uit te gaan dat het kan. In het midden gelaten door Hof Amsterdam 25 oktober 2011, PJ 2011/151 (ex-werknemer/Reaal Verzekeringen).
Rb. Amsterdam 6 maart 2009, JAR 2009/79 (Hopstaken c.s./ING Personeel).
Rb. Amsterdam 18 december 2007, PJ 2008/17 (Belangenvereniging van gepensioneerden van de Nederlandsche Bank/De Nederlandsche Bank).
Zo ook T. Huijg, ‘(Eenzijdig) beëindigen van een ziektekostenbijdrage aan postactieven’, TRA 2010/6.
Rb. Amsterdam 20 januari 2006, JAR 2006/53, m.nt. R.M. Beltzer (Belangenvereniging Pensioengerechtigden ABN AMRO c.s./ABN AMRO c.s.); Rb. Amsterdam 23 mei 2008, JAR 2009/60 (Sneller/Delta Lloyd). In hoger beroep Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/283 (Sneller/Delta Lloyd), komt het hof tot dezelfde conclusie, maar toetst vervolgens nog wel aan de redelijkheid en billijkheid. Zie ook T. Huijg, ‘DNB in de fout bij Q&A’s over wijzigingen indexatieregelingen’, PM 2012/112; E. Schop, Wijziging van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder pensioen, Deventer: Kluwer 2007, p. 91; H.P. Breuker, ‘Wijziging onvoorwaardelijke indexatie voor inactieven’, P&P 2012/7/8; E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2019, nr. 531.
Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/282 (Neerincx/Rabobank), r.o. 4.5.4, Regeling Faciliteiten weduwen/weduwnaars, gepensioneerden en daarmee gelijkgestelden verwijst door naar cao. Zo ook N. Jansen, in: J.M. van Slooten, M.S.A. Vegter en E. Verhulp (red.), Tekst & Comfmentaar Arbeidsrecht, Tiende druk, Deventer: Kluwer 2018, artikel 9 Wet CAO, aant. 12.
In Rb. ’s-Gravenhage 1 mei 2007, PJ 2007/144 (Vereniging van Aegon Gepensioneerden c.s./Aegon Nederland c.s.), r.o. 5, wordt dit het geval geacht, al gaat het niet om een wijziging via cao maar via de OR.
HR 30 januari 2015, JAR 2015/55, TRA 2015/40, m.nt. M.D. Ruizeveld, PJ 2015/79, m.nt. T. Huijg (ex-werknemers/ABN AMRO); eerder in hoger beroep Hof Amsterdam 13 augustus 2013, RAR 2014/14 (ex-werknemers/ABN AMRO). Opvallend is dat de uitkomst in cassatie hier een andere is dan in HR 21 juni 2013, PJ 2013/159 (ABN AMRO/ex-werknemers). Huijg wijst er in zijn annotatie als verklaring op dat in de eerdere ABN AMRO-zaak de cao-koppeling pas te laat in hoger beroep werd opgeworpen waardoor dit argument niet werd meegenomen.
J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6; M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 99-100; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2020, p. 244. Bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 4 augustus 2014, PJ 2014/165 (ex-werknemers/Delta Lloyd c.s.) concludeert dat via een incorporatiebeding de ex-werknemers zijn gebonden aan de cao, al was tegen dit punt geen verweer gevoerd.
Bijvoorbeeld in Hof Arnhem 25 oktober 2011, JAR 2011/312 (Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands c.s./Elementis Specialties Netherlands), blijkt dat de werkgever zich duidelijk heeft beroepen op een incorporatiebeding, maar maakt het hof zich ermee van af door te zeggen dat een cao een ex-werknemer niet kan binden. De stelling van T. Huijg en P.G. Vestering, ‘De-risking door aanpassing van de pensioenregeling’, TFR 2014/7/8, p. 295, dat de binding van ex-werknemers aan cao’s op grond van de Wet CAO alleen relevant is als zij niet via lidmaatschap of incorporatiebeding zijn gebonden, lijkt mij in zijn algemeenheid onjuist.
Hof Amsterdam 28 december 2010, PJ 2011/36 (Hopstaken c.s./ING Personeel), r.o. 4.5.
Wenselijk geacht door M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 104.
Zie de aan het begin van deze paragraaf geciteerde statuten van FNV, CNV en De Unie.
Zoals bekend, is de cao onderhevig aan een unieke set spelregels die is geregeld in de Wet CAO. De vraag of een ex-werknemer aan een cao kan worden gebonden, maakt juridisch nogal wat uit. Als het niet kan, is de Wet CAO voor de ex-werknemer betekenisloos en kan hij er niet aan worden gebonden, althans niet op de grond van de Wet CAO. Als het wel kan, resulteert een nieuwe, gewijzigde cao erin dat een georganiseerde ex-werknemer daaraan gebonden is omdat de cao dwingend doorwerkt (artikel 9, 12 en 13 Wet CAO), en de ongeorganiseerde ex-werknemer dient een aanbod te krijgen van de gebonden werkgever overeenkomstig de cao (artikel 14 Wet CAO).
Zoals voor meer wijzigingsroutes in dit hoofdstuk geldt, zijn er argumenten voor en tegen de vraag of een cao ook ex-werknemers moet kunnen binden. Ik heb het over zowel principiële argumenten als juridische. Als principieel argument tegen is gewezen op het feit dat een cao ongelijkheidscompensatie en het bewaren van arbeidsrust beoogt, wat alleen aan de orde kan zijn bij werknemers.1 Ook zouden ex-werknemers, anders dan werknemers, geen tot weinig wisselgeld hebben in het kader van onderhandelingen.2 Dat hangt samen met de uiteenlopende belangen die werknemers en ex-werknemers kunnen hebben, waarbij het de vraag is of vakbonden die adequaat kunnen behartigen.3 Een uitruil van arbeidsvoorwaarden in het kader van cao-onderhandelingen kan er immers in resulteren dat de ex-werknemers erop achteruit gaan en de werknemers erop vooruit. Ik behandel de belangentegenstelling in paragraaf 6.2.3 en volsta er hier mee te zeggen dat deze reëel is. Daar komt tot slot bij dat het collectieve actiewapen van ex-werknemers relatief beperkt is; staking is immers geen optie meer.4
Als principieel argument voor is genoemd dat een ex-werknemer ook na afloop van zijn arbeidsovereenkomst in een ongelijke positie verkeert ten opzichte van zijn ex-werkgever en dus behoefte heeft aan de ongelijkheidscompensatie die een cao beoogt te geven, waarbij een vakbond (mede) zijn of haar belangen behartigt.5 In de statuten van veel grote vakbonden is de belangenbehartiging van ex-werknemers onderdeel van de doelomschrijving,6 zij het dat de organisatiegraad in de leeftijd 55-65 jaar een stuk hoger ligt dan de leeftijd 65-75 jaar.7 Blijkbaar is pensionering een reden voor velen om hun lidmaatschap op te zeggen. Dat vakbonden daardoor mogelijk niet afdoende representatief zouden zijn lijkt me echter een weinig overtuigend argument, aangezien dat net zozeer voor werknemers kan gelden. Bovendien zal iedere werknemer ooit ex-werknemer worden, dus ligt eenzijdige belangenbehartiging niet voor de hand.8 Een ander belangrijk argument is dat een cao een package deal is waarbij alles met elkaar samenhangt. Dan komt het vreemd voor dat een afspraak ten aanzien van een ex-werknemer niet gewijzigd zou kunnen worden en daarmee dus het package deal-argument ondermijnt. Dat zou ook de solidariteit tussen werknemers en ex-werknemers ondermijnen;9 die solidariteit zou dan immers behoorlijk eenzijdig worden vanuit de werknemers naar de ex-werknemers toe. De ex-werknemer is dan beter af. Dit terwijl een cao per definitie tijdelijk van aard is en een ex-werknemer niet kan verwachten dat bepaalde aanspraken voor onbepaalde tijd zullen zijn.10 In het verlengde van solidariteit ligt gelijke behandeling van werknemers en ex-werknemers. Het zijn echter geen gelijke gevallen11 en het is ook geen wettelijk verboden onderscheid. Wel ontstaat mogelijk een indirect onderscheid naar leeftijd als ex-werknemers geen wijziging ondergaan en werknemers wel; bijvoorbeeld als zich onder de ex-werknemers veel gepensioneerden bevinden. Deze ongelijke behandeling zal dan objectief gerechtvaardigd moeten worden. Ook het argument dat de ex-werknemer niet kan staken is niet per definitie overtuigend; de ex-werknemer is immers tot diverse andere vormen van collectieve actie in staat, van poortblokkades tot het doen van een boycotoproep, en van demonstraties tot flash mobs.12 Tot slot kan genoemd worden dat als een ex-werknemer beschermd wordt door de algemeenverbindendverklaring van een cao, mogelijke concurrentie op postcontractuele arbeidsvoorwaarden binnen een bedrijfstak wordt voorkomen.13
Naast de principiële discussie zijn er juridische vraagtekens over de reikwijdte van de Wet CAO. Volgens artikel 1 van die wet is een cao een overeenkomst waarbij voornamelijk of uitsluitend arbeidsvoorwaarden worden geregeld tussen werkgevers(verenigingen) en werknemersverenigingen, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen. In het verleden is door de Hoge Raad een ruime uitleg van het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ aangenomen, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, waarbij de wetgever aangaf dat beoogd is ruimte te laten voor bedingen die partijen in de toekomst via cao zouden willen regelen.14 Als het begrip zo ruim moet worden gelezen dat het iedere afspraak tussen werkgevers(verenigingen) en werknemersverenigingen omvat, wat mij juist voorkomt, dan zouden arbeidsvoorwaarden van ex-werknemers daar dus ook onder vallen.15
Daar valt tegenin te brengen dat de wetsgeschiedenis weliswaar ruimte heeft gelaten aan wat cao-partijen wensen te regelen aan arbeidsvoorwaarden, maar dit nog niets zegt over de vraag of het ook ex-werknemers kan betreffen.16 Problematischer is namelijk het andere deel van de definitie van artikel 1 Wet CAO, dat het moet gaan om arbeidsvoorwaarden ‘bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen’. Bepleit kan worden dat ex-werknemers daarmee worden uitgesloten omdat zij nu eenmaal geen arbeidsovereenkomst meer hebben. Daarmee zijn zij dus ook niet meer betrokken bij de cao in de zin van artikel 9 Wet CAO17 en kan er ook niet van een arbeidsvoorwaarde worden gesproken.18 Wat minder overtuigend vind ik het argument dat ILO-verdragen en het Europees Sociaal Handvest, als het gaat om cao’s, zich niet richten op ex-werknemers.19
Het tegendeel kan eenvoudig bepleit worden. Artikel 1 Wet CAO spreekt over ‘voornamelijk’ (wat ruimte biedt voor een ruime interpretatie), het eindigen van de arbeidsovereenkomst betekent niet dat er geen rechtsverhouding meer is, de rechten en verplichtingen van de ex-werknemers vloeien voort uit een voormalige arbeidsovereenkomst, en ex-werknemers kunnen dus prima als betrokken worden gezien in de zin van artikel 9 Wet CAO.20 In lijn met ECN kan betoogd worden dat binding aan een cao na afloop van de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet met gewijzigde hoedanigheid van partijen.21
Verder is problematisch dat de artikel 12 Wet CAO en artikel 14 Wet CAO enkel spreken over werknemers en niet over ex-werknemers, net zoals artikel 1 lid 1 Wet CAO zegt dat een cao dient te worden afgesloten met een vereniging van werknemers. Andere artikelen, zoals artikel 9 Wet CAO, noemen overigens geen van tweeën.22 Hoeveel uit dit soort bewoordingen, of het ontbreken daarvan, kan worden afgeleid is onduidelijk; de wetsgeschiedenis noemt de ex-werknemer in ieder geval niet.23 Ook wordt artikel 1 lid 2 Wet CAO nog wel eens aangehaald in het kader van deze discussie (die ziet op uitbreiding van een cao tot opdrachtovereenkomsten en aanneming van werk), omdat het een bredere reikwijdte impliceert.24
Enigszins vergelijkbare argumenten voor en tegen gelden voor de Wet AVV, die in artikel 2 ook spreekt over ‘werknemers’ en ‘arbeidsovereenkomsten’. Volgens het Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring Cao-bepalingen is pensioen van algemeenverbindendverklaring uitgesloten, omdat de verplichtstelling van pensioenfondsen loopt via de Wet Bpf 2000 en de Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000. Dat neemt niet weg dat er genoeg andere voor ex-werknemers van belang zijnde onderwerpen zijn die wel via de Wet AVV van toepassing kunnen worden. Het Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring Cao-bepalingen noemt zelfs expliciet dat VUT- en suppletieregelingen wel algemeen verbindend kunnen worden verklaard. Dat laatste gebeurt op dit moment ook volop voor bijvoorbeeld de WW-suppletieregelingen van de Stichting Private Aanvulling WW en WGA (zie paragraaf 4.4) en regelingen voor vervroegd uittreden.25 Dat is een belangrijke aanwijzing dat een cao rechten en verplichtingen van ex-werknemers kan bevatten, maar beantwoordt op zichzelf nog niet de vraag of die rechten en verplichtingen ook na uitdiensttreding nog gewijzigd kunnen worden via cao.
Wie het weet na het lezen van deze kluwen aan argumenten, mag het zeggen. De meningen zijn diep verdeeld in voorstanders26 en tegenstanders27. De rechtspraak lijkt evenzeer verdeeld. Een duidelijke uitspraak van de Hoge Raad ontbreekt helaas vooralsnog. Er is enkel een oud arrest dat stelt dat artikel 1 Wet CAO ruimte biedt om ook andere rechtsverhoudingen dan arbeidsovereenkomsten te reguleren; in casu betrof het een werknemer in de precontractuele fase.28 Die redenering valt ook los te laten op de postcontractuele rechtsverhouding.29 In de lagere rechtspraak is een beroep op binding van ex-werknemers aan cao’s zowel afgewezen30 als toegewezen dan wel mogelijk geacht.31
Soms worden er door rechters aanvullende overwegingen bijgehaald om tot binding te concluderen, zoals of de contracterende vakbonden dezelfde zijn als waarmee een eerdere cao is gesloten,32 of dat de arbeidsvoorwaarde al bestond tijdens het dienstverband.33 In het verlengde daarvan ligt het argument dat je als ex-werknemer alleen aan een cao gebonden kan worden als je dat als werknemer ook al was. Mij lijken dat soort overwegingen niet relevant voor binding op grond van artikel 9 Wet CAO, want een grondslag daarvoor ontbreekt in de wet. Hooguit kunnen dit soort overwegingen een rol spelen bij uitleg van een incorporatiebeding; als er geen incorporatiebeding is, zijn ze irrelevant.34 Zoals bekend kan binding aan een cao ook via een incorporatiebeding tot stand komen. Dat zal dan doorgaans een beding zijn in de voormalige arbeidsovereenkomst dat postcontractuele werking toekomt, maar kan net zo goed een reglement zijn dat weer doorverwijst naar de cao35 of een andersoortige regeling met een dergelijke doorverwijzing.36 Ook de variant waar is afgesproken dat als een regeling in de cao wijzigt voor de werknemers, deze regeling eveneens wijzigt voor de ex-werknemers, is een vorm van incorporatie en kan tot gevolg hebben dat de cao doorwerkt.37 Hetzelfde is het geval bij een regeling waar de bijdrage voor ex-werknemers is gekoppeld aan die voor werknemers.38 Of een incorporatiebeding zich ook uitstrekt tot cao’s die na het einde van de arbeidsovereenkomst tot stand komen, is daarbij uiteraard een kwestie van uitleg.39 In feite gaat het hier dan om de vraag of het incorporatiebeding statisch is of wordt bij het einde van de arbeidsovereenkomst, of dynamisch is en ook nieuwe cao’s omvat. Dat is uiteraard een cruciaal verschil. In sommige zaken waar door werkgevers wordt betoogd dat de ex-werknemer is gebonden aan een cao, al dan niet op basis van een incorporatiebeding, lijkt daarbij soms een cirkelredenering te worden gehanteerd: als een cao een ex-werknemer niet kan binden, dan is het incorporatiebeding niet meer relevant.40 Onjuist lijkt mij dan ook de overweging van hof Amsterdam dat als een arbeidsovereenkomst niet meer bestaat, binding via een incorporatiebeding niet mogelijk is.41
Alles overziende zijn er dus belangrijke principiële argumenten waarom het wenselijk is dat een ex-werknemer ook aan een cao kan worden gebonden, lijken de juridische hobbels van de Wet CAO overkomelijk om die binding te realiseren en is in de lagere rechtspraak die binding ook meermaals geaccepteerd. Het is te hopen dat de Hoge Raad de praktijk hier duidelijkheid zal verschaffen. Een vervolgvraag voor de wetgever is of de ex-werknemer dan aanvullende bescherming zou moeten toekomen vanwege de genoemde principiële argumenten tegen binding aan cao’s, bijvoorbeeld door in de wet vast te leggen dat een vakbond ook de belangen van ex-werknemers evenwichtig dient te behartigen.42 Ondanks dat dit al met zoveel woorden staat in de statuten van veel vakbonden,43 zou ik daar wel een voorstander van zijn; zolang het de sociale partners maar een ruime beleidsvrijheid biedt, gelijk aan artikel 105 lid 2 Pw (zie paragraaf 6.8.3). Het moet tot de vrijheid van een vakbond horen om, alles afwegende, een belang van een ex-werknemer al dan niet te offeren voor een belang van een werknemer, of andersom; dit alles uiteraard binnen de grenzen van dwingende wetgeving (zoals artikel 20 Pw). In paragraaf 5.3.4 ga ik in op de vraag of een ex-werknemer in plaats van via de Wet CAO, gebonden kan worden aan een overeenkomst op grond van het verenigingsrecht en daarmee samenhangend het derdenbeding.