Rechtbank Rotterdam 9 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8130.
HR, 09-05-2025, nr. 24/00656
ECLI:NL:HR:2025:725
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-05-2025
- Zaaknummer
24/00656
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:725, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:262
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3525
ECLI:NL:PHR:2025:262, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:725
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑02‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0038
NTHR 2025/31, p.186
JOR 2025/226 met annotatie van mr. M.E. ten Brinke
JBPr 2025/48 met annotatie van prof. mr. N. Peters
JBPr 2025/48 met annotatie van prof. mr. N. Peters
Uitspraak 09‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Arbitrage. Procesrecht. Vernietiging van arbitraal vonnis op grond dat wijze van totstandkoming strijdt met openbare orde (art. 1065 lid 1, onder e, Rv). Beslissing van door partijen aangewezen derde op verzoek van arbiter tot ontheffing van zijn opdracht (art. 1029 lid 2 Rv). Kan arbiter zich met dit verzoek ook wenden tot voorzieningenrechter?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00656
Datum 9 mei 2025
ARREST
In de zaak van
[R] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [R] ,
advocaat: M.W. Scheltema,
tegen
1. [JH] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [EA] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [P] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [S] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [JH c.s.] ,
advocaat: R.R. Verkerk.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/19/136616/KG ZA 21-107 van de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2021;
b. de arresten in de zaken 200.301.590/01 en 200.301.793/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 november 2021 en 26 juli 2022;
c. het arrest in de zaak 22/00408 van de Hoge Raad van 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:840;
d. het arrest in de zaken 200.317.704/01 KG en 200.317.993/01 van het gerechtshof Amsterdam van 28 november 2023.
[R] heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 november 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[JH c.s.] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [JH c.s.] mede door A.J.J. Kool.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het hof Amsterdam van 28 november 2023 en tot verwijzing dan wel terugverwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn erfgenamen van moeder. Uit het huwelijk van moeder en vader zijn vier kinderen geboren: [JH] , [EA], [R] en [A] . [A] is in 2021 overleden. [P] en [S] zijn de kinderen van [A] en zij zijn door plaatsvervulling erfgenamen van moeder.
(ii) Vader en [R] hebben in maatschapsverband vanaf 1974 een landbouwbedrijf geëxploiteerd. Vader is in 2002 overleden. Moeder en [R] hebben de maatschap voortgezet tot 2017. In 2017 zijn de boerderij, het bedrijf en enkele percelen grond verkocht. Van de opbrengst is een bedrag van € 1.151.963,13 bij de notaris in depot geplaatst. [R] heeft conservatoir beslag gelegd op de gelden in het depot.
(iii) Tussen moeder en [R] is een geschil ontstaan over de verdeling van de verkoopopbrengst. Het geschil tussen moeder en [R] is aan arbiters bij het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI) voorgelegd. Op de arbitrale procedure is het Arbitragereglement 2015 van toepassing. Het Arbitragereglement 2015 luidt voor zover van belang als volgt:
“Artikel 17 – Ontheffing van opdracht
1 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan op eigen verzoek daarvan worden ontheven hetzij met instemming van de partijen hetzij door de administrateur.
2 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan door de partijen gezamenlijk van zijn opdracht worden ontheven. De partijen doen direct mededeling van de ontheffing aan de arbiter en aan de administrateur.
3 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan, indien hij rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn opdracht te vervullen, op verzoek van een der partijen door de administrateur van zijn opdracht worden ontheven.
4 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan door de administrateur uit eigen beweging daarvan worden ontheven indien hij (i) rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn opdracht te vervullen, of (ii) zijn opdracht niet in overeenstemming met dit Reglement uitvoert.”
(iv) De arbitrageprocedure is op 1 december 2017 aangevangen. Tot arbiters zijn benoemd H.J. de Groot, die was voorgedragen door [R] (hierna: De Groot), A.H. van Engelen, die was voorgedragen door moeder (hierna: Van Engelen), en J.W. Bitter, die door beide andere arbiters was voorgedragen en tot voorzitter is benoemd (hierna: Bitter). Deze drie arbiters vormden het scheidsgerecht in het geschil tussen moeder en [R] .
(v) Bij brief van 7 juni 2019 heeft advocaat Haarsma (hierna: Haarsma) namens moeder een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van het scheidsgerecht (en zijn secretaris). Dit was toen het tweede wrakingsverzoek namens moeder. Dit wrakingsverzoek is behandeld door de wrakingskamer van het NAI. De mondelinge behandeling van dit wrakingsverzoek heeft op 14 augustus 2019 plaatsgevonden.
(vi) Haarsma heeft namens moeder bij brief van 20 augustus 2019 een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie leden van de wrakingskamer.
(vii) De schriftelijke beslissing van de wrakingskamer, gedateerd 14 augustus 2019, op het wrakingsverzoek van 7 juni 2019 is op of omstreeks 10 september 2019 op schriftgesteld, althans aan partijen verstrekt en houdt in:
“(…)
De beoordeling
(…)
Uit de antwoorden op de haar gestelde vragen is gebleken dat [moeder] onvoldoende beseft waar de arbitrage over gaat, dat namens haar de arbiters en de secretaris zijn gewraakt en wat een wraking eigenlijk betekent. De Kamer kan daarom niet vaststellen dat verzoekster echt haar wil gericht op het wraken van de arbiters en secretaris en op de gestelde gronden heeft gevormd en geuit. (…)
De beslissing
Het Comité dat beslist over verzoeken tot wraking als bedoeld in artikel 19 van het NAI reglement verstaat dat er geen sprake is van een wraking van de arbiters en de secretaris in de zin van genoemd artikel.
Deze beslissing is gegeven door (…) op 14 augustus 2019.”
(viii) De voorzitter van het door het bestuur van het NAI aangestelde Comité dat beslist over verzoeken tot wraking bedoeld in art. 19 van het Arbitragereglement 2015 (hierna: het Comité), heeft bij brief van 6 november 2019 aan Haarsma medegedeeld dat het op 20 augustus 2019 ingediende wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen omdat op het (tweede) wrakingsverzoek al (op 14 augustus 2019 mondeling) was beslist. Tijdens de wrakingsprocedure was de arbitrageprocedure geschorst.
(ix) Bij arbitraal tussenvonnis van 12 december 2019 is de schorsing opgeheven en is de arbitrageprocedure voortgezet. Het scheidsgerecht heeft in het tussenvonnis de voorlopige oordelen gegeven dat moeder met [R] de maatschap heeft voortgezet die [R] met zijn vader had, en dat enkele percelen economische eigendom van de maatschap zijn. Het scheidsgerecht heeft partijen de gelegenheid gegeven (tegen)bewijs te leveren. Verder luidt overweging 1.8 van het arbitrale tussenvonnis als volgt:
“Bij beslissing van 14 augustus 2019 heeft de door de voorzitter van het in artikel 19 lid 5 van het Arbitragereglement genoemde Comité benoemde wrakingskamer (…) beslist dat het namens Moeder ingediende wrakingsverzoek van 7 juni 2019 niet als een door haar ingediend wrakingsverzoek kan gelden omdat niet gebleken was dat het ingediende wrakingsverzoek Moeders wil tot wraking weergaf.”
(x) Moeder is op 28 december 2020 overleden. Omdat de zaak toen al in staat van wijzen was, heeft het scheidsgerecht [JH c.s.] niet als partij in de arbitrageprocedure toegelaten.
(xi) Naar aanleiding van een zevende wrakingsverzoek tegen de arbiters door Haarsma namens moeder dan wel [JH c.s.] heeft de wrakingskamer van het Comité van het NAI bij beslissing van 3 mei 2021 niet alleen het wrakingsverzoek afgewezen maar ook beslist dat de proceshouding van Haarsma (het blijven indienen van wrakingsverzoeken op evident onjuiste gronden) misbruik van recht oplevert. Op die grond heeft de wrakingskamer beslist dat latere wrakingsverzoeken van de zijde van [JH c.s.] niet meer in behandeling zullen worden genomen.
(xii) In een e-mail van 14 juni 2021 aan het NAI heeft Van Engelen het volgende geschreven:
“Hierbij maak ik u kenbaar dat ondergetekende zichzelf terugtrekt als arbiter in de arbitragezaak (…).
De redenen zijn u genoegzaam bekend en zijn u al mondeling gedeeld.
1) Ondergetekende is mening dat niet naar de maatstaven welke in het maatschappelijk verkeer gelden een arbitraal vonnis wordt gebezigd;
2) Ondergetekende zich niet kan verenigen met het presenteren van feiten;
3) De rol welke de opvolgende wrakingscommissies daarin spelen dan wel hebben gespeeld;
4) De veelheid van verschillende procedures en incidenten zonder afdoende reflectie worden beoordeeld en leidend dreigend te zijn in het concipiëren van het vonnis.
Kortom redenen genoeg om mij per direct terug te trekken als arbiter in deze zaak.
Ondergetekende zal zijn opdrachtgever op de hoogte brengen van het feit dat ondergetekende zich niet langer in een positie acht om zijn taak uit te oefenen.”
(xiii) Bij e-mail van 28 juni 2021 heeft Haarsma het NAI (zo nodig) op grond van art. 17 leden 3 en 4 van het Arbitragereglement verzocht Van Engelen van zijn opdracht te ontheffen. Zij kondigde een kort geding aan, indien dit verzoek niet zou worden gehonoreerd.
(xiv) Bij brief van 30 juni 2021 heeft het NAI Haarsma geantwoord dat het verzoek wordt afgewezen en dat Van Engelen niet wordt ontheven van zijn opdracht als arbiter in de onderhavige zaak.
(xv) Vervolgens heeft Van Engelen in een e-mail van 2 juli 2021 het NAI verzocht hem te ontheffen als arbiter.
(xvi) Daarop hebben [JH c.s.] het NAI in kort geding gedagvaard en gevorderd dat Van Engelen zal worden ontheven als arbiter.
(xvii) Bij brief van 5 juli 2021 heeft het NAI aan Van Engelen meegedeeld dat de behandeling van zijn verzoek wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van het kort geding.
(xviii) Bij vonnis van 9 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam1.de (hiervoor onder (xvi) bedoelde) vordering van [JH c.s.] afgewezen. Ten overvloede overwoog de voorzieningenrechter als volgt:
“4.8. Bij de beoordeling in dit kort geding kan niet worden vooruitgelopen op de beslissing van de Administrateur [van het NAI] op het eigen ontheffingsverzoek van mr. Van Engelen, die in afwachting van dit vonnis is aangehouden. Denkbaar is dat de toets in dat kader, al dan niet nadat nadere toelichting is gegeven, anders uitvalt, nu uit de toelichting van mr. Van Engelen ter zitting opgemaakt zou kunnen worden dat hij zichzelf niet langer in staat acht om met de voor een arbiter vereiste onpartijdigheid te oordelen. Dat aspect viel echter uit de mail van 14 juni 2021 [Hoge Raad: de hiervoor onder (xii) bedoeld e-mail] niet op te maken en die toelichting was niet beschikbaar toen de thans relevante beslissing werd genomen en kon daarin dus ook niet worden meegewogen.”
(xix) Diezelfde dag heeft het NAI Van Engelen laten weten, onder verwijzing naar de uitkomst van de procedure bij de voorzieningenrechter, dat hij niet van zijn opdracht zal worden ontheven.
(xx) In een e-mail van 12 juli 2021, 9.05 uur, gericht aan Bitter, met onder andere De Groot, het NAI, M. Ynzonides (advocaat van het NAI) en Haarsma in de cc, heeft Van Engelen laten weten dat hij zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft gewend met het verzoek hem (als arbiter) te willen ontheffen:
“Met teleurstelling heb ik kennis genomen van het feit dat je vonnis in stemming hebt gebracht. Ik heb mij hedenochtend gewend tot de Voorzieningenrechter in Rotterdam met het verzoek of zij mij nu wel wil ontheffen. Zodra ik uitsluitsel krijg van de Voorzieningenrechter zal ik jou berichten.”
(xxi) Haarsma heeft bij e-mail van 12 juli 2021, 10.26 uur, aan Ynzonides en J. van Nass (eveneens advocaat van het NAI), de arbiters en het NAI – onder verwijzing naar rov. 4.8 van het hiervoor onder (xviii) genoemde vonnis in kort geding van 9 juli 2021 en de hiervoor onder (xx) genoemde e-mail van Van Engelen – het NAI verzocht en zo nodig gesommeerd om het oordeel van de voorzieningenrechter op het verzoek van Van Engelen om te worden ontheven van zijn opdracht, af te wachten. Haarsma heeft hieraan toegevoegd dat uit de e-mails van Van Engelen blijkt dat de (andere) arbiters die dag vonnis willen wijzen en dat dit “indachtig het vorenstaande onbegrijpelijk en onbetamelijk is”.
(xxii) Bij e-mail van 12 juli 2021, 11.03 uur, heeft het NAI Haarsma geantwoord, met onder anderen de arbiters in de cc, dat het verzoek eerst intern zal worden besproken en dat daarop uiterlijk om 14.00 uur die dag zal worden gereageerd. Daarnaast heeft Ynzonides aan Haarsma, met de arbiters en het NAI in de cc, bij e-mail van 12 juli 2021, 11.31 uur, onder meer het volgende bericht:
“Een verzoek van de heer Van Engelen aan de voorzieningenrechter mist een wettelijke grondslag, zodat die route voor hem niet openstaat. Tegen deze achtergrond ziet het NAI geen aanleiding om ergens op te wachten.”
(xxiii) Vervolgens is op diezelfde dag (12 juli 2021) het arbitrale eindvonnis gewezen. Van Engelen heeft het eindvonnis niet ondertekend. In het vonnis is vermeld dat Van Engelen heeft geweigerd het vonnis te ondertekenen. In het eindvonnis is moeder veroordeeld om aan [R] € 867.095,98 te betalen uit het depot bij de notaris, met bijkomende veroordelingen, waaronder een veroordeling van moeder in de kosten van de arbitrageprocedure en van [R] kosten van rechtsbijstand. In totaal is moeder veroordeeld tot betaling aan [R] van € 1.138.564,48.
2.2
In deze procedure vorderen [JH c.s.] , samengevat en voor zover in cassatie van belang, vernietiging van het arbitrale tussenvonnis van 19 december 2019 en van het arbitrale eindvonnis van 12 juli 2021.
Aan hun vordering tot vernietiging van het arbitrale eindvonnis hebben [JH c.s.] onder meer ten grondslag gelegd dat de wijze waarop dit vonnis tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde (art. 1065 lid 1, onder e, Rv), onder meer omdat de arbiters Bitter en De Groot ten onrechte niet hebben willen wachten op het oordeel van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam met betrekking tot het verzoek van Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht en op 12 juli 2021 ‘snel’ vonnis hebben gewezen.
2.3
Het hof2.heeft het arbitrale eindvonnis vernietigd en de vordering tot vernietiging van het arbitrale tussenvonnis afgewezen.
Het hof heeft als volgt overwogen over de vordering tot vernietiging van het arbitrale eindvonnis:
“3.4.9. Het hof is met [JH c.s.] van oordeel dat, gezien de voorgaande feiten en omstandigheden, de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis in strijd met de openbare orde moet worden geacht en tot vernietiging van dat vonnis moet leiden. Daartoe wordt het volgende overwogen.
3.4.10.
Allereerst is onjuist de opmerking van mr. Ynzonides in zijn (…) mail, dat een vordering van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht een wettelijke grondslag mist. Die grondslag is er namelijk wel: artikel 1029 lid 2 Rv. Dit betekent dat het arbitrale eindvonnis is uitgesproken, terwijl het NAI en de overige arbiters ermee bekend waren i) dat mr. Van Engelen de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam eerder die dag had verzocht hem van zijn opdracht te ontheffen en ii) mr. Haarsma namens een van de betrokken partijen, [JH c.s.] , het NAI en de overige arbiters op grond daarvan had verzocht het arbitrale vonnis nog niet uit te spreken. Hierbij klemt dat de voorzieningenrechter in het kort geding vonnis van 9 juli 2021 uitdrukkelijk de mogelijkheid had opengelaten dat een door mr. Van Engelen zelf ingestelde vordering tot ontheffing van zijn opdracht succes zou kunnen hebben.
3.4.11.
[R] heeft nog wel aangevoerd dat niet vaststaat dat mr. Van Engelen daadwerkelijk het in zijn (…) genoemde mail aangekondigde kort geding is begonnen, maar dat maakt niet uit. Ook als mr. Van Engelen dat in feite (nog) niet had gedaan, heeft te gelden dat het NAI en de arbiters er – behoudens gebleken aanwijzingen voor het tegendeel – van uit hadden te gaan dat mr. Van Engelen de door hem genoemde kort geding procedure wèl was begonnen. Dat had hij hun immers meegedeeld. Desnoods hadden zij hiernaar navraag kunnen doen, maar dat is kennelijk niet gebeurd.
Overigens heeft het NAI in zijn hiervoor geciteerde mails ook niet betwist of betwijfeld dat mr. Van Engelen de door hem genoemde vordering in kort geding (daadwerkelijk) had ingesteld.
3.4.12.
Daargelaten de kwalificaties die aan dit handelen van NAI en/of de andere twee arbiters ten opzichte van mr. Van Engelen kunnen worden verbonden, is de gevolgde gang van zaken ten opzichte van [JH c.s.] , die zich van meet af aan achter de wens van mr. Van Engelen hebben geschaard van zijn taak als arbiter te worden ontheven, dermate onzorgvuldig dat – met inachtneming van de terughoudendheid die de rechter bij de beoordeling van een vordering als de onderhavige in acht moet nemen – de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis alleen al op deze grond als strijdig met de openbare orde moet worden aangemerkt en tot vernietiging van dat vonnis moet leiden. Het hof zal het arbitrale eindvonnis dan ook vernietigen.
3.4.13.
Alle andere door [JH c.s.] tegen het arbitrale eindvonnis aangevoerde vernietigingsgronden kunnen, gezien het voorgaande, onbesproken blijven.”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onder 2.1.1 klaagt het middel dat het hof (in rov. 3.4.10) ten onrechte heeft beslist dat art. 1029 lid 2 Rv de wettelijke grondslag biedt voor een beoordeling door de voorzieningenrechter van het verzoek van Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht. Een verzoek van een arbiter tot ontheffing van zijn opdracht kan op grond van art. 1029 lid 2 Rv slechts door de voorzieningenrechter worden beoordeeld bij gebreke van een door partijen aangewezen derde. In dit geval is de administrateur van het NAI aangewezen als derde in de zin van art. 1029 lid 2 Rv, zodat het verzoek tot ontheffing niet op de voet van die bepaling aan de voorzieningenrechter kon worden voorgelegd, aldus de klacht.
3.1.2
Deze klacht treft doel.
Art. 1029 lid 2 Rv moet aldus worden begrepen dat indien een arbiter wenst te worden ontheven van zijn opdracht, op een daartoe strekkend verzoek van de arbiter dient te worden beslist hetzij door de partijen hetzij door een derde die daartoe door de partijen is aangewezen, en dat een arbiter een verzoek tot ontheffing van zijn opdracht op de voet van art. 1029 lid 2 Rv slechts kan voorleggen aan de voorzieningenrechter indien de partijen met dat verzoek niet instemmen en niet een derde hebben aangewezen om op een dergelijk verzoek te beslissen.3.
In dit geval staat vast (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)) dat op de onderhavige arbitrale procedure het Arbitragereglement 2015 van het NAI van toepassing is en dat art. 17 lid 1 daarvan bepaalt dat een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, op eigen verzoek daarvan kan worden ontheven hetzij met instemming van de partijen hetzij door de administrateur van het NAI. De partijen hebben dus de administrateur van het NAI aangewezen als derde in de zin van art. 1029 lid 2 Rv.
Een en ander brengt mee dat – anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen – art. 1029 lid 2 Rv in dit geval geen grondslag bood voor een beoordeling door de voorzieningenrechter van een verzoek van Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht.
3.1.3
Het hof heeft (in rov. 3.4.12) geoordeeld dat de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis als strijdig met de openbare orde moet worden aangemerkt en tot vernietiging van dat vonnis moet leiden “alleen al op deze grond”. Met “deze grond” doelt het hof op het (in rov. 3.4.10 weergegeven) standpunt dat het NAI op 12 juli 2021 bij monde van zijn advocaat heeft ingenomen – erop neerkomend dat een aan de voorzieningenrechter voor te leggen verzoek van Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht een wettelijke grondslag mist – en op de daarop gevolgde gang van zaken die ertoe heeft geleid dat op diezelfde dag het arbitrale eindvonnis is uitgesproken. Dat standpunt van het NAI achtte het hof (blijkens rov. 3.4.10) onjuist. Uit hetgeen hiervoor in 3.1.2 is overwogen, volgt dat het oordeel van het hof over het standpunt van het NAI niet strookt met art. 1029 lid 2 Rv. Dat brengt mee dat het oordeel van het hof over de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis niet in stand kan blijven.
3.2
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
4.1
Hiervoor in 3.1.2-3.1.3 is gebleken dat het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht.
4.2
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 november 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 9 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑05‑2025
Gerechtshof Amsterdam 28 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3525.
Vgl. Kamerstukken II 1985/86, 18464, nr. 6, p. 14.
Conclusie 21‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Arbitrage. Procesrecht. Art. 1029 Rv. Art. 1057 Rv. Mogelijkheid om een verzoek tot ontheffing van opdracht als arbiter aan voorzieningenrechter voor te leggen, nu het Arbitragereglement van NAI voorziet in ontheffingsregeling? Kan in vernietigingsprocedure een beroep worden gedaan op schending van fundamentele beginselen door wrakingskamer van het NAI?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00656
Zitting 21 februari 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[eiser]
advocaat: M.W. Scheltema
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerster 2]
3. [verweerster 3]
4. [verweerster 4]
advocaat: R.R. Verkerk
1. Inleiding en samenvatting
In deze zaak hebben verweerders in cassatie (hierna: [verweerders] ) vernietiging gevorderd van een tussen hun overleden (groot)moeder en eiser in cassatie (hierna: [eiser] ) gewezen arbitraal tussen- en eindvonnis. Het hof heeft de vordering tot vernietiging van het arbitrale eindvonnis toegewezen.
Het hof is van oordeel dat het arbitrale eindvonnis in strijd met de openbare orde tot stand is gekomen (art. 1065 lid 1 sub e Rv), omdat eindvonnis is gewezen (ondertekend door twee van de drie arbiters) op de dag dat de derde arbiter had gemeld dat hij zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank had gewend met het verzoek hem van zijn opdracht te ontheffen. Het principale cassatiemiddel komt tegen dit oordeel op, onder meer omdat de administrateur van het Nederlands Arbitrage Instituut door partijen was aangewezen als derde in de zin van art. 1029 lid 2 Rv, zodat het ontheffingsverzoek niet aan de voorzieningenrechter kon worden voorgelegd. De administrateur had het ontheffingsverzoek ook al afgewezen. M.i. slaagt het principale cassatiemiddel.
[verweerders] bestrijden met het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel het oordeel van het hof dat de arbiters bij de totstandkoming van het arbitrale tussenvonnis geen fundamentele rechtsbeginselen hebben geschonden (art. 1065 lid 1 sub e Rv). De klachten hebben alle betrekking op de gang van zaken tijdens een van de vele wrakingsprocedures die gedurende de arbitrale procedure hebben plaatsgevonden. M.i. kunnen deze klachten niet slagen.
2. Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan rov. 2.3 en 3.1 van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2021,1.rov. 2.1 t/m 2.10 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 juli 20222.en rov. 2 en 3.4.2 t/m 3.4.8 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 december 2023.3.
2.1
Partijen zijn erfgenamen van wijlen [moeder] (hierna: moeder). Uit het huwelijk van moeder en wijlen [vader] (hierna: vader) zijn vier kinderen geboren: [verweerder 1] , [betrokkene 1] , [eiser] en [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is overleden op 13 januari 2021. [verweerster 3] en [verweerster 4] zijn de kinderen van [betrokkene 2] en zij zijn door plaatsvervulling erfgenamen van moeder.
2.2
Vader en [eiser] hebben in maatschapsverband vanaf 1 juni 1974 een landbouwbedrijf in [plaats] geëxploiteerd. Vader is in 2002 overleden. Moeder en [eiser] hebben de maatschap voortgezet tot 2017. In februari 2017 zijn de boerderij, het bedrijf en enkele percelen grond verkocht. Van de opbrengst is toen een bedrag van € 1.151.963,13 bij de notaris in een depot geplaatst.4.[eiser] heeft conservatoir beslag gelegd op de gelden in het depot.
2.3
Tussen moeder en [eiser] is een geschil ontstaan over de verdeling van de verkoopopbrengst. Het geschil tussen moeder en [eiser] is aan arbiters bij het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI) voorgelegd (zaaknummer NAI-4618). Op de arbitrale procedure is het Arbitragereglement 2015 van toepassing.5.Het Arbitragereglement 2015 luidt voor zover van belang als volgt:6.
“Artikel 17 – Ontheffing van opdracht
1 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan op eigen verzoek daarvan worden ontheven hetzij met instemming van de partijen hetzij door de administrateur.
2 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan door de partijen gezamenlijk van zijn opdracht worden ontheven. De partijen doen direct mededeling van de ontheffing aan de arbiter en aan de administrateur.
3 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan, indien hij rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn opdracht te vervullen, op verzoek van een der partijen door de administrateur van zijn opdracht worden ontheven.
4 Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan door de administrateur uit eigen beweging daarvan worden ontheven indien hij (i) rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn opdracht te vervullen, of (ii) zijn opdracht niet in overeenstemming met dit Reglement uitvoert.”
2.4
De arbitrageprocedure is op 1 december 2017 gestart. Tot arbiters zijn benoemd mr. H.J. de Groot (voorgedragen door [eiser] ), mr. A.H. van Engelen (voorgedragen door moeder) en mr. J.W. Bitter (door beide arbiters voorgedragen en tot voorzitter benoemd). Deze drie arbiters vormden het scheidsgerecht in het geschil tussen moeder en [eiser] .
2.5
Bij brief van 7 juni 2019 heeft mr. Haarsma namens moeder de leden van het scheidsgerecht (en zijn secretaris) gewraakt. Dit was toen het tweede wrakingsverzoek namens moeder.7.Dit wrakingsverzoek is behandeld door de wrakingskamer, bestaande uit de leden prof. mr. S.H.M.A. Dumoulin, mr. F.W.H. van den Emster en mr. E.J. van Sandick (voorzitter). De mondelinge behandeling van dit wrakingsverzoek heeft op 14 augustus 2019 plaatsgevonden.
2.6
Mr. Haarsma heeft namens moeder bij brief van 20 augustus 2019 de drie leden van de wrakingskamer gewraakt.
2.7
De schriftelijke beslissing van de wrakingskamer, gedateerd 14 augustus 2019, op het wrakingsverzoek van 7 juni 2019 is op of omstreeks 10 september 2019 op schrift gesteld, althans aan partijen verstrekt en houdt in:
“(…)De beoordeling
(…)
Uit de antwoorden op de haar gestelde vragen is gebleken dat verzoekster [moeder; A-G] onvoldoende beseft waar de arbitrage over gaat, dat namens haar de arbiters en de secretaris zijn gewraakt en wat een wraking eigenlijk betekent. De Kamer kan daarom niet vaststellen dat verzoekster echt haar wil gericht op het wraken van de arbiters en secretaris en op de gestelde gronden heeft gevormd en geuit. (…)
De beslissing
Het Comité dat beslist over verzoeken tot wraking als bedoeld in artikel 19 van het NAI reglement verstaat dat er geen sprake is van een wraking van de arbiters en de secretaris in de zin van genoemd artikel.
Deze beslissing is gegeven door (…) op 14 augustus 2019.”
2.8
Mr. W. Tonkens-Gerkema, voorzitter van het door het bestuur van het NAI aangestelde Comité dat beslist over verzoeken tot wraking bedoeld in art. 19 van het Arbitragereglement 2015 (hierna: het Comité), heeft bij brief van 6 november 2019 mr. Haarsma medegedeeld dat het wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen omdat op het (tweede) wrakingsverzoek al (op 14 augustus 2019 mondeling) was beslist.8.Tijdens de wrakingsprocedure was de arbitrageprocedure geschorst.
2.9
Bij arbitraal tussenvonnis van 12 december 2019 (SB-8) is de schorsing opgeheven en is de arbitrageprocedure voortgezet. Het scheidsgerecht heeft in het tussenvonnis de voorlopige oordelen gegeven dat moeder met [eiser] de maatschap heeft voortgezet die [eiser] met zijn vader had en dat een aantal percelen economische eigendom van de maatschap zijn. Het hof heeft partijen de gelegenheid gegeven (tegen)bewijs te leveren.9.Verder luidt overweging 1.8 van het arbitrale tussenvonnis als volgt:
“Bij beslissing van 14 augustus 2019 heeft de door de voorzitter van het in artikel 19 lid 5 van het Arbitragereglement genoemde Comité benoemde wrakingskamer (…) beslist dat het namens Moeder ingediende wrakingsverzoek van 7 juni 2019 niet als een door haar ingediend wrakingsverzoek kan gelden omdat niet gebleken was dat het ingediende wrakingsverzoek Moeders wil tot wraking weergaf.”
2.10
Moeder is op 28 december 2020 overleden. Omdat de zaak al in staat van wijzen was, heeft het scheidsgerecht [verweerders] niet als partij in de arbitrageprocedure toegelaten.
2.11
Naar aanleiding van een zevende wraking van de arbiters door mr. Haarsma namens [verweerders] heeft de wrakingskamer van het Comité van het NAI bij beslissing van 3 mei 2021 niet alleen het wrakingsverzoek afgewezen maar ook beslist dat de proceshouding van mr. Haarsma (het blijven indienen van wrakingen op evident onjuiste gronden) misbruik van recht oplevert. Op die grond heeft de wrakingskamer beslist dat latere wrakingsverzoeken van de zijde van [verweerders] niet meer in behandeling zullen worden genomen.10.
2.12
In een e-mail van 14 juni 2021 aan het NAI heeft mr. Van Engelen het volgende geschreven:
“Hierbij maak ik u kenbaar dat ondergetekende zichzelf terugtrekt als arbiter in de arbitragezaak NAI 4618.
De redenen zijn u genoegzaam bekend en zijn u al mondeling gedeeld.
1) Ondergetekende is mening dat niet naar de maatstaven welke in het maatschappelijk verkeer gelden een arbitraal vonnis wordt gebezigd;
2) Ondergetekende zich niet kan verenigen met het presenteren van feiten;
3) De rol welke de opvolgende wrakingscommissies daarin spelen dan wel hebben gespeeld;
4) De veelheid van verschillende procedures en incidenten zonder afdoende reflectie worden beoordeeld en leidend dreigend te zijn in het concipiëren van het vonnis.
Kortom redenen genoeg om mij per direct terug te trekken als arbiter in deze zaak.
Ondergetekende zal zijn opdrachtgever op de hoogte brengen van het feit dat ondergetekende zich niet langer in een positie acht om zijn taak uit te oefenen.”
2.13
Bij e-mail van 28 juni 2021 heeft mr. Haarsma het NAI (zo nodig) op grond van artikel 17 leden 3 en 4 van het Arbitragereglement verzocht mr. Van Engelen van zijn opdracht te ontheffen. Zij kondigde een kort geding aan, indien dit verzoek niet zou worden gehonoreerd.
2.14
Bij brief van 30 juni 2021 heeft het NAI mr. Haarsma geantwoord dat het verzoek wordt afgewezen en dat mr. Van Engelen niet wordt ontheven van zijn opdracht als arbiter in de onderhavige zaak.
2.15
Vervolgens heeft mr. Van Engelen in een e-mail van 2 juli 2021 het NAI verzocht hem te ontheffen als arbiter.11.
2.16
Daarop hebben [verweerders] het NAI in kort geding gedagvaard en gevorderd dat mr. Van Engelen zal worden ontheven als arbiter.
2.17
Bij brief van 5 juli 2021 heeft het NAI aan mr. Van Engelen meegedeeld dat de behandeling van zijn verzoek wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van het kort geding.
2.18
Bij vonnis van 9 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de vordering afgewezen. Ten overvloede overwoog de voorzieningenrechter als volgt:12.
“4.8. Bij de beoordeling in dit kort geding kan niet worden vooruitgelopen op de beslissing van de Administrateur [van het NAI; A-G] op het eigen ontheffingsverzoek van mr. Van Engelen, die in afwachting van dit vonnis is aangehouden. Denkbaar is dat de toets in dat kader, al dan niet nadat nadere toelichting is gegeven, anders uitvalt, nu uit de toelichting van mr. Van Engelen ter zitting opgemaakt zou kunnen worden dat hij zichzelf niet langer in staat acht om met de voor een arbiter vereiste onpartijdigheid te oordelen. Dat aspect viel echter uit de mail van 14 juni 2021 [zie hiervoor, 2.12; A-G] niet op te maken en die toelichting was niet beschikbaar toen de thans relevante beslissing werd genomen en kon daarin dus ook niet worden meegewogen.”
2.19
Diezelfde dag heeft het NAI mr. Van Engelen laten weten, onder verwijzing naar de uitkomst van het vonnis van de voorzieningenrechter, dat hij niet van zijn opdracht zal worden ontheven.
2.20
In een e-mail van 12 juli 2021, 9.05 uur aan mr. J.W. Bitter, met onder andere mr. H.J. de Groot, het NAI, mr. M. Ynzonides (advocaat van het NAI) en mr. Haarsma in de cc, heeft mr. Van Engelen laten weten dat hij zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft gewend met het verzoek hem (als arbiter) te willen ontheffen:13.
“Met teleurstelling heb ik kennis genomen van het feit dat je vonnis in stemming hebt gebracht. Ik heb mij hedenochtend gewend tot de Voorzieningenrechter in Rotterdam met het verzoek of zij mij nu wel wil ontheffen. Zodra ik uitsluitsel krijg van de Voorzieningenrechter zal ik jou berichten.”
2.21
Bij e-mail van 12 juli 2021, 10.26 uur, aan mr. Ynzonides en mr. J. van Nass (eveneens advocaat van het NAI), de arbiters en het NAI, heeft mr. Haarsma, onder verwijzing naar overweging 4.8 van het onder 2.18 genoemde vonnis in kort geding van 9 juli 2021 en de mail van mr. Van Engelen van 12 juli, 9.05 uur, het NAI verzocht en zo nodig gesommeerd om het oordeel van de voorzieningenrechter op het verzoek van mr. Van Engelen om te worden ontheven van zijn opdracht af te wachten. Mr. Haarsma heeft hieraan toegevoegd dat uit de e-mails van mr. Van Engelen blijkt dat de (andere) arbiters die dag vonnis willen wijzen en dat dit ‘indachtig het vorenstaande onbegrijpelijk en onbetamelijk is’.
2.22
Bij e-mail van 12 juli 2021 te 11.03 uur heeft het NAI mr. Haarsma geantwoord, met onder andere de arbiters in de cc, dat het verzoek eerst intern zal worden besproken en dat daarop uiterlijk om 14.00 uur die dag zal worden gereageerd. Daarnaast heeft mr. Ynzonides aan mr. Haarsma, met de arbiters en het NAI in de cc, bij e-mail van 12 juli 2021 te 11.31 uur onder meer het volgende bericht:
“Een verzoek van de heer Van Engelen aan de voorzieningenrechter mist een wettelijke grondslag, zodat die route voor hem niet openstaat. Tegen deze achtergrond ziet het NAI geen aanleiding om ergens op te wachten.”
2.23
Vervolgens is op diezelfde dag (12 juli 2021) het arbitraal eindvonnis gewezen.14.Mr. Van Engelen heeft het eindvonnis niet ondertekend. In par. 549 van het vonnis is vermeld dat mr. Van Engelen heeft geweigerd het vonnis te ondertekenen. In het eindvonnis is moeder veroordeeld om aan [eiser] € 867.095,98 te betalen uit het depot bij de notaris, met bijkomende veroordelingen, waaronder een veroordeling van moeder in de kosten van de arbitrageprocedure en van [eiser] kosten van rechtsbijstand. In totaal is moeder veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 1.138.564,48.
2.24
In een executiegeschil hebben [verweerders] in kort geding gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld de tenuitvoerlegging van het arbitraal eindvonnis te staken en tot opheffing van het (tot executoriaal verworden) beslag op de gelden bij de notaris, met bijkomende vorderingen. Bij vonnis van 9 september 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland deze vorderingen afgewezen.15.In het vonnis is onder meer het volgende overwogen (rov. 4.15):
“Verder kan niet worden gezegd dat het scheidsgerecht in strijd met de daarvoor geldende regels zou zijn samengesteld om de reden dat mr. Van Engelen zich zou hebben teruggetrokken. Mr. Van Engelen is in functie gebleven. Het NAI heeft immers volgens de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam op goede gronden besloten om mr. Van Engelen niet te ontheffen van de opdracht. Hij is dus deel blijven uitmaken van het scheidsgerecht en in zoverre is het scheidsgerecht niet onregelmatig samengesteld. Voor zover [eiser] c.s. stellen dat mr. Van Engelen materieel niet meer tot het scheidsgerecht behoorde omdat hij na 15 juni 2021 geen werkzaamheden meer heeft verricht en het vonnis feitelijk door slechts twee arbiters is gewezen, heeft [eiser] dit gemotiveerd betwist. [eiser] heeft erop gewezen dat het vonnis niet op zichzelf staat maar een uitwerking vormt van diverse eerdere beslissingen waarbij mr. Van Engelen betrokken is geweest. Ook blijkt uit een door [eiser] overgelegde mailwisseling van 11 en 12 juli 2021 tussen de arbiters dat de versie van het vonnis van 12 juli 2021 niet meer inhoudelijk is gewijzigd ten opzichte van het concept van 10 juni 2021 dat door mr. Van Engelen is meegelezen en waarvan hij gelet op de inhoud niet bereid was het te ondertekenen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat het scheidsgerecht onregelmatig is samengesteld en dat sprake zou zijn van een juridische misslag.”
2.25
Op 15 september 2021 heeft de notaris uit het depot € 1.021.681,88 aan [eiser] uitbetaald.
2.26
Bij spoedappeldagvaarding van 7 oktober 202116.hebben [verweerders] hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2021.
3.Procesverloop17.
3.1
Bij dagvaarding van 12 oktober 2021 hebben [verweerders] [eiser] gedagvaard voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en gevorderd, samengevat, dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het arbitraal tussenvonnis van 19 december 2019 en het arbitraal eindvonnis van 12 juli 2021 vernietigt;
- [eiser] veroordeelt het bedrag van € 1.021.681,88 dat de notaris op grond van het arbitraal eindvonnis aan hem heeft uitbetaald (dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag), vermeerderd met de aan [eiser] betaalde dwangsommen, als onverschuldigd aan [verweerders] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
- bepaalt dat de door [verweerders] verbeurde dwangsommen op nihil worden bepaald.
3.2
[verweerders] leggen aan hun vordering tot vernietiging van het arbitrale tussenvonnis ten grondslag dat de wijze waarop dat vonnis tot stand is gekomen in strijd is met de openbare orde (art. 1065 lid 1, aanhef en sub e, Rv). Zij voeren daartoe aan dat de arbiters fundamentele beginselen van procesrecht hebben geschonden, namelijk het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, om onder meer de navolgende, samengevat weergegeven redenen.
- De arbiters hebben het gemotiveerde verzoek van moeder om als getuige te worden gehoord, genegeerd.18.
- Mr. Haarsma mocht tijdens de mondelinge behandeling in de wrakingsprocedure op 14 augustus 2019 (zie hiervoor onder 2.5) niet haar pleitnota voordragen;19.
- In de wrakingsprocedure op 14 augustus 2019 is geen mondeling vonnis gewezen en ook daarna niet. De arbiters waren ter zitting aanwezig en zijn er kennelijk zelf ook van uitgegaan dat geen mondelinge uitspraak was gedaan. Zij hebben immers de schorsing van het arbitrale geding niet meteen na 14 augustus 2019, maar pas in het arbitrale tussenvonnis, dus op 12 december 2019, opgeheven. In het arbitrale tussenvonnis is ook niet vermeld dat op 14 augustus 2019 mondeling uitspraak is gedaan.
- In het arbitrale tussenvonnis is naar aanleiding van de namens moeder op 20 augustus 2019 gedane wraking van de leden van de wrakingskamer ten onrechte geoordeeld dat het Arbitragereglement een dergelijke wraking niet kent en dat die wraking niet kan leiden tot continuering van de schorsing van het arbitrale geding, omdat zodanige wraking niet leidt tot ontheffing van de gewraakte arbiters van hun opdracht.
- De arbiters hebben zich ten onrechte niet gedistantieerd van de brief van mr. W. Tonkens-Gerkema van 6 november 2019, waarin is vermeld dat op 14 augustus 2019 ter zitting mondeling uitspraak is gedaan in de wrakingsprocedure (zie hiervoor, onder 2.8).
3.3
Aan de vordering tot vernietiging van het arbitrale eindvonnis van 12 juli 2021 hebben [verweerders] ten grondslag gelegd, samengevat, dat:
- het scheidsgerecht in strijd met de daarvoor geldende regelen is samengesteld, omdat mr. Van Engelen zich op 14 juni 2021 heeft teruggetrokken en sindsdien feitelijk geen werkzaamheden als arbiter meer heeft verricht (art. 1065 lid 1 sub b Rv);
- het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, omdat het iets anders heeft toegewezen dan door [eiser] gevorderd (art. 1065 lid 1 sub c Rv);
- het vonnis niet in overeenstemming met het in art. 1057 Rv bepaalde is ondertekend, omdat mr. Van Engelen het arbitrale eindvonnis niet heeft ondertekend en niet is betrokken bij de oordeelsvorming die is uitgemond in het vonnis van 12 juli 2021 nu hij zijn taak op 14 juni 2021 heeft neergelegd (art. 1065 lid 1 sub d);
- het vonnis of de wijze waarop het vonnis tot stand is gekomen in strijd is met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub e Rv), onder meer omdat de arbiters mr. Bitter en mr. Groot ten onrechte niet hebben willen wachten op het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam met betrekking tot de vordering van hun collega-arbiter mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht, en op 12 juli 2021 'snel’ vonnis hebben gewezen.20.
3.4
In de dagvaarding hebben [verweerders] tevens verzocht om de tenuitvoerlegging van het arbitrale eindvonnis van 12 juli 2021 bij wijze van incident te schorsen.
3.5
Bij arrest van 9 november 2021 in het incident heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de door [verweerders] gevorderde schorsing van het arbitrale eindvonnis afgewezen, omdat [verweerders] bij toewijzing onvoldoende belang hebben zoals bedoeld in art. 3:303 BW, omdat na de betaling op 15 september 2021 de tenuitvoerlegging van het vonnis was voltooid.21.
3.6
Nadien heeft [eiser] een memorie van antwoord genomen en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [verweerders] , met veroordeling van [verweerders] in de werkelijke c.q. volledige proceskosten.
3.7
Bij brief van 9 mei 2022 heeft [eiser] c.s. verzocht de behandeling van de bodemzaak en de kortgedingzaak naar een ander hof te verwijzen. [eiser] heeft op dit verzoek gereageerd, waarop een reactie van [verweerders] is gevolgd.
3.8
Op 10 mei 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben [verweerders] in de vernietigingsprocedure de producties 30 t/m 37 en 29 in het geding gebracht. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het indienen van de producties 30 t/m 37 en de uitgebreide toelichting daarbij. Het hof heeft de producties wel toegelaten, maar de toelichting niet.22.
3.9
Bij arrest van 26 juli 2022 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de kortgedingzaak en de bodemzaak in de stand waarin deze zich bevonden verwezen naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling.
3.10
De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 juni 2023 het arrest in het incident van 9 november 2021 vernietigd, omdat het hof het arrest had gewezen zonder dat [verweerders] de gelegenheid hadden gehad in het incident van antwoord te dienen, en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het hof Amsterdam verwezen.23.
3.11
Op 13 september 2023 heeft in de kortgedingzaak en in de vernietigingsprocedure gelijktijdig een mondelinge behandeling plaatsgevonden voor het hof Amsterdam, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd. Partijen hebben het hof verzocht om ook op het schorsingsincident te beslissen.
3.12
[verweerders] heeft in de kortgedingzaak de producties 38 t/m 45 overgelegd en in beide zaken de producties 10 en 11. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de bij de producties 38 t/m 44 gegeven schriftelijke toelichting. Ter zitting is afgesproken dat het hof bij arrest op het bezwaar zal beslissen.
3.13
[eiser] heeft in beide zaken de producties 18 t/m 24 overgelegd.
3.14
Bij arrest van 28 november 2023 heeft het hof Amsterdam in de vernietigingsprocedure:
- in het incident tot schorsing de vordering van [verweerders] afgewezen;
- in de hoofdzaak het arbitrale eindvonnis van 12 juli 2021 vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerders] van een bedrag van € 1.021.681,88, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2021, alsmede tot betaling aan [verweerders] van door of namens hen uit hoofde van het vernietigde arbitrale eindvonnis aan [eiser] betaalde dwangsommen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van de dwangsommen en het arrest ten aanzien van deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de proceskosten tussen partijen gecompenseerd;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
In de kortgedingzaak heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen gecompenseerd.
3.15
Ten aanzien van de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.
3.16
Het hof verwerpt het verweer van [eiser] dat [verweerders] niet ontvankelijk zijn in hun vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis van 12 december 2019, omdat dit vonnis geen tussenvonnis zou zijn. Het arbitrale vonnis van 12 december 2019 is onmiskenbaar een tussenvonnis (rov. 3.3.3).
3.17
Het hof is van oordeel dat de vordering tot vernietiging van het arbitrale tussenvonnis moet worden afgewezen om de navolgende redenen.
- Anders dan [verweerders] aanvoeren is komen vast te staan dat ter zitting van de (uit leden van het Comité gevormde) wrakingskamer van 14 augustus 2019 mondeling uitspraak is gedaan en dat deze beslissing later op papier is gesteld (rov. 3.3.7).
- Een eventuele schending van het beginsel van hoor en wederhoor doordat mr. Haarsma tijdens de zitting van de wrakingskamer op 14 augustus 2019 onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om het standpunt van haar cliënte naar voren te brengen heeft niet door de arbiters, maar door de wrakingskamer plaatsgevonden (rov. 3.3.9).
- Het feit dat de arbiters bij de verdere behandeling van de zaak zijn uitgegaan van de afwijzende beslissing van de wrakingskamer op het wrakingsverzoek van moeder van 7 juni 2019 is begrijpelijk en te billijken en leidt ertoe dat niet kan worden geoordeeld dat het arbitrale tussenvonnis of de wijze waarop het tot stand is gekomen in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 1065 lid 1 aanhef en sub e Rv. Dit geldt zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan – wat het hof dus niet doet – dat de beslissing van de wrakingskamer pas later dan 14 augustus 2019 is genomen. Duidelijk is immers dat de beslissing van de wrakingskamer op het verzoek van moeder van 7 juni 2019 de arbiters in ieder geval ten tijde van het arbitrale tussenvonnis, op 12 december 2019, bekend was (rov. 3.3.10).
- De andere argumenten die [verweerders] naar voren hebben gebracht om het arbitrale tussenvonnis te laten vernietigen hebben alle betrekking op beslissingen van de arbiters die vóór dat vonnis wel of niet zijn genomen, maar betreffen geen in of bij dat vonnis genomen oordelen of beslissingen (rov. 3.3.11).
- Het hof komt tot de conclusie dat de stelling van [verweerders] dat de arbiters bij de totstandkoming van het arbitrale tussenvonnis fundamentele rechtsbeginselen hebben geschonden feitelijke grondslag mist, zodat deze stelling moet worden verworpen en de vordering tot vernietiging van het arbitrale tussenvonnis zal worden afgewezen. (rov. 3.3.12)
3.18
Het hof overweegt, samengevat, als volgt ten aanzien van de vordering tot vernietiging van het arbitrale eindvonnis.
3.19
Anders dan mr. Ynzonides opmerkte in zijn e-mail van 12 juli 2021 (zie hiervoor onder 2.22) is er wel een wettelijke grondslag voor een vordering van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht, namelijk artikel 1029 lid 2 Rv (rov. 3.4.10). Het hof overweegt dan als volgt:
“3.4.10 (…) Dit betekent dat het arbitrale eindvonnis is uitgesproken, terwijl het NAI en de overige arbiters ermee bekend waren i) dat mr. Van Engelen de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam eerder die dag had verzocht hem van zijn opdracht te ontheffen en ii) mr. Haarsma namens een van de betrokken partijen, [verweerders] , het NAI en de overige arbiters op grond daarvan had verzocht het arbitrale vonnis nog niet uit te spreken. Hierbij klemt dat de voorzieningenrechter in het kort geding vonnis van 9 juli 2021 uitdrukkelijk de mogelijkheid had opengelaten dat een door mr. Van Engelen zelf ingestelde vordering tot ontheffing van zijn opdracht succes zou kunnen hebben.”
3.20
Deze gang van zaken is volgens het hof ten opzichte van [verweerders] , die zich van meet af aan achter de wens van mr. Van Engelen hebben geschaard van zijn taak als arbiter te worden ontheven, dermate onzorgvuldig dat – met inachtneming van de terughoudendheid die de rechter bij de beoordeling van een vordering als de onderhavige in acht moet nemen – de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis alleen al op deze grond als strijdig met de openbare orde moet worden aangemerkt en tot vernietiging van het arbitrale eindvonnis moet leiden (rov. 3.4.12).
3.21
Het hof acht niet van belang of mr. Van Engelen daadwerkelijk het door hem aangekondigde kort geding is begonnen. Behoudens gebleken aanwijzingen voor het tegendeel hadden het NAI en de arbiters daarvan uit te gaan, nu hij hen dat had medegedeeld. Zij hebben hier geen navraag naar gedaan en het NAI heeft in hun e-mails niet betwijfeld of betwist dat mr. Van Engelen de vordering in kort geding daadwerkelijk had ingesteld (rov. 3.4.11).
3.22
Het hof heeft de andere door [verweerders] tegen het arbitrale eindvonnis aangevoerde vernietigingsgronden onbesproken gelaten (rov. 3.4.13).
3.23
[verweerders] hebben bij procesinleiding, ingekomen op 26 februari 2024, tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 28 november 2023. [eiser] heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd. [verweerders] hebben afgezien van dupliek.
4. Juridisch kader
4.1
Het principale cassatiemiddel omvat vijf onderdelen. De onderdelen 1 en 3 vallen uiteen in enkele subonderdelen. De eerste vier onderdelen zijn gericht tegen de beslissing van het hof dat het arbitrale eindvonnis op de voet van art. 1065 lid 1 onder e Rv moet worden vernietigd. Subonderdeel 5 bevat een klacht over de door het hof aan [eiser] opgelegde terugbetalingsverplichting.
4.2
De subonderdelen 1 t/m 4 stellen aan de orde in welke gevallen en op welke gronden een arbiter de voorzieningenrechter kan verzoeken om van zijn opdracht te worden ontheven. Ten behoeve van de beoordeling van deze klachten wordt hierna het juridisch kader besproken ten aanzien van de ontheffing van een arbiter van zijn opdracht. Daarbij wordt ook ingegaan op de mogelijkheid om op inhoudelijke gronden te worden ontheven, mede gelet op de mogelijkheid die art. 1057 lid 3 Rv biedt dat een minderheid van de arbiters een vonnis niet ondertekent. Mede met het oog op de eventuele procedure na cassatie wordt ook kort ingegaan op het beginsel van collegiale besluitvorming.
Ontheffing van arbiter; inleiding en gronden voor ontheffing
4.3
Art. 1029 Rv bevat een regeling voor ontheffing van een arbiter van zijn opdracht nadat hij die heeft aanvaard. De bepaling luidt als volgt:
Art. 1029 Rv
1. Een arbiter aanvaardt zijn opdracht schriftelijk. Een arbiter kan slechts van zijn opdracht worden ontheven in de gevallen, bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen.
2. Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan op eigen verzoek daarvan worden ontheven hetzij met instemming van de partijen, hetzij door een door de partijen aangewezen derde of, bij gebreke daarvan, door de voorzieningenrechter van de rechtbank.
3. Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan door de partijen gezamenlijk van zijn opdracht worden ontheven.
4. Een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, kan, indien hij rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn opdracht te vervullen, op verzoek van een der partijen van zijn opdracht worden ontheven door een door de partijen aangewezen derde of, bij gebreke daarvan, door de voorzieningenrechter van de rechtbank.
5. Een scheidsgerecht dat zijn opdracht heeft aanvaard kan, indien het, ondanks herhaalde aanmaning, zijn opdracht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, op onaanvaardbare trage wijze uitvoert, op verzoek van een der partijen van zijn opdracht worden ontheven door de door partijen aangewezen derde of, bij gebreke daarvan, door de voorzieningenrechter van de rechtbank.”
4.4
Art. 1029 Rv is ingevoerd bij wet van 2 juli 1986, in werking getreden op 1 december 1986, waarbij de wettelijke regeling van de arbitrage geheel is vernieuwd.24.Bij invoering van de Wet modernisering Arbitragerecht25.is de tweede zin aan het eerste lid toegevoegd, met de toelichting dat daarin is gecodificeerd wat rechtens reeds geldt.26.
4.5
In de tweede zin van het eerste lid van art. 1029 Rv komt tot uitdrukking dat art. 1029 Rv een ‘gesloten systeem van ontheffing’ bevat.27.Uitgangspunt is dat een arbiter zich niet zo maar kan terugtrekken, omdat dat niet strookt met de verplichting tot het beslechten van geschillen die de arbiter tegenover partijen op zich heeft genomen. Zie de memorie van toelichting:28.
“In het eerste lid wordt gecodificeerd, reeds geldt, namelijk dat een arbiter, nadat hij zijn opdracht heeft aanvaard, zich niet zo maar kan terugtrekken.”
4.6
Aanvankelijk bepaalde het wetsvoorstel voor art. 1029 Rv dat een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard, op eigen verzoek slechts om dringende redenen door de president van de rechtbank van zijn taak worden kan ontheven.29.Van den Berg wees toen op de bestaande praktijk, dat wanneer een arbiter te kennen geeft dat om hem moverende redenen hij niet langer als arbiter kan of wil optreden, de partijen gezamenlijk – of de secretaris of administrateur van het arbitrage-instituut met instemming van partijen – hem praktisch altijd van zijn taak ontheffen en in zijn vervanging voorzien. De voorgestelde redactie van art. 1029 zou volgens Van den Berg tot de interpretatie kunnen leiden, dat beëindiging op eigen verzoek van de arbiter door partijen niet meer mogelijk is. Ook wierp hij de vraag op of de beëindiging van de taak van een arbiter op eigen verzoek 'slechts om dringende redenen' niet te stringent is, en of de beoordeling van de redenen voor ontheffing niet geheel aan de president van de rechtbank zou kunnen worden overgelaten.30.De CDA en VVD-fractie sloten zich bij de bezwaren en voorstellen voor wijziging van Van den Berg aan.31.
4.7
Daarop is bij nota van wijziging de regeling van het voorgestelde art. 1029 Rv versoepeld door het schrappen van het vereiste van ‘dringende redenen’ en aangevuld met het tweede, derde en vierde lid, zoals deze leden thans in de wet luiden.32.
4.8
Ontheffing op verzoek van een van beide partijen, op de voet van art. 1029 lid 4 Rv, is alleen mogelijk indien de arbiter rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn opdracht te vervullen. Bij ‘rechtens niet in staat zijn’ kan gedacht worden aan het geval dat de arbiter onder curatele is gesteld. Bij ‘feitelijk niet in staat zijn’ kan gedacht worden aan ziekte. Met de in het vierde lid gekozen formulering is beoogd duidelijk onderscheid te maken met de gronden waarop een arbiter kan worden gewraakt, te weten gerechtvaardigde twijfel aan zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid (art. 1033 lid 1 Rv).33.
4.9
Art. 1029 lid 2 Rv bepaalt niet op welke gronden een arbiter zelf om ontheffing kan verzoeken. De arbiter kan echter niet zomaar opstappen, zo volgt uit het hiervoor (onder 4.5) genoemde uitgangspunt.34.In de parlementaire geschiedenis is vermeld dat de voorzieningenrechter (of de derde) een discretionaire bevoegdheid heeft ten aanzien van de beslissing om de arbiter van zijn opdracht te ontheffen en dat redenen die op zich subjectief wel gerechtvaardigd kunnen zijn, dat objectief gezien niet hoeven te zijn. Als voorbeelden van redenen voor ontheffing worden genoemd ernstige ziekte of een langdurig verblijf in het buitenland.35.Daaraan kan worden toegevoegd dat de Hoge Raad in het arrest Nordström/Nigoco heeft overwogen dat een reeds benoemde arbiter die het vermoeden heeft dat hij zou kunnen worden gewraakt, langs de weg van art. 1029 lid 2 Rv van zijn opdracht kan worden ontheven.36.In de literatuur worden als mogelijke gronden voor een verzoek tot ontheffing ook nog genoemd: belediging van een arbiter door een van de partijen, een fundamenteel verschil van inzicht tussen arbiters, dat de arbiter ervaart niet meer tegen zijn taak opgewassen te zijn en dat partijen geen depot storten.37.
4.10
Bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing kunnen ook andere feiten en omstandigheden worden meegewogen, waaronder de stand waarin de arbitrale procedure zich op dat moment bevindt, mede gelet op het belang van een effectief functionerende arbitrale rechtspleging.
4.11
Indien het scheidsgerecht uit meerdere arbiters bestaat en volgens de hoofdregel van art. 1057 lid 1 Rv bij meerderheid van stemmen beslist, ligt het niet voor de hand dat een inhoudelijk verschil van opvatting tussen de arbiters tot ontheffing kan leiden. Het is nu eenmaal het onontkoombare gevolg van het bij meerderheid nemen van een beslissing, dat de minderheid zich daarbij moet neerleggen. Het zich niet kunnen vinden in een meerderheidsbeslissing is m.i. dan ook in beginsel (wellicht kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin dit anders ligt) geen grond voor ontheffing van een arbiter uit zijn functie.
4.12
Dat eenstemmigheid van de arbiters niet is vereist (tenzij partijen anders overeengekomen zijn) blijkt ook uit art. 1057 lid 3 Rv. Deze bepaling biedt de mogelijkheid dat de minderheid van de arbiters het vonnis niet ondertekent:
Art. 1057 Rv
1. Het scheidsgerecht beslist, indien het uit meer arbiters bestaat, bij meerderheid van stemmen, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Indien het scheidsgerecht uit meer arbiters bestaat, kunnen procedurele zaken van ondergeschikt belang door de voorzitter worden beslist indien daartoe door de mede-arbiters bevoegdheid is verleend, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen.
2. Het vonnis wordt op schrift gesteld en door de arbiter of arbiters ondertekend.
3. Weigert een minderheid van de arbiters te ondertekenen, dan wordt daarvan door de andere arbiters in het door hen ondertekende vonnis melding gemaakt. Een overeenkomstige melding vindt plaats, indien een minderheid niet in staat is te ondertekenen en niet verwacht kan worden dat het beletsel daartoe binnen korte tijd zal zijn opgeheven.
(…)
4.13
Verder volgt uit art. 1057 lid 3 Rv dat de weigering van een minderheid van de arbiters om het vonnis te ondertekenen – gewoonlijk de arbiter die door de verliezende partij is benoemd, zo schrijft Van den Berg38.–, niet verhindert dat een rechtsgeldig vonnis tot stand komt. Wel moeten de overige arbiters in het vonnis melding maken van de weigering van een minderheid van de arbiters om te ondertekenen. Ook moeten de overige arbiters het vonnis zelf wel ondertekenen.39.Indien het vonnis niet overeenkomstig het in art. 1057 bepaalde is ondertekend, staat het bloot aan vernietiging (art. 1065 lid 1 sub d Rv).40.
4.14
Op te merken is nog dat vanwege de regel dat het scheidsgerecht bij meerderheid van stemmen beslist, ondertekening van het arbitrale vonnis niet betekent dat alle arbiters de daarin vervatte beslissing onderschrijven.41.
Bevoegdheid om op het verzoek te beslissen; geen hogere voorziening
4.15
Uit de wettekst en parlementaire geschiedenis van art. 1029 lid 2 Rv blijkt dat een arbiter die ontheven wil worden van zijn opdracht, daarvoor eerst instemming van beide partijen moet vragen. Stemmen zij niet in, dan kan de arbiter zijn verzoek richten tot een door partijen aangewezen derde. Alleen indien partijen geen derde hebben aangewezen, kan de arbiter de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken hem van zijn opdracht te ontheffen.42.In de wettekst blijkt dat uit de woorden ‘of, bij gebreke daarvan’.
4.16
In de memorie van antwoord is vermeld [mijn onderstrepingen]:43.
“Een arbiter die op eigen verzoek om hem moverende redenen (bijvoorbeeld ernstige ziekte of langdurig verblijf buitenlands) van zijn opdracht ontheven wil worden, kan ingevolge het voorgestelde nieuwe tweede lid ontheffing verkrijgen indien beide partijen daarmede instemmen. Wordt niet met het verzoek van de arbiter ingestemd, dan kan de arbiter zijn verzoek aan de president van de rechtbank voorleggen. De partijen kunnen bij overeenkomst de beoordeling van dit verzoek ook aan een derde (bijvoorbeeld arbitrage-instituut) overlaten.
In het voorstel van wet stond aangaande de ontheffing op eigen verzoek dat de president slechts «om dringende reden» de arbiter van zijn opdracht kon ontheffen. In het gewijzigde voorstel van wet (tweede lid van artikel 1029) is deze «dringende reden» weggelaten omdat in een bepaald geval een reden op zich subjectief wel gerechtvaardigd kan zijn, doch objectief nog niet als dringend behoeft te worden opgevat. Derhalve komt het ondergetekende geraden voor, te dezen een discretionaire bevoegdheid aan de president (of de derde) te laten.”
4.17
De woorden ‘overlaten aan’ in de laatste zin van de eerste alinea en ‘of de derde’ in de laatste zin van de tweede alinea duiden erop dat de bevoegdheid van de door partijen aangewezen derde om op een ontheffingsverzoek te beslissen, in de plaats komt van de bevoegdheid van de voorzieningenrechter. De toelichting biedt geen aanknopingspunten voor een rol van de voorzieningenrechter als beroepsinstantie nadat een door partijen aangewezen derde heeft beslist.
4.18
De mogelijkheid van een beroep op de voorzieningenrechter nadat een door partijen aangewezen derde op een ontheffingsverzoek heeft beslist, past ook niet bij art. 1070 Rv. Op grond van die bepaling staat tegen een beslissing van de voorzieningenrechter op een ontheffingsverzoek – wanneer partijen dus geen derde hebben aangewezen – geen voorziening open, omdat het een geval betreft waarin een spoedige beschikking is vereist, zo is vermeld in de parlementaire geschiedenis.44.
Remedies bij de overheidsrechter na een beslissing van een door partijen aangewezen derde?
4.19
In de hiervoor onder 2.16 en 2.18 genoemde procedure tussen [verweerders] en het NAI voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam rees de vraag of de voorzieningenrechter ook buitenart. 1029 Rv een controlerende taak heeft, indien een door partijen aangewezen derde een ontheffingsverzoek heeft afgewezen. Nadat het NAI het verzoek van [verweerders] tot ontheffing van mr. Van Engelen had afgewezen, vorderden [verweerders] bij de voorzieningenrechter primair ontheffing van mr. Van Engelen van zijn opdracht en subsidiair veroordeling van het NAI tot ontheffing van mr. Van Engelen van zijn opdracht. Het NAI voerde als verweer dat [verweerders] in hun vordering niet ontvankelijk zijn, omdat partijen in de arbitrage de administrateur van het NAI hadden aangewezen om over de ontheffing van een arbiter te beslissen, zodat er geen ruimte is voor een ontheffingsvordering bij de voorzieningenrechter (art. 1029 lid 4 Rv). Volgens het NAI zou alleen in een eventuele vernietigingsprocedure over de beslissing van de administrateur kunnen worden geklaagd.45.
4.20
De voorzieningenrechter heeft in het midden gelaten of [verweerders] in hun vordering niet-ontvankelijk moesten worden verklaard. Zij beoordeelde de vorderingen van [verweerders] inhoudelijk en wees ze af. De voorzieningenrechter overwoog dat partijen hebben gekozen voor arbitrage bij het NAI, en daarmee voor toepasselijkheid van het NAI Arbitragereglement. Ook als artikel 1029 Rv niet in de weg staat aan de vorderingen van [verweerders] , geldt als uitgangspunt dat het NAI een grote mate van vrijheid heeft om met in achtneming van het Arbitragereglement de procesorde te bepalen in de door haar gefaciliteerde arbitrages, ook waar het gaat om ontheffing van arbiters. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter is naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen plaats indien geoordeeld moet worden dat de administrateur niet in redelijkheid tot de betreffende beslissing heeft kunnen komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldeed de procedure voorafgaande aan de beslissing van de administrateur aan de daaraan te stellen eisen. Ook is het oordeel van het NAI dat niet voldaan is aan de vereisten voor ontheffing, niet onbegrijpelijk en is de beslissing om mr. Van Engelen niet te ontheffen niet een beslissing waartoe een redelijk handelend administrateur in de gegeven omstandigheden niet had kunnen komen.46.
4.21
Bitter47.schrijft naar aanleiding van deze uitspraak dat de gang naar de voorzieningenrechter zo goed als afgesloten is als de administrateur een uitspraak heeft gedaan op een verzoek tot ontheffing, tenzij blijkt dat de beslissing van de administrateur niet een beslissing is waartoe een redelijk handelend administrateur onder de gegeven omstandigheden had kunnen komen.48.
4.22
Meijer betwijfelt of voor ingrijpen door de voorzieningenrechter überhaupt wel ruimte bestaat, nu de wet toelaat dat partijen een derde aanwijzen en de voorzieningenrechter pas beslist bij gebreke van een aangewezen derde. Hij wijst daarbij ter vergelijking naar de ook aan art. 1070 Rv ten grondslag liggende gedachte (namelijk de bedoeling van de wetgever dat in de gevallen waarop die bepaling van toepassing is een spoedige beslissing vereist is 4.18).49.Volgens Meijer heeft het hof Amsterdam in het bestreden arrest in de voorliggende zaak over het hoofd gezien dat het toepasselijk arbitragereglement voorzag in ontheffing door een door partijen aangewezen derde.50.
4.23
M.i. laat de regeling van art. 1029 lid 2 Rv – en ook lid 4 van die bepaling –, in samenhang met art. 1070 Rv, niet toe dat een arbiter (of partij) bij de voorzieningenrechter (alsnog) ontheffing vordert van een arbiter van zijn opdracht of vernietiging van de beslissing van een door partijen aangewezen derde wanneer partijen een derde hebben aangewezen die op het ontheffingsverzoek beslist.
4.24
Hierbij is nog aan te tekenen dat art. 7:904 BW (vernietigbaarheid van een beslissing van een partij of van een derde indien die beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn), niet van toepassing is op de overeenkomst van arbitrage (art. 7:900 lid 4 BW). Aangenomen moet worden dat dit niet alleen geldt voor de overeenkomst van arbitrage zelf, maar ook voor andere aspecten die te maken hebben met de arbitrale procedure, zoals de aantasting van de beslissing van een derde die op grond van een vaststellingsovereenkomst is gegeven.51.
Afwijzing van een verzoek tot ontheffing
4.25
Wanneer het verzoek om een arbiter van zijn opdracht te ontheffen wordt afgewezen, heeft dat tot gevolg dat de arbiter in functie blijft. De (formele) samenstelling van het scheidsgerecht wijzigt dan niet.52.De arbiter dient in beginsel de beslissing van de door partijen aangewezen derde, of bij gebreke daarvan, van de voorzieningenrechter, te respecteren en mee te werken aan de verdere beslechting van het geschil.
4.26
De wet staat er niet aan in de weg dat een arbiter of partij opnieuw om ontheffing verzoekt en daarbij zijn gronden beter onderbouwt of zich op nieuwe feiten of omstandigheden beroept. Ook kunnen partijen alsnog gezamenlijk de arbiter ontheffen (art. 1029 lid 3 Rv).
4.27
Indien een arbiter niet van zijn opdracht is ontheven (door partijen, door een door partijen aangewezen derde, of, bij gebreke daarvan, door de voorzieningenrechter), zal hij moeten meewerken aan de totstandkoming van de arbitrale uitspraak. De arbiter is gebonden gebleven aan de overeenkomst van opdracht waarin hij tot arbiter is benoemd, en de daaruit voortvloeiende verplichtingen rusten nog steeds op hem. De hoofdverplichting die op grond van die overeenkomst op de arbiter rust, is geschiloplossing: de arbiter dient het aan hem voorgelegde geschil tot een oplossing brengen, door hetzij een minnelijke regeling te bevorderen, hetzij een arbitraal vonnis te wijzen.53.Daarbij biedt de wet, zoals vermeld onder 4.13, de mogelijkheid dat hij het vonnis niet ondertekent.
4.28
Een arbiter die zich aan de zaak onttrekt schiet tekort in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. M.i. is niet uit te sluiten dat de arbiter kan worden aangesproken voor de daardoor ontstane schade, er vanuit gaande dat door het handelen van de arbiter (de rechtsweigering) geen arbitrale uitspraak tot stand komt. Als er wél een arbitrale uitspraak is gewezen (door de overblijvende arbiters) maar die uitspraak later wordt vernietigd wegens een gebrek aan collegiale besluitvorming (zie hierna onder 4.33 e.v.), zou ik denken dat de rechtsweigerende arbiter mogelijk aansprakelijk kan zijn op grond van een toetsing aan de rechtsnormen uit de arresten Greenworld54.en Qnow. In Qnow overwoog de Hoge Raad het volgende:55.
“3.4.2 Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. In rov. 3.5 van het hiervoor in 3.4.1 genoemde Greenworld-arrest is erop gewezen dat overheidsrechtspraak en de in Boek 4 Rv geregelde arbitrage op diverse punten met elkaar overeenstemmen. In dat arrest is geoordeeld dat arbiters voor de nadelige gevolgen van een vernietigde beslissing slechts persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld indien zij met betrekking tot die beslissing opzettelijk of bewust roekeloos hebben gehandeld, dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.
(…)
3.5.2
Bij de beoordeling van het onderdeel wordt vooropgesteld dat de maatstaf of is gehandeld met ‘kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt’ (hierna ook: grof plichtsverzuim) uitgaat van een lichtere graad van verwijtbaarheid dan de maatstaf ‘opzet of bewuste roekeloosheid’, maar dat niettemin ook in eerstgenoemde maatstaf de nadruk erop ligt dat de betrokken arbiter een ernstig persoonlijk verwijt van zijn handelen of nalaten kan worden gemaakt, zij het dat die verwijtbaarheid in zekere mate is geobjectiveerd. Of een arbiter dit (geobjectiveerde) verwijt kan worden gemaakt, hangt af van de omstandigheden van het geval.”
4.29
Ik ga er dan vanuit dat het niet vervullen van de hoofdverplichting die op de arbiter rust (een minnelijke regeling bevorderen of een arbitraal vonnis wijzen), een gegrond verwijt kan opleveren dat de arbiter heeft gehandeld ‘met grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt’.
Het beginsel van collegiale besluitvorming
4.30
Hiervoor is al besproken dat een arbitraal vonnis ook rechtsgeldig kan zijn indien het niet door alle arbiters is ondertekend (zie onder 4.13-4.15). Uitgangspunt blijft echter wel dat het arbitrale vonnis het resultaat moet zijn van collegiale besluitvorming. Collegiale besluitvorming houdt in dat in principe alle arbiters aan de besluitvorming – waaronder zittingen en beraadslagingen – dienen deel te nemen, althans kunnen deelnemen en aan alle arbiters de mogelijkheid wordt geboden om hun stem uit te brengen.56.Dat een minderheid het inhoudelijk niet eens is met het arbitrale vonnis, betekent op zichzelf niet dat geen sprake is van collegiale besluitvorming.57.
4.31
Met het vereiste in art. 1057 lid 2 Rv dat het vonnis door de arbiter of arbiters wordt ondertekend, wordt in het geval het scheidsgerecht uit meer arbiters bestaat, vooral beoogd zoveel mogelijk te waarborgen dat zij ook daadwerkelijk collegiaal tot een beslissing komen.58.Het uitgangspunt van collegiale besluitvorming volgt ook uit de regel in art. 1057 lid 1 Rv, dat een scheidsgerecht dat uit meer arbiters bestaat bij meerderheid van stemmen beslist.59.Partijen kunnen anders overeenkomen (zie art. 1057 lid 1 Rv), maar daarbij is gedacht aan de afspraak dat unanimiteit is vereist of dat de stem van de voorzitter beslissend is als geen meerderheidsbeslissing kan worden bereikt.60.
4.32
4.33
De beoordeling of sprake is van een schending van het collegialiteitsbeginsel die meebrengt dat het arbitrale vonnis in strijd met de openbare orde is tot stand gekomen, is overwegend van feitelijke aard.62.Bij deze beoordeling kan onder meer van belang zijn of de arbiter in voldoende mate de gelegenheid heeft gekregen zijn mening naar voren brengen en mee te beslissen over alle voorliggende geschilpunten. Ook de eigen opstelling van de arbiter kan een rol spelen.63.
Schorsing en vervanging
4.34
Een arbiter die ingevolge art. 1029, tweede, derde of vierde lid Rv van zijn opdracht is ontheven, of die is overleden, wordt vervangen volgens de regels die van toepassing waren op de oorspronkelijke benoeming. Partijen kunnen een andere wijze van vervanging overeenkomen (art. 1030 lid 1 Rv). Ingeval van vervanging is het geding van rechtswege geschorst. Na de schorsing wordt het geding voortgezet in de stand waarin het zich bevindt. Ook ten aanzien van de schorsing en wijze van voortzetting van het geding kunnen partijen anders overeenkomen (art. 1030 lid 3 Rv). Zo bood art. 18 lid 2 van het NAI Arbitragereglement 2015 aan het scheidsgerecht de mogelijkheid om de zaak na vervanging geheel of gedeeltelijk opnieuw te behandelen indien het dat wenst.
4.35
Uit het eerste lid, in samenhang met het derde lid van art. 1030 Rv, volgt dat de schorsing begint op het moment dat een of meer arbiters zijn ontheven van hun opdracht, want dan pas is vervanging aan de orde.
4.36
Deze regeling wijkt af van de regeling voor schorsing in het geval van wraking.64.Op grond van art. 1035 lid 5 Rv kan het scheidsgerecht het arbitraal geding schorsen vanaf de dag van ontvangst van kennisgeving van het verzoek tot wraking. Het is hiertoe dus niet verplicht.65.
5. Bespreking van het principale cassatieberoep
5.1
Onderdeel 1 van het principale cassatieberoep is gericht tegen rov. 3.4.10.
5.2
Subonderdeel 1.1 klaagt ten eerste (onder 2.1.1) dat het oordeel van het hof in rov. 3.4.10, “dat art. 1029 lid 2 Rv de wettelijke grondslag biedt voor een beoordeling door de voorzieningenrechter van de vordering van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht”, rechtens onjuist is. Ingevolge art. 1029 lid 2 Rv kan een verzoek tot ontheffing slechts bij gebreke van een door partijen aangewezen derde door de voorzieningenrechter van de rechtbank worden beoordeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat (de administrateur van) het NAI in het op de arbitrageprocedure toepasselijke reglement als derde in de zin van art. 1029 lid 2 Rv is aangewezen. Ook mr. Van Engelen is daaraan gebonden. Indien het hof van oordeel is geweest dat mr. Van Engelen niet was gebonden aan de overeenkomst tussen partijen waarbij het NAI als derde was aangewezen, is dat uitgangspunt eveneens rechtens onjuist, zo vervolgt het subonderdeel.
5.3
Het subonderdeel slaagt. Hiervoor is uiteengezet dat art. 1029 lid 1 in samenhang met lid 2 Rv zo moet worden uitgelegd, dat wanneer een door partijen aangewezen derde over een eigen verzoek van een arbiter tot ontheffing van zijn opdracht heeft beslist, dit verzoek niet ook nog eens aan de voorzieningenrechter van de rechtbank kan worden voorgelegd (zie onder 4.16 e.v.). Art. 1029 lid 2 Rv biedt dus geen grondslag voor een verzoek tot ontheffing van mr. Van Engelen van zijn opdracht. Het oordeel van het hof in rov. 3.4.10 dat art. 1029 lid 2 Rv die grondslag wel biedt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
5.4
Over de gebondenheid van mr. Van Engelen aan het NAI Arbitragereglement overweegt het hof niets. Ik zie dan ook geen aanknopingspunten voor de gedachte dat het hof ervan is uitgegaan dat mr. Van Engelen niet gebonden is aan het NAI Arbitragereglement. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
5.5
Het hof heeft het in rov. 3.4.1 t/m 3.4.11 afwisselend over een vordering of over een verzoek van mr. Van Engelen, als het gaat over zijn mededeling in de e-mail van 12 juli 2021.66.Het hiervoor besproken subonderdeel 2.1.1 berust op de lezing dat het hof doelt op het (in de e-mail van 12 juli 2021 aangekondigde) verzoek van mr. Van Engelen aan de voorzieningenrechter om ontheven te worden van zijn opdracht. Voor het geval het oordeel van het hof toch zo moet worden begrepen dat het gaat om een (aangekondigde) vordering van mr. Van Engelen bij de voorzieningenrechter tot het buiten werking stellen van de afwijzende beslissing van het NAI op zijn verzoek tot ontheffing (althans: dat hij in redelijkheid niet gehouden kan worden aan die beslissing), wordt bij subonderdeel 1.2 betoogd dat het oordeel van het hof in rov. 3.4.10 evenzeer rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is (onder 2.1.2). Dit omdat art. 1029 Rv geen grondslag biedt voor een dergelijke vordering.
5.6
Deze klacht kan buiten bespreking blijven, omdat de lezing waarop het subonderdeel berust m.i. niet juist is. Aangenomen moet worden dat het hof in rov. 3.4.10 (en ook elders) doelt op een op art. 1029 lid 2 Rv gebaseerd verzoek van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht en niet op een vordering in kort geding van mr. Van Engelen strekkende tot het buiten werking stellen van de beslissing van het NAI. Dit laat zich als volgt onderbouwen.
5.7
Het hof refereert in rov. 3.4.10 aan een vordering/verzoek van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht en niet aan een vordering of verzoek tot aantasting, op welke wijze dan ook, van de beslissing van het NAI. Dat het gaat om het ontheffingsverzoek, sluit aan bij de weergave van het hof in rov. 3.4.6 van de inhoud van de e-mail van mr. Van Engelen van 12 juli 2021, namelijk dat mr. Van Engelen de geadresseerden van de mail heeft laten weten dat hij zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft gewend met het verzoek hem (als arbiter) te willen ontheffen (zie voor de inhoud van de e-mail hiervoor onder 2.20).
5.8
Ook in de stellingen van [verweerders] en de correspondentie van hun advocaat, mr. Haarsma, is steeds uitgegaan van een verzoek tot ontheffing van mr. Van Engelen als arbiter. Zo schrijft mr. Haarsma in haar brief respectievelijk e-mail van 12 juli 2021 aan onder meer het NAI (zie onder 2.21):
“Ik verzoek en zonodig sommeer het NAI en de Arbiters (…) om het oordeel van de Voorzieningenrechter op het verzoek gedaan door mr. Van Engelen op grond van artikel 1029 lid 2 Rv af te wachten (…).”
5.9
In lijn hiermee is in de dagvaarding in de vernietigingsprocedure het volgende vermeld:
41: “Mr. Van Engelen heeft zich na het gewezen vonnis voornoemd [het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2021 – A-G] gewend tot het NAI met een eigen verzoek om te worden ontheven. Dit verzoek is afgewezen zodat hij zich tot de Voorzieningenrechter van de RB Rotterdam voornoemd heeft gewend om te worden ontheven van zijn opdracht.
43. (…) Het verzoek van mr. Van Engelen is waarschijnlijk gestoeld op grond van artikel 1029 Rv en kent derhalve wel een wettelijke grondslag.”
5.10
Hoewel de advocaat van [eiser] , mr. Luinstra, er in de mondelinge behandeling bij het hof wel vanuit lijkt te gaan dat mr. Van Engelen had aangekondigd een vordering tegen het NAI in te stellen, heeft hij de stelling van moeder in randnr. 41 en 43 van de dagvaarding, dat het gaat om een verzoek tot ontheffing zoals bedoeld in art. 1029 Rv, niet betwist. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 september 2023 (p. 5-6 en midden p. 7) blijkt dat de voorzitter van het hof (‘Vz’), mr. Haarsma en mr. Luinstra het volgende hebben gezegd:
Vz: dan een vraag over het kort geding van mr. Van Engelen wilde voeren om te worden ontheven van zijn taken als arbiter. Is mr. van Engelen daadwerkelijk dat kort geding begonnen voordat het AEV [arbitraal eindvonnis – A-G] is gewezen?
(…)Mijn punt is dat om 12.14 het AEV is gewezen. Is het kort geding van mr. Van Engelen toen doorgezet?
Mr. Haarsma: ik ben niet bekend met een procedure die gevoerd is.
Mr. Luinstra: ik weet van de arbiters dat zij zelfs geen dagvaarding of iets dergelijks hebben ontvangen.
Vz: tegen wie was de procedure dan?
Mr. Luinstra: tegen het NAI.
Mr. Haarsma: nee. Mr. Van Engelen heeft een verzoek gedaan om zich te laten ontheffen. Dat verzoek wordt rechtstreeks aan de voorzieningenrechter gedaan. Zo heb ik het begrepen.
Vz: u weet niet of er een uitspraak is?
Mr. Haarsma: nee.
(…)
Vz: het NAI heeft de beslissing gegeven terwijl al duidelijk was dat er een verzoek van mr. Van Engelen tot ontheffing lag, is een van de argumenten van mr. Haarsma. Ik heb daarvan geen betwisting van uw kant gelezen. Ik wijs u op nr. 41 van de inleidende dagvaarding in de bodemzaak.
Mr. Luinstra: ik lees wat daar staat. Er staat in feite alleen wat er in die correspondentie is weergegeven. (…)
(...)
Mr. Luinstra: ik was er ook mee bekend maar niet dat het daadwerkelijk was gebeurd. Wie stelt moet bewijzen, dat is mijn punt.
(…)
Vz: Mr. Luinstra, vindt u ook – net als de administrateur van het NAI – dat een wettelijke grondslag ontbreekt om mr. Van Engelen van zijn functie te ontheffen?
Mr. Luinstra: daarin heb ik mij niet verdiept. (…)”
5.11
Tegen de achtergrond van het voorgaande moet er m.i. van worden uitgegaan dat het hof in rov. 3.4.10 doelt op het verzoek van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht in de zin van art. 1029 lid 2 Rv, en dat de term ‘vordering’ in de eerste en laatste zin van rov. 3.4.10 een verschrijving betreft. Hiermee mist subonderdeel 1.2 feitelijke grondslag.
5.12
Subonderdeel 1.3 (onder 2.1.3) is gericht tegen de beslissing van het hof in rov. 3.4.10, in samenhang met 3.4.9 en 3.4.12, dat het arbitrale eindvonnis vernietigd moet worden op de grond dat het tot stand is gekomen in strijd met de openbare orde, omdat het is uitgesproken terwijl het NAI en de overige arbiters ermee bekend waren (i) dat mr. Van Engelen de voorzieningenrechter eerder die dag had verzocht hem van zijn opdracht te ontheffen en (ii) mr. Haarsma namens een van de betrokken partijen het NAI en de overige arbiters op grond daarvan had verzocht het arbitrale vonnis nog niet uit te spreken en de voorzieningenrechter in het kort geding vonnis van 9 juli 2021 de mogelijkheid had opengelaten dat een door mr. Van Engelen zelf ingestelde vordering tot ontheffing van zijn opdracht succes zou kunnen hebben.
5.13
Het subonderdeel klaagt ten eerste dat als het hof in rov. 3.4.10 doelt op een vordering van mr. Van Engelen aangaande de door het NAI genomen beslissing om hem niet van zijn taak als arbiter te ontheffen, de beslissing onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat een dergelijke vordering een zeer geringe kans van slagen had.
5.14
Deze klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 3.4.10 niet doelt op de in de klacht bedoelde vordering.
5.15
Vervolgens bevat het subonderdeel een klacht die ervan uitgaat dat het hof in rov. 3.4.10-3.4.12 doelt op een ontheffingsverzoek van mr. Van Engelen (in de zin van art. 1029 Rv).67.De bestreden beslissing van het hof is bij die lezing onjuist of onbegrijpelijk, omdat, kort gezegd, i) dit verzoek geen wettelijke grondslag had waardoor er voor de arbiters geen reden bestond op een eventuele beslissing van de voorzieningenrechter te wachten, zeker niet nu het NAI al op het verzoek van mr. Van Engelen had beslist, ii) de overweging in het vonnis van 9 juli 2021 zag op een beslissing van het verzoek van mr. Van Engelen aan het NAI en niet op een beslissing van de voorzieningenrechter. Tevens voert het subonderdeel aan dat het hof miskent dat (de overige) arbiters (en het NAI) aan een eenzijdig verzoek van een partij in een arbitrage om een beslissing aan te houden voorbij kunnen gaan, zonder dat dit aanleiding kan zijn voor vernietiging van een arbitraal vonnis. Het arbitrale tribunaal heeft immers een door beide partijen gezamenlijk verstrekte opdracht en behoeft daarom in beginsel geen gevolg te geven aan eenzijdig door één partij aan hem verstrekte instructies.
5.16
Deze klacht slaagt. Zoals al uiteengezet, kon mr. Van Engelen de voorzieningenrechter niet om ontheffing verzoeken, omdat partijen een derde hadden aangewezen om op ontheffingsverzoeken te beslissen, die bovendien ook al een beslissing had genomen. De overweging in het vonnis van de voorzieningenrechter zag inderdaad op de beslissing van het NAI op het ontheffingsverzoek van mr. Van Engelen. Dat blijkt ook uit de overwegingen die het hof uit dat vonnis in rov. 3.4.5 heeft geciteerd. Het NAI heeft nadien het ontheffingsverzoek afgewezen. Juist is ook dat het scheidsgerecht (en het NAI) niet gehouden waren tot aanhouding van de beslissing op grond van het verzoek daartoe van één van beide partijen. In dit geval hoefde het scheidsgerecht de beslissing in ieder geval niet aan te houden op grond van de door het hof in rov. 3.4.10 als i) en ii) aangeduide omstandigheden.
5.17
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.4.11, waarin het hof overweegt dat voor zijn oordeel niet relevant is of mr. Van Engelen daadwerkelijk het in zijn mail van 12 juli, 9.05 uur, aangekondigde – in de woorden van het hof hier – ‘kort geding’ was begonnen. De eerste alinea van dit onderdeel bouwt voort op onderdeel 1. Het tweede deel van het onderdeel bestrijdt, kort gezegd, dat irrelevant was of mr. Van Engelen een verzoek of vordering aanhangig had gemaakt en betoogt dat het aan [verweerders] was om dit aannemelijk te maken.
5.18
Het onderdeel behoeft geen behandeling. Ervan uitgaande dat hof doelde op een op art. 1029 lid 2 Rv gestoeld ontheffingsverzoek, doet niet ter zake of dit daadwerkelijk was ingediend of niet, omdat de wet hiertoe niet de mogelijkheid biedt. Maar ook als het hof voor ogen heeft gestaan dat het ging om een vordering die tot strekking had dat mr. Van Engelen niet gehouden kon worden aan de negatieve beslissing van het NAI op zijn ontheffingsverzoek, houdt het oordeel van het hof geen stand. Een dergelijke vordering kan – en mag, gelet op art. 1029 jo. 1070 Rv – niet leiden tot het opleggen van een verplichting tot vervanging van een arbiter en kan dus ook niet leiden tot schorsing van het geding (op grond van art. 1030 Rv). Daarmee was er geen grond voor de arbiters om te wachten met het wijzen van het eindvonnis.
5.19
Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.4.12, waarin het hof oordeelt dat de gevolgde gang van zaken ten opzichte van [verweerders] dermate onzorgvuldig is, dat de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis alleen al op deze grond als strijdig met de openbare orde moet worden aangemerkt en moet worden vernietigd.
5.20
Subonderdeel 3.1 bevat in de tweede alinea de voortbouwende klacht dat het slagen van onderdeel 1 en 2 ook rov. 3.4.12 raakt. Deze klacht is gegrond. Het oordeel van het hof dat de door de arbiters gevolgde gang van zaken ten opzichte van [verweerders] dermate onzorgvuldig is, dat de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis alleen al op deze grond als strijdig met de openbare orde moet worden aangemerkt, houdt geen stand.
5.21
Het vervolg van subonderdeel 3.2 beroept zich er bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag op dat de achtergrond van het verzoek mr. Van Engelen om van zijn opdracht te worden ontheven, was dat hij het vonnis op inhoudelijke gronden niet wilde ondertekenen. Het subonderdeel klaagt dat de weigering om te ondertekenen vanwege inhoudelijke bezwaren niet in de weg stond aan het wijzen van het arbitrale eindvonnis, zo blijkt ook uit de regeling van art. 1057 lid 3 Rv. Het wel aannemen van een mogelijkheid om van de functie als arbiter te worden ontheven bij inhoudelijke bezwaren tegen het arbitrale vonnis zou de arbitrale rechtsgang ernstig en onnodig compliceren. Doordat bij ontheffing van een arbiter een andere arbiter moet worden benoemd kan de procedure onnodig en disproportioneel worden vertraagd, terwijl het zeer de vraag is of de uitkomst van de arbitrage daardoor, gelet op de beslissing van de niet ontheven arbiters, een andere zal worden.
5.22
Het hof heeft niet vastgesteld wat de redenen voor het ontheffingsverzoek van mr. Van Engelen waren. Uit de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen kan niet worden opgemaakt dat [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat mr. Van Engelen het ontheffingsverzoek (alleen) op inhoudelijke gronden heeft gedaan. Op de opgegeven vindplaatsen onderbouwt [eiser] dat mr. Van Engelen aan de besluitvorming heeft deelgenomen, zodat geen sprake is van onregelmatige samenstelling van het scheidsgerecht.68.Het subonderdeel mist dus (hypothetische) feitelijke grondslag en slaagt daarom niet. Ik verwijs ten overvloede nog naar wat ik hiervoor onder 4.11 heb opgemerkt over inhoudelijke redenen voor een verzoek tot ontheffing.
5.23
Subonderdeel 3.2 klaagt dat het in het licht van de ook door het hof in rov. 3.4.12 onderkende terughoudendheid die de rechter bij het beoordelen van een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis in acht moet nemen, niet zonder meer valt in te zien waarom de gevolgde gang van zaken jegens [verweerders] dermate onzorgvuldig was dat dat het arbitrale eindvonnis moet worden vernietigd. Het subonderdeel verwijst daarbij naar de voorgaande subonderdelen.
5.24
Rov. 3.4.12 bouwt voort op de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen 3.4.9 t/m 3.4.11. Het slagen van klachten gericht tegen die rechtsoverwegingen raakt ook rov. 3.4.12. Gelet daarop behoeft het subonderdeel geen behandeling meer. Ik merk wel op dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis vanwege mogelijke onregelmatigheden bij de beslissing van een derde op een verzoek tot ontheffing van een arbiter, niet snel tot vernietiging van het vonnis zou moeten leiden. Art. 1030 Rv verplicht immers niet tot schorsing van de procedure zo lang niet op het ontheffingsverzoek is beslist. Art. 1057 lid 3 biedt juist de mogelijkheid dat het vonnis alleen door de minderheid van de arbiters wordt ondertekend, onder de daar vermelde voorwaarden. Dat hangende een verzoek tot ontheffing niet geschorst hoeft te worden, zou anders kunnen zijn als het schorsingsverzoek is gedaan vooruitlopend op een mogelijk verzoek tot wraking. Maar ook dan is schorsing niet verplicht (zie ook hiervoor onder 4.34-4.36).
5.25
Onderdeel 4 bevat alleen een voortbouwende klacht.
5.26
Onderdeel 5 is gericht tegen de veroordeling door het hof van [eiser] tot betaling van € 1.021.681,88 aan [verweerders] Volgens het onderdeel is deze beslissing onjuist dan wel onbegrijpelijk en had het hof [eiser] moeten veroordelen tot het herinstellen van het depot bij de notaris en dus tot terugbetaling van het bedrag aan de notaris. Het onderdeel wijst ter onderbouwing, kort gezegd, naar de vordering van [verweerders] in de kort geding procedure over schorsing tot tenuitvoerlegging van het vonnis.
5.27
Het slagen van onderdeel 1 en onderdeel 3.1 raakt ook het dictum. In zoverre hebben [verweerders] geen belang bij behandeling van deze klacht. Verder valt niet in te zien waarom de vordering in het kort geding tot een ander dictum in de hoofdzaak zou moeten leiden. Het hof heeft het vonnis in kort geding waarin de voorzieningenrechter de vordering afwees, bekrachtigd. In rov. 3.5.2 overweegt het hof dat de vordering in de hoofdzaak strekkende tot terugbetaling aan [verweerders] niet is bestreden. Tegen die overweging richt het onderdeel geen klachten. Ook hierom slaagt het niet.
5.28
De slotsom is dat het principale cassatieberoep slaagt, waarmee het oordeel van het hof dat het arbitraal eindvonnis moet worden vernietigd wegens schending van de openbare orde bij de wijze van totstandkoming daarvan, niet in stand kan blijven.
6. Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
6.1
Het middel in het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat daarbij een rechtens te respecteren belang bestaat als bedoeld in art. 3:303 BW. Dat is volgens [verweerders] het geval als het principale middel slaagt.69.Dat lijkt mij op zich juist. Weliswaar is het incidentele cassatieberoep uitsluitend gericht tegen de beslissingen van het hof over mogelijke gebreken aan de wijze van totstandkoming van het arbitrale tussenvonnis en bevat dit arbitrale tussenvonnis alleen voorlopige oordelen. [verweerders] hebben echter de gronden waarop zij vernietiging van het arbitrale tussenvonnis vorderen, mede ten grondslag gelegd aan vernietiging van het arbitrale eindvonnis.70.Daarmee bestaat er belang bij de behandeling van het incidentele cassatieberoep.
6.2
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vordering tot vernietiging van het arbitrale tussenvonnis moet worden afgewezen. Het middel bestaat uit twee onderdelen die elk meerdere subonderdelen omvatten.
6.3
Onderdeel 1 bestrijdt de overwegingen van het hof dat is “komen vast te staan dat ter zitting van de wrakingskamer (…) van 14 augustus 2019 mondeling uitspraak is gedaan” (rov. 3.3.7), dat “deze beslissing, die dus dateert van die datum, later op papier is gesteld (rov. 3.3.7-3.3.8) en dat dit “overigens in het geval van een mondelinge uitspraak niet ongebruikelijk” is (rov. 3.3.7).
6.4
Subonderdeel 1.1 bevat geen afzonderlijke klacht.
6.5
De navolgende subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
6.6
Subonderdeel 1.2 klaagt dat onjuist, althans onbegrijpelijk, is dat het hof het bewijsaanbod van [verweerders] tot het horen van getuigen ten aanzien van de stelling dat ter zitting geen mondeling vonnis is gewezen, gepasseerd heeft. Het hof heeft zonder getuigen te horen geoordeeld dat wel een mondeling vonnis zou zijn gewezen. In rov. 3.6 heeft het hof overwogen dat partijen geen concrete feiten te bewijzen hebben aangeboden die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden kunnen leiden en dat het hun bewijsaanbiedingen daarom van de hand wijst. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat het hier zou gaan om feiten die niet relevant zijn. Het hof heeft immers zelf vastgesteld (in rov. 3.3.6) dat als gevolg van de vermeende mondelinge uitspraak geen mogelijkheid meer bestond de wrakingskamer te wraken, aldus het subonderdeel.71.
6.7
In voetnoot 31 wordt opgemerkt dat rov. 3.3.10 wel de suggestie bevat dat de beslissing van de wrakingskamer hoe dan ook “ten tijde van het arbitrale tussenvonnis” bekend was, maar daarmee is niet gezegd dat de feiten niet relevant zijn. Vermeld wordt dat deze overweging in latere middelonderdelen wordt bestreden.
6.8
Subonderdeel 1.3 richt zich tegen de laatste zin van rov. 3.3.7. Ik citeer ten behoeve van de beoordeling van het subonderdeel ook de een na laatste zin.
“Aldus is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat ter zitting van de wrakingskamer/het Comité van 14 augustus 2019 mondeling uitspraak is gedaan en dat deze beslissing, die dus dateert van die datum, later op papier is gesteld. Dit is overigens in het geval van een mondelinge uitspraak niet ongebruikelijk.”
6.9
Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het hof met de laatste zin kennelijk bedoelt dat een dergelijke gang van zaken rechtens aanvaardbaar is en dus geen grond op kan leveren voor de vernietiging van arbitrale vonnissen. Dat oordeel is volgens het subonderdeel rechtens onjuist, omdat de wet geen mogelijkheid kent tot het doen van mondelinge uitspraken in arbitrageprocedures, althans het doen van een mondelinge uitspraak is niet in alle gevallen toelaatbaar. Op grond van art. 1057 lid 2 Rv dient een arbitraal vonnis immers op schrift te worden gesteld en door de arbiters te worden ondertekend en vervolgens zo spoedig mogelijk aan partijen te worden toegezonden (art. 1058 lid 1, onder a, Rv). Het subonderdeel beschrijft dat in de literatuur wordt bepleit dat het wijzen van een mondelinge uitspraak niet mogelijk is, of alleen in uitzonderingsgevallen en/of onder voorwaarden, bijvoorbeeld dat sprake is van spoed en/of dat het vonnis binnen twee weken op schrift wordt gesteld.
6.10
Subonderdeel 1.4 klaagt dat het hof met de laatste zin van rov. 3.3.7 onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de handelwijze van de wrakingskamer ten aanzien van het mondeling vonnis wijzen niet kan leiden tot vernietiging van het arbitraal tussenvonnis. Het hof maakt niet duidelijk aan welke vereisten moest worden voldaan voor het wijzen van een mondelinge uitspraak en waarom daaraan in dit geval is voldaan. Dat is des te meer van belang nu het toepasselijke NAI Arbitragereglement 2015 niet voorziet in de mogelijkheid van mondelinge uitspraken, niet is vastgesteld dat sprake was van enige spoed en niet is toegelicht waarom het gerechtvaardigd zou zijn om de mondelinge uitspraak pas een maand later op schrift te stellen. Onvoldoende is dat het hof oordeelt in rov. 3.3.10: “Duidelijk is immers dat de beslissing van de wrakingskamer op het verzoek van moeder van 7 juni 2019 de arbiters in ieder geval ten tijde van het arbitrale tussenvonnis, op 12 december 2019 bekend was.”
6.11
Subonderdeel 1.5 klaagt dat voor zover het hof bedoeld zou hebben dat fundamentele gebreken ten aanzien van het wijzen van een (mondelinge) uitspraak door de wrakingskamer geen enkele relevantie zouden kunnen hebben gehad voor of invloed zouden kunnen hebben gehad op de totstandkoming van de nadien gewezen arbitrale vonnissen, dat oordeel onjuist is, althans dat het hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het subonderdeel verwijst op dit punt vooruit naar subonderdeel 2.2.
6.12
Onderdeel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 3.3.9, waarin het hof overweegt dat het niet kan uitsluiten dat mr. Haarsma tijdens de zitting van 14 augustus 2019 onvoldoende de gelegenheid heeft gehad het standpunt van haar cliënte naar voren te brengen en dat dit dan als een schending van het beginsel van hoor en wederhoor zou kunnen worden aangemerkt, maar dat deze (eventuele) schending alsdan niet door de arbiters maar door de wrakingskamer heeft plaatsgevonden.
6.13
Subonderdeel 2.1 bevat geen afzonderlijke klacht. Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de gebreken in de wrakingsprocedure niet tot vernietiging van het arbitrale tussenvonnis kunnen leiden. Volgens het subonderdeel kan en mag een schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor door een wrakingskamer in een vernietigingsprocedure aan de orde worden gesteld en kan die ook meebrengen dat een arbitraal vonnis moet worden vernietigd.72.Het subonderdeel wijst ter onderbouwing onder meer naar rechtspraak van de Hoge Raad over doorbreking van het rechtsmiddelenverbod dat geldt ten aanzien van de procedure voor wraking van de overheidsrechter in art. 39 lid 5 Rv.73.Van deze rechtspraak is de Hoge Raad teruggekomen nadat het incidentele cassatieberoep is ingesteld.74.
6.14
Subonderdeel 2.3 bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten te motiveren waarom de schending van het beginsel van hoor en wederhoor door de wrakingskamer in dit specifieke geval niet tot vernietiging zou kunnen of moeten leiden. De enkele overweging dat het scheidsgerecht redelijkerwijs mocht aannemen dat het wrakingsverzoek is afgewezen, is daartoe onvoldoende. Die enkele overweging is overigens ook onbegrijpelijk, omdat de wrakingskamer het verzoek niet eens inhoudelijk in behandeling heeft genomen en dus ook niet heeft afgewezen. Het subonderdeel vervolgt: “Het hof had minst genomen kunnen en moeten ingaan op de vraag of objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en of die ten onrechte niet is weggenomen omdat het wrakingsverzoek niet in behandeling is genomen. [verweerders] heeft immers bepleit dat het wrakingsverzoek succesvol had kunnen zijn, met als gevolg dat dit scheidsgerecht geen arbitrale vonnissen zou hebben gewezen. Het hof is ten onrechte niet ingegaan op die stelling.”
6.15
Deze subonderdelen hebben alle betrekking op de wijze waarop het Comité van het NAI de (tweede van de in totaal zeven, zie onder 2.5 en 2.11) wraking door [verweerders] van de arbiters heeft behandeld en of, en zo ja, wanneer en op welke wijze het Comité vonnis heeft gewezen op het wrakingsverzoek. Hiermee berusten alle subonderdelen – in navolging van de door [verweerders] aangevoerde gronden voor vernietiging van het arbitrale vonnis75.– op de rechtsopvatting dat schendingen van fundamentele beginselen in een wrakingsprocedure grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis kunnen vormen. Dat is echter niet zonder meer juist.
6.16
Een arbiter kan worden gewraakt indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid (art. 1033 lid 1 Rv). Als de gewraakte arbiter zich terugtrekt of als de wraking gegrond wordt bevonden, dan wordt de arbiter vervangen (art. 1035 lid 3 Rv). Terzijde merk ik op dat mr. Van Engelen in geen van de tegen hem gerichte wrakingen aanleiding heeft gezien om zich terug te trekken als arbiter.
6.17
6.18
Op grond van art. 1035 lid 7 Rv kunnen partijen bij overeenkomst ook regelen dat een verzoek tot wraking wordt behandeld door een onafhankelijke derde. Het NAI Arbitragereglement 2015 bevat in art. 19 een dergelijke regeling. Uit de nota naar aanleiding van het verslag volgt dat het niet mogelijk is om bij een afwijzende beslissing door die derde alsnog het wrakingsverzoek voor te leggen aan de voorzieningenrechter:76.
“Terecht constateren deze leden dat de mogelijkheid in artikel 1035, zevende lid, Rv om te voorzien in wraking door een onafhankelijke derde, is opgenomen om tegemoet te komen aan de wens om gebruik te kunnen maken van institutionele arbitrages die een eigen voorziening kennen voor de wraking van een arbiter, zoals bijvoorbeeld de ICC kent. Dit hoeft niet te betekenen dat doorgaans de weg naar de overheidsrechter wordt afgesneden. Alleen voor die arbitrages waarin de weg van wraking door een onafhankelijke derde openstaat, is bij wraking niet langer een rol voor de voorzieningenrechter weggelegd, zij het dat deze nog wel een controlerende rol vervult door de mogelijkheid van een latere vernietiging van het arbitrale vonnis wegens strijd met de openbare orde, bijvoorbeeld als de institutionele wrakingsprocedure niet de vereiste onafhankelijkheid bood.”
6.19
Anders dan in de nota naar aanleiding van het verslag is vermeld, is het niet de voorzieningenrechter die een controlerende rol vervult door de mogelijkheid van latere vernietiging van het vonnis, maar het gerechtshof (art. 1064a Rv). De passage uit de memorie van toelichting is ook in zoverre niet geheel juist, waar zij de suggestie wekt dat grond voor vernietiging van het arbitrale vonnis wegens strijd met de openbare orde is dat de institutionele wrakingsprocedure niet de vereiste onafhankelijkheid bood.
6.20
Na een afwijzende beslissing in de wrakingsprocedure kunnen, zo nodig, de gronden voor de wraking nogmaals worden voorgelegd aan de overheidsrechter in de vernietigingsprocedure. Grond voor vernietiging kan dan zijn dat een arbiter die het arbitrale vonnis heeft gewezen waarvan vernietiging wordt gevorderd, niet onpartijdig of onafhankelijk zou zijn geweest. Dit volgt uit het arrest Nordström/Nigoco:77.
“3.8 Nadat het arbitraal vonnis is gewezen, is wraking of verschoning niet meer mogelijk. In de dan ontstane situatie, waarin partijen de arbitrale procedure ten einde toe hebben gevoerd en arbiters hun opdracht hebben voltooid, moet, mede gelet op het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging, bij de beantwoording van de vraag of het arbitraal vonnis vernietigbaar is wegens strijd met de openbare orde een strengere maatstaf worden aangelegd dan wanneer het gaat om wraking of verschoning. Voor vernietiging van het vonnis wegens strijd met de openbare orde in verband met een beroep op het niet onpartijdig of onafhankelijk zijn van een arbiter is dan alleen plaats wanneer feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op grond waarvan moet worden aangenomen dat hetzij een arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig dan wel niet onafhankelijk was, hetzij omtrent diens toenmalige onpartijdigheid of onafhankelijkheid in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het, de overige omstandigheden van het geval mede in aanmerking genomen, onaanvaardbaar zou zijn van de partij die in de arbitrage in het ongelijk is gesteld, te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt.
Een partij kan in een zodanige vordering tot vernietiging slechts slagen, indien de door hem aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden hem gedurende de arbitrale procedure niet bekend zijn geweest en het hem niet valt toe te rekenen dat hij daarmee in dat stadium niet bekend was. Valt dit hem wel toe te rekenen of was hij daarmee reeds vóór het arbitraal vonnis bekend, dan heeft voor hem de weg van wraking van de betreffende arbiter opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.”
6.21
Hieruit volgt m.i. dat eventuele schendingen van fundamentele beginselen in de wrakingsprocedure, op zichzelf genomen niet aan de orde kunnen worden gesteld in de vernietigingsprocedure van het arbitrale (eind)vonnis. In de vernietigingsprocedure kunnen slechts de gronden voor wraking nog eens worden voorgelegd, in die zin dat kan worden aangevoerd dat hetzij een arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig dan wel niet onafhankelijk was, hetzij dat over diens toenmalige onpartijdigheid of onafhankelijkheid in ernstige mate twijfel mogelijk is. Met andere woorden: de toetsing van de arbitrale wrakingsprocedure gaat op in de toetsing van de arbitrale (eind)uitspraak. De arbitrale wrakingsprocedure wordt dus niet zelfstandig getoetst op eventuele schendingen van fundamentele beginselen. Vergelijk ook Van Haersolte-van Hof:78.
“Het lijkt gepast om in ieder geval in een dergelijk geval de overheidsrechter de ruimte te laten in het kader van een vernietigingsprocedure zich alsnog uit te spreken over de aanleiding tot wraking, ook al zal niet iedere grond voor wraking één op één als vernietigingsgrond gelden.”
6.22
Deze benadering sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de voorzieningen die, gelet op het rechtsmiddelenverbod in art. 39 lid 5 Rv, open staan nadat de voorzieningenrechter op een wrakingsverzoek van een overheidsrechter heeft beslist. In een arrest van 21 juni 2024 overwoog de Hoge Raad hierover het volgende (mijn onderstrepingen):79.
“Een partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, heeft de mogelijkheid in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter(s) geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in art. 6 EVRM. De grond waarop het verzoek tot wraking berustte, kan dus in hoger beroep of beroep in cassatie van een einduitspraak – of, met verlof, van een na de beslissing op het verzoek tot wraking gedane tussenuitspraak – aan de orde worden gesteld. Een rechtsmiddelenverbod staat daaraan niet in de weg. De verzoeker tot wraking heeft in zoverre geen belang bij een zelfstandig beroep tegen de beslissing op zijn verzoek. In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 39 lid 5 Rv is in dit verband opgemerkt dat de toetsing van de bezwaren met betrekking tot de rechterlijke onpartijdigheid opgaat in de toetsing van de bestreden uitspraak.
Hoewel in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 39 lid 5 Rv is gewezen op de mogelijkheid van doorbreking van het daarin opgenomen rechtsmiddelenverbod, kan daaruit niet worden afgeleid dat de mogelijkheid van een zelfstandig beroep van een beslissing op een verzoek tot wraking op een doorbrekingsgrond nodig of wenselijk is geacht. De verwijzing naar die mogelijkheid berust enkel op de hiervoor in 3.2 bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad. Ook art. 6 EVRM noodzaakt niet tot het handhaven van die mogelijkheid. De vraag of sprake is van een eerlijk proces moet immers worden beantwoord ten aanzien van de procedure als geheel. De mogelijkheid de onpartijdigheid van de rechter aan de orde te stellen in een beroep van de door die rechter gedane uitspraak volstaat daartoe. Daarbij dient te worden bedacht dat als zich in het vervolg van de procedure nieuwe omstandigheden voordoen waaruit (vrees voor) vooringenomenheid kan worden afgeleid, opnieuw een verzoek tot wraking kan worden ingediend. Gelet op een en ander ontneemt het rechtsmiddelenverbod de partij die het aangaat geen rechten.”
6.23
Uit deze overwegingen blijkt dat de grond voor wraking in hoger beroep of in beroep in cassatie aan de orde kan worden gesteld. De appel- of cassatierechter beoordeelt niet de eerdere beslissing van een wrakingskamer, maar of de aangevoerde grond voor wraking reden is om de rechterlijke onpartijdigheid in twijfel te trekken.
6.24
Het voorgaande betekent dat een eventuele schending van fundamentele beginselen in een arbitrale wrakingsprocedure op zichzelf niet kan leiden tot vernietiging van het arbitrale (eind)vonnis. Voor zover het incidentele cassatiemiddel van een andere rechtsopvatting uitgaat (die andere rechtsopvatting is mogelijk te lezen in onderdeel 1.5 en onderdeel 2.2), faalt het.
6.25
Hiermee bestaat er geen belang bij de subonderdelen van het incidentele cassatiemiddel. Al deze klachten zijn gericht tegen overwegingen waarin het hof bespreekt of sprake is geweest van een schending van fundamentele beginselen in de arbitrale wrakingsprocedure, en tot het oordeel komt dat dat niet het geval is.
6.26
Ten overvloede is over de klachten nog het volgende op te merken.
6.27
Op zichzelf voert [verweerders] terecht aan dat de wet niet de mogelijkheid biedt tot het wijzen van een mondeling arbitraal vonnis en dat het NAI Arbitragereglement 2015 ook niet in die mogelijkheid voorzag (onderdeel 1.3). Overigens voorziet het NAI Arbitragereglement 2024 wel in de mogelijkheid dat de wrakingskamer van het NAI tijdens of volgend op de mondelinge behandeling mondeling uitspraak doet.80.
6.28
De kern van het oordeel van het hof is echter dat “te begrijpen en te billijken is” dat de arbiters bij de verdere behandeling van de zaak zijn uitgegaan van een afwijzende beslissing van de wrakingskamer op het wrakingsverzoek van moeder van 7 juni 2019 (rov. 3.3.10). Omdat de arbiters daarvan redelijkerwijs konden uitgaan, konden zij verder gaan met de behandeling van de zaak en hebben zij (in deze context) geen fundamentele beginselen geschonden. Bovendien geldt het voorgaande óók als ervan moet worden uitgegaan dat de beslissing van de wrakingskamer pas later dan 14 augustus is genomen, zo overweegt het hof (rov. 3.3.10.).
6.29
Het oordeel van het hof dat “te begrijpen en te billijken is” dat de arbiters bij de verdere behandeling van de zaak zijn uitgegaan van een afwijzende beslissing van de wrakingskamer op het wrakingsverzoek van moeder van 7 juni 2019, wordt als zodanig niet bestreden in het middel.
6.30
Uitgaande van het genoemde oordeel van het hof, doet niet ter zake of wel of niet ter zitting mondeling uitspraak is gewezen (onderdeel 1.2), of kon worden gewezen door de wrakingskamer (onderdeel 1.3). Hierbij is nog op te merken dat de overweging dat het later op schrift stellen van een mondelinge uitspraak niet ongebruikelijk is, een overweging ten overvloede is. Ten slotte is ook niet van belang of het hof duidelijk heeft gemaakt aan welke vereisten moet worden voldaan voor het mondeling wijzen van vonnis door de wrakingskamer (onderdeel 1.4).
6.31
Ten slotte is nog het volgende op te merken. Voor zover de vordering tot vernietiging van het arbitrale eindvonnis81.er mede op berust dat de arbiters niet onpartijdig en onafhankelijk zijn geweest, vanwege wat zij in het arbitrale tussenvonnis hebben vermeld over de gang van zaken rond het wijzen van vonnis in de wrakingsprocedure en omdat ze geen afstand hebben genomen van de brief van de voorzitter van het Comité aan moeder van 6 november 2019, valt de volgende kanttekening te plaatsen. [verweerders] hebben in een afzonderlijke procedure, bij verzoekschrift van 7 mei 2021 om een voorlopig getuigenverhoor verzocht over de gang van zaken rondom het (niet) wijzen van mondeling vonnis, maar zij hebben naar aanleiding van de genoemde gang van zaken niet de arbiters gewraakt.82.[verweerders] waren dus al vóór het wijzen van het eindvonnis daadwerkelijk bekend met de gronden om de arbiters te wraken. Uit vaste rechtspraak volgt dat zij dan niet op deze grond vernietiging van het eindvonnis kunnen vorderen.83.
6.32
De slotsom is dat het incidentele cassatieberoep moet worden verworpen.
(Terug)verwijzing
6.33
Het slagen van het principale cassatieberoep leidt ertoe dat het arrest van het hof Amsterdam vernietigd moet worden.
6.34
De vraag is welk hof de zaak na verwijzing verder moet behandelen. De zaak is bij arrest van 26 juli 2022 door het hof Arnhem-Leeuwarden verwezen naar het hof Amsterdam, omdat een van de arbiters die zitting nam in de wrakingskamer van het NAI die op 14 augustus 2019 het wrakingsverzoek van 7 juni 2019 behandelde als lid van het landelijk ‘inloopteam’, ook geregeld zaken behandelde bij het hof Arnhem-Leeuwarden, terwijl hij ten tijde van het wijzen van het arrest senior raadsheer bij het hof Den Haag was. [verweerders] verzochten aanvankelijk om verwijzing naar het hof ’s-Hertogenbosch (zie rov. 3.1 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 26 juli 2022), maar hebben dit verzoek gewijzigd naar het hof Amsterdam. Partijen zouden zich in de Borgersbrief erover kunnen uitlaten naar welk hof de zaak moet worden verwezen.
7. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof Amsterdam van 28 november 2023 en tot verwijzing dan wel terugverwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑02‑2025
Rb. Noord-Nederland 9 september 2021, C/19/136616 / KG ZA 21-107, overgelegd als productie 8 bij de dagvaarding in de vernietigingsprocedure.
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7073, TVA 2022/92.
Hof Amsterdam 28 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3525, NJF 2024/258.
Anders dan is vermeld in het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden is niet de gehele opbrengst in depot geplaatst. Zie bijv. arbitraal eindvonnis, par. 196 (productie 1 bij dagvaarding) en dagvaarding, randnr. 27-28.
Arbitraal eindvonnis van 12 juli 2021, par. 6.
Het NAI Arbitragereglement 2024 bevat een nieuw derde lid waarin de gronden waarop een arbiter op eigen verzoek kan worden ontheven zijn beperkt tot het geval dat hij rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn of haar opdracht te vervullen.
Uitgaande van de als bijlage bij het arbitrale eindvonnis gevoegde beslissingen van de wrakingskamer van het Comité van het NAI en de voorzieningenrechter heeft mr. Haarsma namens moeder (later namens [verweerders] ) zeven keer hetzij één of meerdere arbiters, hetzij de wrakingskamer hetzij het Comité van het NAI gewraakt. De wrakingen zijn geen van allen gegrond bevonden. Bij deze zeven wrakingen is niet meegeteld de wraking kort na het wijzen van het eindvonnis, op 12 juli 2021 om 12.15 uur (productie 23 bij dagvaarding). De beslissingen op de wrakingen zijn gevoegd als bijlagen A tot en met I bij het arbitrale vonnis (prod. 1 bij dagvaarding). Enkele van deze beslissingen zijn door mr. Haarsma namens moeder (en later namens [verweerders] ) in kort geding bij de overheidsrechter – zonder succes – bestreden (zie bijlagen E en F).
Mede naar aanleiding van deze beslissing hebben [verweerders] de arbiters voor de voorzieningenrechter gewraakt. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen: Rb. Noord-Nederland (vzr.) 15 maart 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1148, ook als bijlage E bij het arbitraal eindvonnis gevoegd.
Productie 1 bij dagvaarding. Zie rov. 5.11-5.14, 6.18, 6.19, 7.1 en 8.
Zie bijlage I bij productie 1 bij dagvaarding. De beslissing van het Comité van het NAI van 3 mei 2021 had betrekking op het zesde wrakingsverzoek van 10 maart 2021. Deze beslissing is later gegeven dan de beslissing van 7 april 2021 op het zevende wrakingsverzoek van 25 maart 2021 (zie bijlage G bij productie 1 bij dagvaarding). In de beslissing van 3 mei 2021 wordt ‘de reeks van zeven wrakingen’ genoemd.
De e-mail van mr. Van Engelen aan het NAI is overgelegd als productie 12 bij MvA.
Rb. Rotterdam (vzr.) 9 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8130, TvA 2022/19.
De e-mail van mr. Van Engelen aan het NAI is overgelegd als productie 14 bij MvA.
Productie 1 bij dagvaarding. Het arbitrale eindvonnis omvat 75 pagina’s. Als honorarium voor de arbiters is een bedrag opgenomen van € 259.132,74 (incl. BTW), zie p. 70.
Productie 8 bij dagvaarding.
Productie 9 bij dagvaarding.
In het door [eiser] overgelegde procesdossier ontbreken de brief van de zijde van [eiser] van 4 mei 2022, de e-mail met bijlage van de zijde van [verweerders] van 4 mei 2022, de brief met bijlage van de zijde van [verweerders] van 9 mei 2022 met productie 29 bij dagvaarding, de brief met bijlage van [verweerders] van 9 mei 2022 met bijlagen, de brief van de zijde van [eiser] van 9 mei 2022, de reactie van de zijde van [verweerders] op de brief van [eiser] van 9 mei 2022 en de pleitnotities van [verweerders] van 10 mei 2022. In het door [verweerders] overgelegde dossier ontbreken de brief van de zijde van [verweerders] van 25 augustus 2023 met producties 10 en 11, de brief van de zijde van [verweerders] van 4 september 2023 met productie 45 en de ten behoeve van de mondelinge behandeling op 13 september 2023 door beide partijen overgelegde pleitnotities.
Dagvaarding in de vernietigingsprocedure, par. 49-53.
De weergave van deze en de navolgende omstandigheden is ontleend aan rov. 3.3.2 van het bestreden arrest.
Zie rov. 3.4.1 van het bestreden arrest. Daarin is overigens in de laatste zin vermeld dat de arbiters op ’12 juli 2019’ ‘snel’ vonnis hebben gewezen. Bedoeld zal zijn 12 juli 2021. Zie voor de overige gronden de dagvaarding in de vernietigingsprocedure onder 58 e.v.
Hof Arnhem-Leeuwarden 9 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10457, TVA 2022/16.
Zie proces-verbaal mondelinge behandeling 10 mei 2022, p. 3 en 8.
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:840, NJ 2024/286, m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2023/76, m.nt. redactie.
Wet van 2 juli 1986 tot hernieuwde vaststelling van de regelen omtrent de arbitrage in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Stb. 1986, 372.
Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht, Stb. 2014, 200.
Kamerstukken II 2012/13, 33 611, nr. 3 (MvT), p. 12-13. Ook is bij deze wetswijziging in het vierde lid de komma die voorheen tussen ‘is’ en ‘zijn’ stond geschrapt. In art. 1030 lid 1 Rv heeft een wijziging plaatsgevonden die verband houdt met de in art. 1029 lid 5 Rv geregelde mogelijkheid tot ontheffing van het scheidsgerecht.
Kamerstukken II 2012/13, 33 611, nr. 3 (MvT), p. 12 (bovenaan).
Kamerstukken II 2012/13, 33 611, nr. 3 (MvT), p. 12-13. Zie ook Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 15. Vgl. voorts F.D. von Hombracht-Brinkman, 'Taken en verantwoordelijkheden van arbitrage-instituten bezien in het licht van de driehoeksverhouding partijen - instituut - arbiters, TvA 1994, afl. 1, p. 13; M.W. Scheltema, 'Opdracht en geschil, past dat bij elkaar?', TvA 2011/15, par. 4; J.J. van Haersolte-van Hof, ‘Het scheidsgerecht’, TvA 2013/34, par. 4. Zie over de rechtsverhouding tussen partijen enerzijds en arbiters en het scheidsgerecht anderzijds ook H.J. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1029, aant. 1.3, 1.6, 3 en 4.
Kamerstukken II 1983/84, 18 646, nr. 2. Zie ook Kamerstukken II 1983/84, 18 464, nr. 3, p. 11, waar maar enkele zinnen aan de bepaling worden gewijd.
A.J. van den Berg, ‘Wetsontwerp Nieuwe Arbitragewet’, TvA 1984, afl. 6, p. 187.
Kamerstukken II 1984/85, 18 464, nr. 5 (Verslag), p. 8.
Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 13-14; Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 7 (NvW); Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 8 (Gewijzigd voorstel van wet).
Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 14.
Zie ook Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 15.
Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 14.
HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1266, NJ 1994/765, m.nt. H.J. Snijders (Nordström/Nigoco), rov. 3.8, tweede alinea.
M.W. Scheltema, 'Opdracht en geschil, past dat bij elkaar?', TvA 2011/15, par. 4; F.D. von Hombracht-Brinkman, 'Taken en verantwoordelijkheden van arbitrage-instituten bezien in het licht van de driehoeksverhouding partijen - instituut - arbiters, TvA 1994, afl. 1, p. 13.
A.J. van den Berg, ‘Wetsontwerp Nieuwe Arbitragewet’, TvA 1984, afl. 6, p. 200.
Zie nader o.a. Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/294.
Vgl. (naar oud recht) HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3799, NJ 2009/6, JBPr 2009/2, m.nt. H.W. Wiersma (Bursa/Güris), rov. 3.4.2.
H.J. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1057, aant. 3. Volgens Snijders is niet-ondertekening, afgezien van redelijkerwijze onverdedigbare, onrechtmatige vonnissen, ‘ongepast’ en ‘onbehoorlijk’. Zie in deze zin ook W. Nolen, Handleiding voor arbiters, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1957, p. 134 en 184, waarnaar ook Snijders verwijst.
Zie in deze zin ook: H.J. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1029, aant. 4; Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/172; G.J. Meijer, in: T&C Rv, art. 1029 Rv, aant. 2 en 3 (actueel t/m 1 oktober 2024); J.W. Bitter, in: Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 1029 Rv, aant. 2.3 (publicatiedatum 1 augustus 2023).
Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA), p. 14.
Zie Kamerstukken II 1983/84, 18 464, nr. 3 (MvT), p. 32: “Dit artikel bepaalt dat tegen de beschikkingen van de president geen voorziening openstaat. Het gaat in de eerste drie afdelingen steeds om gevallen waarin een spoedige beschikking vereist is.”
Rb. Rotterdam 9 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8130, rov. 3.3.1.
Rov. 4.2, 4.3, 4.7, 4.8.
Overigens is Bitter een van de arbiters in de voorliggende zaak.
G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage. Bezien in het licht van het bewijsvoorschrift van artikel 1021 Rv (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 13) (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2011, par. 5.5.
Vgl. ook Rb. Rotterdam (vzr.) 9 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8130, rov. 4.6.2.
F.D. von Hombracht-Brinkman, 'Taken en verantwoordelijkheden van arbitrage-instituten bezien in het licht van de driehoeksverhouding partijen - instituut - arbiters, TvA 1994/1, p. 10; idem B. van Zeist, 'Contracteren met arbiters', Contracteren 2014/4, par. 4.2.
HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7834, NJ 2011/131 m.nt. J.B.M. Vranken, JOR 2010/175 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, JBPR 2010/6 m.nt. Tjittes.
HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2215, NJ 2017/141 m.nt. J.B.M. Vranken, JOR 2016/324 m.nt. S.C.J.J. Kortmann.
Zie kort Kamerstukken II 2012/13, 33611, nr. 3, p. 30. Vgl. ook art. 7 Wet RO. Zie nader Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/307; G.J. Meijer, in: T&C Rv, art. 1057 Rv, aant. 2b (actueel t/m 1 oktober 2024); P.E. Ernste & G.J. Meijer, ‘Dissenting opininions in arbitrage: onwenselijk?’, in: P. Koerts & E.F. Verheul (red.), Toonaangevend, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 2.2; H.J. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1026 Rv, aant. 4 en art. 1057, aant. 1 (actueel t/m 1 mei 2018), die als voorbeeld van een zaak waarin het collegialiteitsbeginsel was geschonden noemt Tribunale Supremo Madrid 15 februari 2017, 102/2017.
HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3799, NJ 2009/6, JBPr 2009/2, m.nt. H.W. Wiersma (Bursa/Güris), rov. 3.4.2. Zie nader de concl. van A-G Wesseling-van Gent in deze zaak, ECLI:NL:PHR:2008:BF3799, onder 2.6 e.v.
Kamerstukken II 1983/84, 18 464, 3, p. 24. Zie in dit verband ook art. 1026 lid 1 Rv, waarin is bepaald dat een scheidsgerecht een oneven aantal arbiters heeft en 1026 lid 3 Rv, op grond waarvan de arbiters een aanvullende arbiter als voorzitter moeten benoemen indien partijen een even aantal arbiters zijn overeengekomen. Zie over de rol van de voorzitter, mede in rechtsvergelijkend perspectief: P.L.F. Ribbers, De bevoor(oor)deelde arbiter. Een onderzoek naar de verplichting tot arbitrale onafhankelijkheid en onpartijdigheid (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XXI), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 48.
Concl. A-G Bakels, ECLI:NL:PHR:2000:AA4947, voor HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4947, NJ 2000/508, m.nt. H.J. Snijders (Benetton/Eco Swiss China Time & Bulova), onder 3.10; H.J. Snijders in NJ 2000/508 (voornoemd), onder 3 en 5; H.J. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1057, aant. 1 (actueel t/m 1 mei 2018); P.E. Ernste & G.J. Meijer, ‘Dissenting opininions in arbitrage: onwenselijk?’, in: P. Koerts & E.F. Verheul (red.), Toonaangevend, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 2.2; In ’t Veldt-Meijer, annotatie bij: Hof ’s-Gravenhage 17 december 1998, TvA 1999/3, p. 110-111.
Vgl. Concl. A-G Bakels, ECLI:NL:PHR:2000:AA4947, voor HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4947, NJ 2000/508, m.nt. H.J. Snijders (Benetton/Eco Swiss China Time & Bulova), onder 3.11.
Concl. A-G Bakels, ECLI:NL:PHR:2000:AA4947, voor HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4947, NJ 2000/508, m.nt. H.J. Snijders (Benetton/Eco Swiss China Time & Bulova), onder 3.11.
Vgl. H.J. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1030, aant. 2 (actueel t/m 1 mei 2018), die schrijft dat de schorsing begint op het moment van ‘defungeren’.
Bij een verzoek tot wraking van de overheidsrechter is op grond van art. 37 lid 5 Rv schorsing wel verplicht. De bevoegdheid van het scheidsgerecht om al dan niet te schorsen, gaat echter niet zo ver dat het scheidsgerecht reeds een (al dan niet gedeeltelijk) eindvonnis kan wijzen vóórdat de voorzieningenrechter op het wrakingsverzoek heeft beslist, aldus de Hoge Raad. Een dergelijke handelwijze levert in beginsel grond op voor een gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het scheidsgerecht. Dat is slechts anders indien het wrakingsverzoek kennelijk met misbruik van bevoegdheid is ingediend en de belangen van de wederpartij door uitstel van de beslissing onaanvaardbaar geschaad zouden worden. Zie HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AV7405, NJ 2008/177 m.nt. H.J. Snijders en J. Legemaate, rov. 3.4.2.
Het hof spreekt in de eerste zin van rov. 3.4.10 over de ‘vordering van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht’. Het hof verwijst in die zin echter naar de email van mr. Ynzonides, geciteerd in rov. 3.4.7, waarin niet een ‘vordering’ maar een ‘verzoek’ wordt genoemd. In het midden van rov. 3.4.10 schrijft het hof dat mr. Van Engelen de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘had verzocht’ hem van zijn opdracht te ontheffen. In de laatste zin van rov. 3.4.10 gebruikt het hof dan weer de term ‘vordering’, verwijzend naar het kort geding vonnis van 9 juli 2021, waarin de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam besliste op de vordering van [verweerders] tegen het NAI tot ontheffing van mr. Van Engelen. Rov. 4.8 van dat vonnis ziet echter niet op een eventuele vordering van mr. Van Engelen, maar op ‘de beslissing van de Administrateur op het eigen ontheffingsverzoek van mr. Van Engelen, die in afwachting van dit vonnis is aangehouden.
Het subonderdeel noemt het verzoek als in rov. 3.4.4 bedoeld. Die overweging ziet op het ontheffingsverzoek van mr. Van Engelen aan het NAI van 2 juli 2021, welk verzoek het NAI op 9 juli 2021 heeft afgewezen. Ik neem daarom aan dat het subonderdeel niet doelt op dit verzoek aan het NAI, maar op een ontheffingsverzoek in de zin van art. 1029 Rv.
Zie met name memorie van antwoord, randnr. 66, 72 en 90. Het subonderdeel verwijst tevens naar memorie van antwoord randnr. 67, 68, 70, 71, 76, 90, 91, 100, pleitnota van de zijde van [eiser] van 13 september 2023, onder 21 en 22 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 september, p. 4.
Zie verweerschrift in cassatie, tevens inhoudende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, p. 2.
Dagvaarding vernietigingsprocedure, randnr. 63. Zie over de mogelijkheid van het vorderen van vernietiging van een tussenvonnis art. 1064a lid 3 Rv. Zie nader over de mogelijkheid tot vernietiging van (voorlopige) oordelen in een tussenvonnis bijv. ook G.J. Meijer, in: T&C Rv, art. 1049 aant. 1c en 2 en art. 1064a Rv, aant. 4a en e (actueel t/m 1-10-2024).
Bedoeld zal zijn dat mr. W. Tonkens-Gerkema dat heeft vastgesteld. Het hof geeft de inhoud van de brief van de voorzitter in rov. 3.3.6 weer.
Het subonderdeel verwijst op dit punt naar HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2495, NJ 2007/294 ([…] /Anova Food BV), rov. 3.5. Het subonderdeel verwijst tevens onder meer naar HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263, JBPR 2019/5, m.nt. G.C.C. Lewin, NLF 2019/0085, m.nt. Y. Geradts, VN 2019/4.28,2, over schending van het recht op hoor en wederhoor door een wrakingskamer. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat het cassatieberoep ontvankelijk is, omdat grond is voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 39 lid 5 Rv. Van deze rechtspraak is de Hoge Raad teruggekomen, zie daarover ook de laatste zin van alinea 6.13 in de hoofdtekst.
Het subonderdeel noemt HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986/242, m.nt. L. Wichers-Hoeth & W.H. Heemskerk en HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8701, NJ 1989/4, m.nt. W.H. Heemskerk.
HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918, AB 2024/322, m.nt. F. van Hal & A. Outhuijse, JBPR 2024/60, m.nt H.L. Wattel, VN 2024/33.8, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws, VGR 2024/43, p. 163, m.nt. L.J.W. Sip. Zie ook hierna, in de hoofdtekst, vanaf 6.22 e.v.
Zie met name randnr. 5, 55 van de dagvaarding in de vernietigingsprocedure en daarop voortbouwend randnr. 57.
Kamerstukken II 2013/14, 33 611, nr. 5 (NnavV), p. 12. Zie ook Rb. Rotterdam 28 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7456, TvA 2018/21. Snijders en Meijer merken wel op dat te betogen valt dat de gang naar de voorzieningenrechter is toegestaan indien de interne wrakingsregeling niet aan de vereiste waarborgen voor onafhankelijke beoordeling voldoet. Zie H.J. Snijders, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1035, aant. 3 (actueel t/m 1 mei 2018); G.J. Meijer, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 1035, aant. 2d (actueel t/m 01-10-2024). Vgl. ook Rb. Noord-Nederland (vzr.) 7 april 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1148, r.o. 4.4, 4.8, die zich onbevoegd verklaart om van de wrakingsverzoeken van [verweerders] kennis te nemen.
HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1266, NJ 1994/765, m.nt. H.J. Snijders (Nordström/Nigoco), rov. 3.8. Vgl. ook EHRM 20 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0520JUD000531211, JBPr 2022/48, m.nt. B.A. Boersma (Beg/Italië), rov. 125 e.v. Het EHRM hanteert een minder strenge maatstaf dan de Hoge Raad. Zie hierover B.A. Boersma in zijn annotatie bij het arrest van het EHRM. Zie eerder kritisch over de door de Hoge Raad in Nordström/Nigoco gehanteerde maatstaf, mede gelet op art. 6 EVRM o.m. Snijders, in zijn annotatie bij dat arrest (over de verhouding tot art. 6 EVRM in par. 7).
J.J. van Haersolte-van Hof, ‘Het scheidsgerecht’, TvA 2013/34, par. 5.
HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918, AB 2024/322, m.nt. F. van Hal & A. Outhuijse, JBPR 2024/60, m.nt. H.L. Wattel, VN 2024/33.8, VGR 2024/43, p. 163, m.nt. L.J.W. Sip. Voetnoten in de overwegingen van de Hoge Raad zijn niet overgenomen. Zie eerder ook bijv. HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4012, NJ 2009/562, m.nt. H.J. Snijders, rov .3.2.
Het NAI Arbitragereglement 2024, bepaalt in Appendix B, art. B3, lid 7: “Onverminderd enige bepaling van het toepasselijk dwingend arbitragerecht, kan de Wrakingskamer tijdens of volgend op de mondelinge behandeling mondeling uitspraak doen als een zodanig spoedeisend belang bestaat dat een volledige schriftelijke uitwerking van de beslissing niet kan worden afgewacht. De mondelinge uitspraak omvat de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing. Zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen twee weken na de mondelinge uitspraak wordt met inachtneming van het bepaalde in lid 6 een volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen gesteld. De schriftelijke uitwerking vermeldt de datum van de mondelinge uitspraak alsmede de datum van vaststelling van de schriftelijke uitwerking van die uitspraak.”
Zie randnr. 63 van de dagvaarding in de vernietigingsprocedure.
Het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is overgelegd als productie 32 bij akte van 10 mei 2022. Zie randnr. 15 van het verzoekschrift. Het verzoek is afgewezen.
HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1266, NJ 1994/765, m.nt. H.J. Snijders (Nordström/Nigoco), rov. 3.8, laatste alinea: “Een partij kan in een zodanige vordering tot vernietiging slechts slagen, indien de door hem aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden hem gedurende de arbitrale procedure niet bekend zijn geweest en het hem niet valt toe te rekenen dat hij daarmee in dat stadium niet bekend was. Valt dit hem wel toe te rekenen of was hij daarmee reeds vóór het arbitraal vonnis bekend, dan heeft voor hem de weg van wraking van de betreffende arbiter opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.” Zie ook bijv. G.J. Meijer, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1065 Rv, aant. 8 (actueel t/m 1 oktober 2024). Zie voorts EHRM 20 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0520JUD000531211, JBPr 2022/48, m.nt. B.A. Boersma (Beg/Italië), rov. 140-142. Boersma wijst er in zijn annotatie bij Beg/Italië (JBPr 2022/48) terecht op dat de ‘bekendheidstoets’ die de Hoge Raad geeft in het arrest uit 1994 strenger is dan het criterium van ‘daadwerkelijke wetenschap’ (‘effective knowledge’) dat het EHRM hanteert.
Beroepschrift 26‑02‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 2511 EK DEN HAAG |
Datum indiening: | 26 februari 2024 |
Uiterste verschijndatum verweerder: | 19 april 2024 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15a Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Partijen en advocaten
Eiser tot cassatie
Naam: | de heer [eiser] |
Woonplaats: | [woonplaats], gemeente [gemeente] |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. M.W. Scheltema die door eiser als zodanig wordt aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. Bezuidenhoutseweg 57 2594 AC DEN HAAG |
Verweerders in cassatie
Naam: |
|
Woonplaats: | [woonplaats], gemeente [gemeente] |
Naam: |
|
Woonplaats: | [woonplaats], gemeente [gemeente] |
Naam: |
|
Woonplaats: | [woonplaats] |
Naam: |
|
Woonplaats: | [woonplaats] |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. L.H. Haarsma |
Kantoor en kantooradres advocaat: |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gerechtshof Amsterdam |
Datum: | 28 november 2023 |
Zaaknummers: | 200.317.704/01 KG en 200.317.993/01 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 3.2, 3.4.1, 3.4.9–3.4.13, 3.5.2 en 4, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1. Inleiding
1.1
Het gaat in deze zaak om de voor het goede verloop van arbitrages principiële vraag of een arbiter zich kan onttrekken omdat hij het inhoudelijk niet eens is met een arbitraal (eind)vonnis en in het verlengde daarvan of de (overige) arbiters met het wijzen van het arbitrale eindvonnis hadden moeten wachten totdat de voorzieningenrechter op het door de andere arbiter gestelde verzoek tot ontheffing had beslist. Dit is relevant omdat het in arbitrages regelmatig voorkomt dat arbiters inhoudelijke verschillen van mening hebben over de inhoud van een arbitraal vonnis. Daarnaast is de uitkomst van deze procedure niet alleen van belang voor eiser in cassatie (hierna: [eiser]), maar door de gevolgen die het gerechtshof Amsterdam aan de gang van zaken heeft verbonden, ook voor het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI), die deze zaak administreerde conform het NAI arbitragereglement, en de (overige) arbiters die het eindvonnis hebben gewezen, nu allen meenden op een juiste wijze te handelen, mede gelet op het NAI arbitragereglement, alsmede de relevante bepalingen van de artikelen 1029 en 1057 Rv.
1.2
In dit geval heeft het hof Amsterdam het wijzen van een arbitraal eindvonnis, nadat een arbiter een verzoek had gedaan om van zijn functie als arbiter te worden ontheven, welk verzoek weliswaar door het NAI was afgewezen, maar waarover de voorzieningenrechter, nadat de betreffende arbiter had aangekondigd een verzoek aan de voorzieningenrechter te zullen doen om van zijn functie als arbiter te worden ontheven, nog niet had beslist, echter dermate onzorgvuldig geacht dat dit eindvonnis wegens strijd met de openbare orde op de voet van artikel 1065 lid 1 onder e Rv moet worden vernietigd.
1.3
In dit verband speelt in deze zaak de bijzonderheid dat het NAI door partijen in de arbitrage als derde als bedoeld in artikel 1029 Rv is aangewezen en reeds tweemaal een verzoek tot ontheffing van de functie als arbiter, eerst van één van partijen en later van de betreffende arbiter zelf, had beoordeeld en gemotiveerd had afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft verder een door verweerders in cassatie (hierna: [verweerders] c.s.) gevorderde voorlopige voorziening afgewezen tegen de afwijzing door het NAI van het door hen gedane verzoek tot ontheffing van de arbiter. Daarnaast is van belang dat de arbiters meerdere keren tevergeefs zijn gewraakt en de arbiter die om ontheffing heeft verzocht naar aanleiding van die wrakingsverzoeken geen aanleiding heeft gezien om zich te onttrekken. Deze wrakingsverzoeken werden gedaan in het kader van de pogingen van [verweerders] c.s. om het wijzen van het arbitrale eindvonnis met allerhande procedurele middelen te bemoeilijken na het voor hen ongunstige arbitrale tussenvonnis. In dat verband hebben zij niet alleen de arbiters meerdere keren gewraakt, maar ook allerhande procedures bij de rechter gevoerd over de wrakingen, de ontheffing van de betreffende arbiter en over de schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitrale eindvonnis.
1.4
Het cassatiemiddel komt op tegen de beslissing van het Hof dat het arbitrale eindvonnis op de voet van artikel 1065 lid 1 onder e Rv moet worden vernietigd. Daarnaast bevat het een klacht over de door het Hof aan [eiser] opgelegde terugbetalingsverplichting.
2. Cassatiemiddel
2.1. Geen bevoegdheid van de gewone rechter
2.1.1
De beslissing van het hof Amsterdam in rov. 3.4.10 dat artikel 1029 lid 2 Rv de wettelijke grondslag biedt voor een beoordeling door de voorzieningenrechter van de vordering van mr. Van Engelen tot ontheffing van zijn opdracht, is rechtens onjuist.
Indien het Hof heeft beslist, gelet op zijn overwegingen in rov. 3.4.4 en 3.4.10 van zijn arrest, dat een verzoek van mr. Van Engelen aan het NAI om van zijn opdracht te worden ontheven, waarop het NAI blijkens rov. 3.4.5 reeds negatief had beslist, ook of opnieuw door de voorzieningenrechter van de rechtbank kan worden beoordeeld in een verzoekschriftprocedure, heeft het miskend dat artikel 1029 lid 2 Rv daarvoor geen grondslag biedt. Dat artikel bepaalt immers dat een dergelijk ontheffingsverzoek indien partijen daarom niet gezamenlijk verzoeken, zoals in dit geval, slechts bij gebreke van een door partijen aangewezen derde door de voorzieningenrechter van de rechtbank kan worden beoordeeld. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het NAI in dit geval als een zojuist bedoelde derde is aangewezen,1. kon het verzoek tot ontheffing dus niet (opnieuw) op de voet van artikel 1029 lid 2 Rv door de voorzieningenrechter van de rechtbank worden beoordeeld.
‘Indien het Hof in rov. 3.4.10 tot uitgangspunt heeft genomen dat mr. Van Engelen niet was gebonden aan de overeenkomst tussen partijen waarin het NAI als derde is aangewezen en voor hem wel de mogelijkheid openstond om het verzoek tot ontheffing van zijn functie als arbiter aan de voorzieningenrechter te doen, is dat uitgangspunt eveneens rechtens onjuist. Ook mr. Van Engelen is immers als de arbiter gebonden aan de arbitrageovereenkomst tussen partijen en ook voor hem gold derhalve dat een derde was aangewezen in de zin van artikel 1029 lid 2 Rv.’2.
2.1.2
Indien het Hof in rov. 3.4.10 niet het oog heeft gehad op het door hem in rov. 3.4.4 bedoelde verzoek, maar gelet op de door hem in rov. 3.4.5 vastgestelde omstandigheid dat het NAI reeds negatief op het verzoek van mr. Van Engelen had beslist, het oog heeft gehad op een vordering in kort geding van mr. Van Engelen (tegen het NAI) aangaande de door het NAI genomen en door het Hof in rov. 3.4.5 genoemde beslissing om hem niet van zijn taak als arbiter te ontheffen, is die beslissing evenzeer rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Artikel 1029 lid 2 Rv biedt immers geen grondslag voor een dergelijke vordering.
‘Mogelijk is een op contractuele of onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen het NAI wel mogelijk, waarin de beslissing van het NAI als een bindend advies tussen mr. Van Engelen en het NAI kan worden beoordeeld en dus ter toetsing voorligt of het houden van mr. Van Engelen aan die beslissing van het NAI naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.3.
Overigens bestond in dit geval, naar hierna in de onderdelen 2.1.3 en 2.3.1 wordt uiteengezet, geen aanleiding om te veronderstellen dat een dergelijke vordering een gerede kans van slagen zou hebben gehad.’
De beslissing van het Hof is dan bovendien onbegrijpelijk omdat mr. Van Engelen, naar het Hof in rov. 3.4.6 heeft vastgesteld, enkel heeft aangekondigd een verzoek aan de voorzieningenrechter te zullen doen om hem van zijn functie als arbiter te ontheffen. Niet valt daarom in te zien waarom hij een vordering (in kort geding) als hiervoor bedoeld zou hebben aangekondigd. De zojuist bedoelde klacht vitiëert ook de beslissing van het Hof in rov. 3.4.1 en 3.4.7 voor zover het Hof daarin spreekt van een vordering van mr. Van Engelen om te worden ontheven van zijn opdracht en zijn overweging in rov. 3.4.11 dat de overige arbiters en het NAI er, behoudens gebleken aanwijzingen van het tegendeel, vanuit hadden te gaan dat mr. Van Engelen een kort geding procedure aanhangig had gemaakt (nu die procedure klaarblijkelijk met een vordering wordt ingeleid).
2.1.3
De beslissing van het hof Amsterdam in rov. 3.4.10 dat het arbitrale eindvonnis is uitgesproken terwijl (i) het NAI en de overige arbiters ermee bekend waren dat mr. Van Engelen de voorzieningenrechter had verzocht hem van zijn opdracht te ontheffen, (ii) mr. Haarsma namens één van de betrokken partijen het NAI en de overige arbiters had verzocht het arbitrale vonnis nog niet uit te spreken en (iii) de voorzieningenrechter de mogelijkheid had opengelaten dat een door mr. Van Engelen zelf ingestelde vordering tot ontheffing van zijn opdracht succes zou kunnen hebben, welke omstandigheden het Hof klaarblijkelijk gelet op rov. 3.4.9 en 3.4.12 ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing dat het arbitrale eindvonnis moet worden vernietigd, is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk.
Indien het Hof niet het oog heeft gehad op het door hem in rov. 3.4.4 bedoelde verzoek, maar gelet op de door hem in rov. 3.4.5 vastgestelde omstandigheid dat het NAI reeds negatief op het verzoek van mr. Van Engelen had beslist, het oog heeft gehad op de vordering van mr. Van Engelen aangaande de door het NAI genomen en door het Hof in rov. 3.4.5 genoemde beslissing om hem niet van zijn taak als arbiter te ontheffen,4. is zijn beslissing rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Naar hierna in onderdeel 2.3.1 wordt uiteengezet, had een dergelijke vordering, anders dan de voorzieningenrechter, naar het Hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt heeft genomen, in de overweging ten overvloede in het vonnis van 9 juli 2021 mogelijk achtte, geen of in ieder geval een zeer geringe kans van slagen. Bovendien zou daardoor enkel onnodige verdere vertraging in de arbitrale procedure optreden.5. Het lag daarom voor de (overige) arbiters niet voor de hand te wachten met het wijzen van het arbitrale eindvonnis en het NAI had hen daarvan, gelet op het vorenstaande, ook niet behoeven te weerhouden. In ieder geval valt gelet op het vorenstaande niet, althans niet zonder, meer in te zien waarom een dergelijke vordering bij de voorzieningenrechter in de omstandigheden van dit geval wel kans van slagen zou hebben gehad.
‘Het gaat dan, naar in onderdeel 2.1.1 is uiteengezet, om een op contractule of onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen het NAI, waarin de beslissing van het NAI als een bindend advies tussen mr. Van Engelen en het NAI kan worden beoordeeld en ter toetsing voorligt of het houden van mr. Van Engelen aan die beslissing van het NAI naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.6. Een dergelijke vordering zal door de voorzieningenrechter dus zeer beperkt worden getoetst omdat de bevoegdheid van het NAI in verband met het verzoek tot ontheffing discretionair is.7. Het NAI moet beoordelen of de door de arbiter aangevoerde reden zwaarwegend genoeg zijn, bij gebreke waarvan het verzoek wordt afgewezen. Uitgangspunt is immers dat een arbiter die zijn opdracht heeft aanvaard (en die niet met succes is gewraakt), zijn opdracht niet zomaar kan neerleggen en die dus ook niet door eenzijdige opzegging kan beëindigen. Dat strookt niet met de verplichting tot het beslechten van een geschil die hij of zij tegenover partijen op zich heeft genomen.’
Indien het Hof is uitgegaan van het verzoek als in rov. 3.4.4 bedoeld, heeft het Hof miskend dat, naar in onderdeel 2.1.1 is uiteengezet, en het NAI, blijkens rov. 3.4.7, mede aan mr. Van Engelen had uiteengezet, een verzoek van mr. Van Engelen aan de voorzieningenrechter om hem te ontheffen van zijn taak als arbiter geen wettelijke grondslag had en er daarom voor arbiters geen reden bestond om op een eventuele beslissing van de voorzieningenrechter te wachten, zeker niet nu het NAI, naar het Hof in rov. 3.4.5 heeft vastgesteld, reeds had beslist (op het door mr. Van Engelen gedane en door het Hof in rov. 3.4.4 bedoelde verzoek aan het NAI) dat hij niet van zijn taak zou worden ontheven. Integendeel, daardoor zou enkel onnodige verdere vertraging in de arbitrale procedure optreden, zeker gelet op alle procedurele perikelen die [verweerders] c.s. tot dan toe hadden opgeworpen.8. In aansluiting daarop was ook de door het Hof in rov. 3.4.5 aangehaalde overweging van de voorzieningenrechter niet relevant voor de (overige) arbiters en het NAI omdat die rechtens onjuist was indien die zo moet worden uitgelegd dat die zag op de kansrijkheid van een verzoek aan de voorzieningenrechter van mr. Van Engelen om van zijn functie als arbiter te worden ontheven. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft immers in dit geval geen (wettelijke) bevoegdheid om over een dergelijk verzoek te oordelen. De beslissing van het Hof is in dat geval bovendien onbegrijpelijk omdat de voorzieningenrechter in zijn door het Hof in rov. 3.4.5 aangehaalde overweging niet het oog had op een beslissing van de voorzieningenrechter op een door mr. Van Engelen ingediend verzoek om van zijn functie als arbiter te worden ontheven, maar op de beslissing op dit verzoek van het NAI. Naar het Hof in rov. 3.4.5 heeft vastgesteld, heeft het NAI het verzoek van mr. Van Engelen echter gemotiveerd afgewezen en dus beslist dat er geen reden bestond om hem van zijn functie als arbiter te ontheffen. Daarom bestond er voor arbiters eens te minder reden om te wachten met het wijzen van het arbitrale eindvonnis.
Het Hof heeft voorts miskend dat (de overige) arbiters (en het NAI) aan een eenzijdig verzoek van een partij in een arbitrage om de beslissing aan te houden, (rechtens) voorbij kunnen gaan zonder dat dit aanleiding kan zijn voor vernietiging van een arbitraal vonnis. Door het doen van een dergelijk eenzijdig verzoek ontstaat immers geen bevoegdheid voor de voorzieningenrechter op grond van artikel 1029 lid 2 Rv. Bovendien bestaat slechts wanneer beide partijen om een dergelijke aanhouding verzoeken, een grondslag voor (de overige) arbiters (en het NAI) daaraan in beginsel gehoor te geven, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid van arbiters om voor de voortvarende behandeling van de arbitrage zorg te dragen.9. Het arbitrale tribunaal (ieder van de arbiters) heeft immers een door beide partijen gezamenlijk verstrekte opdracht en behoeft daarom in beginsel geen gevolg te geven aan eenzijdig door één partij aan hem verstrekte instructies (voor zover die het arbitrale tribunaal zelf niet nuttig voorkomen) indien de wederpartij daar niet mee instemt. Indien zij daaraan wel gevolg zouden geven zou dat bovendien op gespannen voet staan met de onpartijdigheid van arbiters en de verplichting van arbiters op grond van de artikelen 1033 lid 1 en 1036 lid 2 Rv om partijen op voet van gelijkheid te behandelen.
2.2. Relevantie daadwerkelijk instellen verzoek of vordering bij voorzieningenrechter
2.2.1
Het Hof heeft in rov. 3.4.11 miskend dat het voor de (overige) arbiters en/of het NAI niet relevant was dan wel niet voor de hand lag om na te gaan of mr. Van Engelen daadwerkelijk een verzoek/een vordering bij de voorzieningenrechter van de rechtbank aanhangig had gemaakt. Gelet op het betoogde in de onderdelen 2.1.1–2.1.3, had die beslissing van de voorzieningenrechter immers (rechtens) niet tot een andere uitkomst kunnen leiden (omdat deze geen bevoegdheid toekwam het verzoek tot ontheffing van mr. Van Engelen te beoordelen), althans zou de kans zeer gering zijn geweest dat de in de onderdelen 2.1.2 en 2.1.3 bedoelde op een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen het NAI zou zijn toegewezen gelet op hetgeen in de onderdelen 2.1.3 en 2.3.1 is en wordt betoogd. Of een dergelijke procedure al dan niet aanhangig was gemaakt, was voor het wijzen van het arbitrale eindvonnis dan ook niet, of in ieder geval in zeer beperkte mate, relevant. Naar verder in onderdeel 2.1.2 is betoogd, heeft het Hof niet, of althans op onbegrijpelijke wijze, vastgesteld dat mr. Van Engelen heeft aangekondigd de zojuist bedoelde op onrechtmatige daad of toerekenbare tekortkoming gebaseerde vordering in te zullen stellen. In aansluiting daarop valt niet in te zien waarom de (overige) arbiters, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, tot uitgangspunt hadden moeten nemen dat een dergelijke vordering zou zijn ingesteld.
Bovendien heeft het Hof miskend dat de (overige) arbiters alleen met het wijzen van het arbitrale eindvonnis hadden moeten wachten op een beslissing van de voorzieningenrechter (althans het NAI hen mogelijk had moeten proberen te weerhouden van het wijzen van het arbitrale eindvonnis op 12 juli 2021) indien Van Engelen het in de onderdelen 2.1.1–2.1.3 bedoelde verzoek of de in die onderdelen bedoelde op een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen het NAI daadwerkelijk bij de voorzieningenrechter had gedaan of aanhangig had gemaakt. In de procedure is echter niet komen vast te staan dat mr. Van Engelen dat heeft gedaan.10. Zolang dat niet het geval was, lag het al helemaal niet in de rede te wachten met het wijzen van het arbitrale eindvonnis. Althans heeft het Hof miskend dat het op de weg lag van [verweerders] c.s. om aannemelijk te maken dat deze het hiervoor bedoelde verzoek of de vordering ook daadwerkelijk bij de voorzieningenrechter aanhangig was gemaakt.11. Anders dan het Hof heeft overwogen, is daarom ook niet relevant dat het NAI niet heeft betwist of betwijfeld dat mr. Van Engelen het genoemde verzoek of de genoemde vordering (daadwerkelijk) had ingesteld. Het lag immers op de weg van [verweerders] c.s. om dat aannemelijk te maken. Bovendien is in deze procedure tussen [eiser] en [verweerders] c.s. niet de betwisting door het NAI relevant, maar de eventuele betwisting door [eiser]. Het Hof heeft daaromtrent echter niets vastgesteld.
2.3. Geen strijd met de openbare orde
2.3.1
De beslissing van het hof Amsterdam in rov. 3.4.12 dat de gevolgde gang van zaken ten opzichte van [verweerders] c.s., die zich van meet af aan achter mr. Van Engelen hebben geschaard om van zijn taak als arbiter te worden ontheven, dermate onzorgvuldig is dat de wijze van totstandkoming van het arbitrale eindvonnis alleen al op deze grond als strijdig met de openbare orde moet worden aangemerkt en moet worden vernietigd, is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk.
De onderdelen 2.1.1–2.2.1 vitiëren bij gegrondbevinding ook de beslissing van het Hof in rov. 3.4.12, omdat het niet afwachten door de overige arbiters van de beslissing van de voorzieningenrechter op het verzoek van mr. Van Engelen om van zijn functie als arbiter te worden ontheven (en het niet weerhouden van de overige arbiters van het wijzen van het arbitrale eindvonnis door het NAI) rechtens niet noodzakelijk was nu de voorzieningenrechter geen bevoegdheid had om over dat verzoek te oordelen en het NAI daarop reeds in afwijzende zin had beslist, terwijl een tegen die beslissing van het NAI gerichte vordering bij de voorzieningenrechter (die blijkens rov. 3.4.6 ook niet was aangekondigd omdat mr. Van Engelen blijkens die overweging in zijn email alleen sprak van een verzoek om hem als arbiter te willen ontheffen) een geringe kans van slagen zou hebben gehad.
De beslissing van het Hof is ook overigens rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het Hof heeft miskend dat de achtergrond van het verzoek van mr. Van Engelen om van zijn functie als arbiter te worden ontheven de facto was dat hij het vonnis op inhoudelijke gronden niet wilde ondertekenen. Dat volgt uit de overweging van de rechtbank Noord-Nederland in het vonnis van 9 september 2021 in de procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis, waarin de voorzieningenrechter in rov. 4.15 heeft overwogen dat mr. Van Engelen gelet op de inhoud van het (concept) arbitrale eindvonnis niet bereid was om dit te ondertekenen.12. Ook uit de door het hof in rov. 3.4.2 genoemde email van mr. Van Engelen van 14 juni 2021 aan het NAI volgt dat.13. Bovendien heeft [eiser] gesteld dat mr. Van Engelen 24 weken zonder tegenspraak heeft meegewerkt met het schrijven van het arbitrale eindvonnis en pas op 14 juni 2021 een verzoek heeft gedaan om van zijn functie als arbiter te worden ontheven, toen het conceptvonnis al gereed was en dat nadien niet meer inhoudelijk is gewijzigd.14.
‘[eiser] heeft zich verder beroepen op een email van mr. Bitter van 11 juli 2021 waarin hij aan de overige arbiters aankondigde voornemens te zijn het vonnis,15. dat sinds 10 juni 2021 niet meer inhoudelijk was gewijzigd, op 12 juli te wijzen. Mr. Bitter gaf daarin voorts aan dat mr. Van Engelen op 14 juni 2021 al had laten weten niet te zullen ondertekenen gelet op de inhoud van het vonnis van 10 juni 2021 en hij daarom verwachtte dat mr. Van Engelen ook het concept dat bij de email van 11 juli 2021 werd toegezonden niet zou willen tekenen. Naar [eiser] heeft aangevoerd,16. was mr. Van Engelen dus in de gelegenheid zijn visie daarop kenbaar te maken en heeft hij deelgenomen aan de besluitvorming over het arbitrale eindvonnis.’
Het Hof heeft de juistheid van dat betoog niet verworpen, zodat dit hypothetische feitelijke grondslag vormt in cassatie. In cassatie is daarmee uitgangspunt dat ook de collegialiteit van de oordeelsvorming door arbiters voldoende was geborgd.17. Vooral inhoudelijke bezwaren vormden dus de achtergrond van het verzoek tot onttrekking van mr. Van Engelen, die lange tijd heeft meegewerkt aan het opstellen van het arbitrale vonnis en ook bij de (collegiale) besluitvorming daarover is betrokken en die pas kort voor het wijzen van het arbitrale eindvonnis met zijn onttrekkingsverzoek is gekomen. In ieder geval valt niet zonder meer in te zien waarom inhoudelijke bezwaren tegen het arbitrale vonnis niet de (voornaamste) achtergrond was van het verzoek van mr. Van Engelen om van zijn functie als arbiter te worden ontheven, mede nu hij zich, naar hierna wordt uitgewerkt, naar aanleiding van de vele wrakingsverzoeken van [verweerders] c.s. niet als arbiter heeft onttrokken.
‘Indien het hof Amsterdam in rov. 3.4.5, 3.4.10 en 3.4.12 heeft beslist dat het verzoek van mr. Van Engelen (mede) voortvloeide uit een wrakingsverzoek en dat de reden was voor hem om van zijn functie als arbiter te worden ontheven en dit verzoek daarom (mogelijk) had moeten worden gehonoreerd, is zijn beslissing rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Er zijn immers voorafgaand aan het door het Hof in rov. 3.4.4 bedoelde onttrekkingsverzoek van mr. Van Engelen door [verweerders] c.s. zeven wrakingsverzoeken gedaan (zelfs aan de leden van het Comité van het NAI en aan de door het NAI ingestelde wrakingskamers die over de wrakingsverzoeken oordeelden),18. die het Wrakingscomité van het NAI heeft afgewezen of niet in behandeling heeft genomen en in verband waarmee het Wrakingscomité uiteindelijk bij beslissing van 3 mei 2021 zelfs heeft aangenomen dat verdere wrakingsverzoeken als misbruik van bevoegdheid moeten worden gekwalificeerd.19. Mr. Van Engelen heeft naar aanleiding van die wrakingsverzoeken echter geen aanleiding gezien om een verzoek te doen om van zijn functie als arbiter te worden ontheven.20. Het door het Hof in rov. 3.4.4 bedoelde verzoek om van zijn functie te worden ontheven, was evenmin gedaan naar aanleiding van een recent door [verweerders] c.s. ingediend wrakingsverzoek, waarop (nog) door het NAI moest worden beslist. Althans heeft het Hof dat niet vastgesteld. In het licht daarvan valt niet, in ieder geval niet zonder meer, in te zien waarom mr. Van Engelen meende dat hij niet met de vereiste onpartijdigheid kon oordelen, terwijl hij daar klaarblijkelijk naar aanleiding van eerdere wrakingsverzoeken anders over dacht. Het Wrakingscomité van het NAI heeft die grond bovendien al beoordeeld en heeft beslist dat mr. Van Engelen voldoende onpartijdig was.21. Bovendien betoogde mr. Van Engelen in de door het Hof in rov. 3.4.2 geciteerde e-mail ook niet dat hij zelf niet (meer) met de benodigde onpartijdigheid kon functioneren, maar wees hij op de rol van de opvolgende wrakingscommissies (kennelijk met de suggestie dat die niet onpartijdig waren nu hij er tevens op wees dat de veelheid van verschillende procedures en incidenten zonder afdoende reflectie worden beoordeeld). Niet valt dan ook in te zien dat het verzoek tot onttrekking voornamelijk op andere gronden was gebaseerd dan de inhoudelijke bezwaren van mr. Van Engelen tegen het arbitrale eindvonnis.
De beslissing van het Hof is dan bovendien rechtens onjuist omdat mr. Van Engelen een dergelijk besluit tot onttrekking op grond van artikel 1035 lid 2 Rv binnen twee weken na kennisgeving van een wrakingsverzoek dient te nemen en er in de twee weken voorafgaand aan zijn verzoek tot ontheffing van zijn taak als arbiter geen wrakingsverzoek was gedaan. Er bestond dus voor hem ook geen mogelijkheid (meer) om zich op grond van artikel 1035 lid 2 Rv als arbiter te onttrekken.’
Het instrument van onttrekking is echter niet bedoeld om de hiervoor bedoelde inhoudelijke bezwaren van een arbiter tegen een arbitraal vonnis te adresseren en een verzoek tot ontheffing van de functie als arbiter kan ook rechtens niet worden gehonoreerd op die grond.
‘Het vorenstaande geldt ook indien de arbiter die inhoudelijke bezwaren mede kleurt door te stellen dat de overige arbiters en/of het administrerende arbitrage instituut niet onpartijdig zijn.’22.
Het arbitrale vonnis komt immers gelet op artikel 1057 lid 1 Rv tot stand bij meerderheidsbeslissing indien partijen, zoals in dit geval, niet anders zijn overeengekomen.23. De weigering om te ondertekenen vanwege inhoudelijke bezwaren stond dan ook niet in de weg aan het wijzen van het arbitrale eindvonnis. Integendeel, toepassing van artikel 1057 lid 3 Rv (bij weigering van de minderheid van de arbiters om te ondertekenen) is zelfs een alternatief voor ontheffing op de voet van artikel 1029 Rv indien die mogelijk is en ontheffing niet op korte termijn kan worden gerealiseerd. Het wel aannemen van een mogelijkheid om van de functie als arbiter te worden ontheven bij inhoudelijke bezwaren tegen het arbitrale vonnis, zou bovendien de arbitrale rechtsgang ernstig en onnodig compliceren. Daardoor kan de arbitrale procedure immers onnodig en disproportioneel worden vertraagd doordat na ontheffing van de functie van arbiter, mede gelet op artikel 1030 lid 1 Rv, een andere arbiter moet worden benoemd,24. terwijl zeer de vraag is of de uitkomst van de arbitrage daardoor, gelet op de beslissing van de niet ontheven arbiters, een andere zal worden.25.
‘In dit verband is in het bijzonder van belang dat in het arbitrale tussenvonnis van 12 december 2019, dat niet is vernietigd, al een beslissing is genomen over de vraag of de in 2017 verkochte onroerende zaken van het boerenbedrijf als economische eigendom van de maatschap hadden te gelden, en een beslissing over de belangrijke partijen verdeeld houdende vraag of economische eigendom is ingebracht in de maatschap.’26.
In ieder geval ontstaan door benoeming van een nieuwe arbiter onnodige additionele kosten voor partijen, doordat de nieuwe arbiter zich in het dossier zal moeten verdiepen.27.
2.3.2
In ieder geval valt in het licht van de door het Hof in rov. 3.4.12 ook onderkende terughoudendheid die de rechter bij het beoordelen van een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis, ook in verband met de in artikel 1065 lid 1 onder e Rv genoemde vernietigingsgrond, in acht moet nemen en in het licht van het vorenstaande niet zonder meer in te zien waarom de gevolgde gang van zaken jegens [verweerders] c.s. dermate onzorgvuldig was dat het arbitrale eindvonnis moet worden vernietigd. Er bestond voor de overige arbiters (en het NAI) immers een goede aanleiding om te veronderstellen dat het aangekondigde verzoek aan/vordering bij de voorzieningenrechter van mr. Van Engelen niet tot zijn ontheffing van zijn functie als arbiter zou leiden, terwijl de overige arbiters (en het NAI) er op goede gronden van uitgingen dat mr. Van Engelen het arbitrale eindvonnis op inhoudelijke gronden niet wilde ondertekenen. In dat geval ligt het in beginsel voor de hand, om verdere vertraging in en frustratie van de arbitrale procedure te voorkomen (de arbitrale procedure had, mede vanwege de in het vorige onderdeel genoemde wrakingsverzoeken, al veel tijd in beslag genomen), om met de in artikel 1057 lid 3 Rv vastgelegde waarborgen, over te gaan tot het wijzen van het arbitrale eindvonnis. In die omstandigheden brengt de terughoudendheid die de vernietigingsrechter in acht moet nemen mee dat geen vernietiging op de voet van artikel 1065 lid 1 onder e Rv mogelijk is. Althans valt niet zonder meer in te zien waarom dat anders is.
2.4. Restklacht in verband met vernietiging van het arbitrale vonnis
2.4.1
De vorenstaande onderdelen 2.1–2.3 vitiëren bij gegrondbevinding ook de beslissingen van het hof Amsterdam in rov. 3.2, 3.4.9, 3.4.13 en 3.5.2.
2.5. Terugbetalingsverplichting
2.5.1
Het hof Amsterdam heeft [eiser] in rov. 3.5.2 en in het dictum veroordeeld om een bedrag van € 1.021.681,88 vermeerderd met wettelijke rente aan [verweerders] c.s. te betalen. Deze beslissing is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk.
Het hof heeft, onder meer in rov. 3.5.1, 3.8.2 en 3.8.3, vastgesteld dat het genoemde geldbedrag bij een notaris in depot was gegeven en door de notaris aan [eiser] is uitbetaald. Verder heeft het hof in rov. 3.8.3 vastgesteld dat [verweerders] c.s. in hoger beroep van een voorlopige voorziening (over schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitrale eindvonnis)28. ter zitting van 10 mei 2022 bij het hof Arnhem-Leeuwarden onder meer hebben gevorderd om dit bedrag terug te betalen aan de notaris, althans een voorschot daarop van € 500.000.29. Nu dit om een vermeerdering van eis ging die te laat was ingesteld en omdat daar geen belang meer bij bestond omdat de geldvordering in de bodemzaak zal worden toegewezen, heeft het hof die vordering in rov. 3.8.4 afgewezen. Het hof heeft echter vervolgens [eiser] veroordeeld tot terugbetaling aan [verweerders] c.s. Mede gelet op de zojuist genoemde vordering van [verweerders] c.s. in de voorlopige voorziening, had het hof [eiser] echter moeten veroordelen tot terugbetaling aan de notaris. Er is immers door de notaris uit het depot aan [eiser] betaald en ongedaanmaking van het gepresteerde op grond van het arbitrale eindvonnis leidt er dan ook, mede gelet op de overeenstemming tussen partijen ten aanzien van de depotstelling bij de notaris, die ook tot uitdrukking kwam in de genoemde vordering van [verweerders] c.s. in de voorlopige voorziening, toe dat het Hof [eiser] had moeten veroordelen om het depot te herstellen (en dus tot terugbetaling aan de notaris). In ieder geval valt niet zonder meer in te zien waarom dat anders is.
Op grond van dit middel vordert eiser vernietiging van het bestreden arrest met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met hoofdelijke veroordeling van verweerders in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑02‑2024
Zie onder meer rov. 2.3 van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 november 2021 en rov. 2.3 van het arrest van hetzelfde Hof van 26 juli 2022.
Hij heeft zijn benoeming conform artikel 11 lid 4 van het NAI arbitragereglement schriftelijk aanvaard. Zie het arbitrale eindvonnis (prod. 1 bij de inleidende dagvaarding), onder 5.
Vergelijk ook het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 9 juli 2021 (rov. 3.4.5 van het arrest van het hof Amsterdam), rov. 4.7 en de memorie van antwoord, onder 75.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 64.
Zie ook de pleitnota van de zijde van [eiser] van 13 september 2023, onder 21 en 22; Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 10. Tijdens het pleidooi heeft de advocaat van [eiser] aangegeven dat in de pleitnota onder 21 zichtbaar moet worden gelezen in plaats van onzichtbaar. Zie het Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 4.
Vergelijk ook het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 9 juli 2021 (rov. 3.4.5 van het arrest van het hof Amsterdam), rov. 4.7 en de memorie van antwoord, onder 75.
Bijvoorbeeld MvA, Kamerstukken II 1985/86, 18 464, nr. 6, p. 14.
Zie ook de pleitnota van de zijde van [eiser] van 13 september 2023, onder 21 en 22; Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 10. Tijdens het pleidooi heeft de advocaat van [eiser] aangegeven dat in de pleitnota onder 21 zichtbaar moet worden gelezen in plaats van onzichtbaar. Zie het Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 4.
Zie voor dat laatste met name de artikelen 21 lid 3 van het NAI arbitragereglement en 1029 lid 5 Rv.
Zie het Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 6, waar met name de mogelijkheid is besproken dat een verzoek tot ontheffing aan de voorzieningenrechter zou zijn gedaan, maar in het geheel niet is vastgesteld dat mogelijk een in de onderdelen 2.1.2 en 2.1.3 bedoelde op een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen het NAI zou zijn ingesteld (of zelfs maar aangekondigd).
Zie ook het betoog van de advocaat van [eiser] tijdens de zitting. Zie het Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 6.
Prod. 8 bij de dagvaarding. Daarop is een beroep gedaan in de memorie van antwoord, onder 76.
Zie met name de betreffende mail onder 1) en 2) (en mogelijk onder 4), waarin wordt gewezen op inhoudelijke gebreken in het arbitrale eindvonnis. Zie daarnaast de memorie van antwoord, onder 70, 71, 75 en 90.
Memorie van antwoord, onder 67, 68, 70, 71, 76, 90 en 91. Zie ook het hiervoor genoemde vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, rov. 4.15.
Memorie van antwoord, onder 90.
Memorie van antwoord, onder 91.
Vergelijk ook de memorie van antwoord, onder 91. Voor het aannemen van een toereikende collegiale besluitvorming is immers voldoende dat elk van de leden van het scheidsgerecht de mogelijkheid wordt geboden deel te nemen aan de besluitvorming en elk van hen de kans wordt geboden een stem uit te brengen.
Zie rov. 3.3.2 van het arrest van het hof Amsterdam. Zie ook de memorie van antwoord, onder 68. Zie ook het arbitrale tussenvonnis van 12 december 2019 (prod. 1, bij de dagvaarding), onder 1.3, 1.8–1.10.
Zie de memorie van antwoord, onder 3 en 98–103. Zie ook het arbitrale eindvonnis van 12 juli 2021 (prod. 1 bij de dagvaarding), onder 21, 61, 72, 77, 94, 109, 111, 115, 126 en 159 (waarbij bij de eerste wraking alleen mr. Bitter is gewraakt en bij de vierde wraking niet mr. Van Engelen). In het kader van twee wrakingsverzoeken is ook de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland geadieerd en in hoger beroep het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ten aanzien van welke verzoeken de voorzieningenrechter van de Rechtbank zich onbevoegd achtte. Zie het arbitrale eindvonnis, rov. 107, 108, 110, 113, 114, 121 en 155. Het scheidsgerecht heeft het appèl bij het hof Arnhem-Leeuwarden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid.Zie het arbitrale eindvonnis, rov. 160 en 161. De beslissingen van het Wrakingscomité van het NAI zijn als bijlagen aan het arbitrale eindvonnis toegevoegd.
Zie de memorie van antwoord, onder 100. Zie ook het arbitrale eindvonnis van 12 juli 2021 (prod. 1 bij de dagvaarding), onder 73 en 126.
In het door het Hof in rov. 3.4.5 genoemde vonnis van de voorzieningenrechter ligt besloten dat niet daadwerkelijk sprake was van niet-onpartijdigheid van het NAI. Naar hiervoor verder is uiteengezet, hebben de wrakingskamers van het NAI gemotiveerd beslist dat de overige arbiters onpartijdig waren.
Zie ook artikel 43 lid 1 NAI Reglement 2015.
Zie ook het hiervoor genoemde vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, rov. 4.17.
Zie ook de pleitnota van de zijde van [eiser] van 13 september 2023, onder 21 en 22; Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 10. Tijdens het pleidooi heeft de advocaat van [eiser] aangegeven dat in de pleitnota onder 21 zichtbaar moet worden gelezen in plaats van onzichtbaar. Zie het Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 4.
Prod. 1 bij de dagvaarding, rov. 5 en 6.
Zie ook het betoog van de advocaat van [eiser] tijdens de zitting. Zie daarover het Proces-Verbaal van 13 september 2023, p. 10.
Die vordering had de voorzieningenrechter bij vonnis van 9 september 2021 afgewezen en daartegen is hoger beroep ingesteld. Zie het proces-verbaal van de zitting van 10 mei 2022, p. 8.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden had eerder in zijn arrest van 9 november 2021 in de (bodem)procedure over de vernietiging van de arbitrale vonnissen een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen omdat tenuitvoerlegging inmiddels had plaatsgevonden door betaling door de notaris van het in depot gestelde bedrag van € 1.021.681,88 aan [eiser] op 15 september 2021. Zie rov. 3.3 van dat arrest. Van dit arrest is cassatieberoep ingesteld, hetgeen uw Raad bij arrest van 2 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:840) gerond heeft geacht. Het hof Amsterdam heeft de incidentele vordering beoordeeld en alsnog afgewezen.