Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.10.1
7.3.10.1 Inleiding: bestaan van bewijsregels en plaats in de procedure
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940654:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scheltens (losbl.), p. 637, Koopman 1996, par. 2.2, Niessen-Cobben 1995, p. 166. Zie voorts de opzet van de aan het bewijs gewijde hoofdstukken in Happé e.a. 2010 (hoofdstuk 12), Langereis & De Roos 2010 (hoofdstuk 11) en Albert 2005 (hoofdstuk 6).
Vgl. Feteris 2007, p. 298 en Koopman 1996, par. 2.3.
Steun voor mijn opvatting vind ik bij Verseput, die meent dat de rechtsregels rondom de bewijslastverdeling een ‘voor-processueel’ karakter hebben, zie J.G. Verseput, ‘De verdeling van de bewijslast in de belastingwetgeving en daarbuiten’, in: Fiscale aspecten van ondernemingen (Meeles-bundel), Deventer: Kluwer 1985.
Zie HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.5.2. De Hoge Raad heeft het in dit arrest over ‘de taak van de belastinginspecteur en de belastingrechter’. Ook de Redactie Vakstudie-Nieuws leest hierin dat de inspecteur het geldende bewijsrecht moet toepassen. In HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181 gebruikte de Hoge Raad nadrukkelijk de term bestuurlijke autoriteit (tegenover een gerechtelijke procedure), zie r.o. 2.4.1 en 2.4.3. Idem: HR 6 juli 2018, V-N 2018/38.26, r.o. 2.4.2 (tegenover een rechterlijke autoriteit).
Zie voor een in dit licht interessant oordeel in een voorlopige voorziening Rb Noord-Nederland 7 april 2016, V-N 2016/35.4, waarin het moment waarop het beginsel van hoor en wederhoor geldt, centraal stond (volgens de rechtbank: reeds vanaf het begin van de bezwaarfase).
Zie de Aantekening van de Redactie bij Rb Noord-Nederland 7 april 2016, V-N 2016/35.4.
Een voorbeeld van de laatstgenoemde categorie is te vinden in de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage 13 mei 1993, V-N 1993, p. 3332.
In de literatuur bestaat de neiging om de discussie over het fiscale bewijsrecht voornamelijk in de beroepsfase te plaatsen.1 Hierdoor kan de indruk ontstaan, dat de bestuurlijke voorfasen gespeend zouden zijn van (eigen) bewijsregels. Dat zou betekenen dat er bij het doen van aangifte, het regelen van de aanslag en gedurende de bezwaarprocedure slechts anticiperend gekeken wordt naar de bewijsregels die zouden kunnen gaan gelden in beroep.2 Deze visie op de gang van zaken in de fasen voorafgaand aan een eventueel beroep is niet de mijne. Naar mijn mening gelden er ook in die pré-beroepsfase reeds op zelfstandige titel bewijsregels.3 Uit de meer recente jurisprudentie van de Hoge Raad kan in mijn optiek voorzichtig de conclusie worden getrokken, dat de inspecteur zich inderdaad reeds in de pré-beroepsfase moet houden aan de regels van het bewijsrecht.4 Ook in de feitenrechtspraak is deze opvatting terug te vinden.5
Op zichzelf is de vraag of en in hoeverre het bewijsrecht reeds in de voorfasen ten volle geldt, theoretisch van aard. Voor beide betrokken partijen is het wezenlijke probleem, dat de bewijsregels niet reeds in de betreffende fase kunnen worden getoetst. Het gevolg daarvan is dat partijen bij verschillen van inzicht over de bewijslastverdeling of een ander aspect van het bewijsrecht een (proces)risico lopen. Als de inspecteur geen genoegen neemt met een mondelinge verklaring over een aftrekpost, dan kan de belastingplichtige vinden dat hij wél aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, maar hij krijgt daarover pas in beroep uitsluitsel. Hangende bezwaar bestaat er alleen de mogelijkheid van de voorlopige voorziening.6 Terzake gelden echter beperkende voorwaarden, zoals de aanwezigheid van een spoedeisend belang. Dat betekent dat het bestaan van een rechtsingang in de voorfasen vooral afhankelijk is van de ruimhartigheid van de voorzieningenrechter.7 Het ware defect in de regeling van het bewijsrecht is derhalve niet dat er geen bewijsrecht geldt, maar dat er voor dat bewijsrecht in de voorfasen geen effectieve rechtsbescherming geldt.
Eenmaal in beroep kan de toepassing van het bewijsrecht worden getoetst. Mijn overtuiging is dat de rechter daarbij:
de bewijsregels zoals die gelden in de pré-beroepsfase als uitgangspunt neemt voor de toetsing van de gang van zaken in die fase;
vervolgens toetst of de inspecteur de juiste interpretatie van de in de pré-beroepsfase geldende bewijsregels heeft gegeven, waaronder begrepen een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
een oordeel geeft over de gang van zaken in de pré-beroepsfase, en indien nodig herstelmogelijkheden biedt (hetzij door terugwijzing, hetzij door de betreffende bewijsregels alsnog juist toe te passen of een passende compensatie voor de onjuiste toepassing te bieden8);
waar toepasselijk ook de specifiek voor de beroepsfase geldende bewijsregels (waaronder de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht) zal toepassen.
In het navolgende ga ik eerst in op de vraag of de inspecteur in de beroepsfase door mag gaan met het vergaren van bewijs (paragraaf 7.3.10.2). Vervolgens behandel ik de formele procesregels van het bewijsrecht in de beroepsfase (paragraaf 7.3.10.3) en sta ik nog kort stil bij de toetsing van het bewijsrecht in cassatie (paragraaf 7.3.10.4).