Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.2.2
2.2.2 Het gedachtegoed van Pothier
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS589785:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Pothier 1761, nr. 160.
Hier zien we een Haviltex-achtige redenering waarin voor de bepaling van de uit overeenkomst voortvloeiende verbintenissen van belang is hoe een contractspartij de andere contractspartij (objectief) mocht begrijpen.
Pothier 1761, nr. 164.
Pothier 1761, nr. 164.
Zie over deze ontwikkeling nader Gordley 2006, p. 398 e.v.; Zimmerman 1996, p. 829 e.v.; Van Kralingen 2013, p. 399 e.v.
C. 7,47,1 bepaalde, voor zover hier relevant: “Sancimus itaque in omnibus casibus, qui certam habent quantitatem vel naturam, veluti in venditionibus et locationibus et omnibus contractibus hoc quod interest dupli quantitatem minime excedere”. Zie over deze bepaling nader Medicus 1962, p. 288 e.v.
Du Moulin 1574, nr. 60.
Pothier 1761, nr. 166, 168.
Pothier 1761, nr. 167, 168.
De voorzienbaarheidstoets van Pothier kwam via de Code Civil ook terecht in het Engelse recht (zie nader nr. 423), in het Belgische recht (art. 1150 Burgerlijk Wetboek), in het Spaanse recht (art. 1107 Codigo Civil) en in het Italiaanse recht (art. 1225 Codice Civile) en in art. 9:503 PECL, art. 3:703 DCFR en art. 25 CISG. Zie hierover Gordley 2006, p. 395 en Ferrari 2008, p. 316 e.v. Tevens stond het gedachtegoed van Pothier in het Duitse recht aan de wieg van de Schutzzwecklehre voor contractuele aansprakelijkheid (zie nader nr. 423).
Opzoomer 1879a, p. 105; Diephuis 1886, p. 102.
Opzoomer 1879a, p. 104; Asser & Limburg 3-I 1905, p. 148.
Voorduin 1838, p. 16; Asser 1838, p. 470, 471.
Voorduin 1838, p. 16, 17.
Voorduin 1838, p. 24.
34. Art. 1283 en 1284 (oud) BW waren gebaseerd op art. 1150 respectievelijk 1151 (oud) CC. Laatstgenoemde bepalingen waren op hun beurt gebaseerd op het gedachtegoed van Pothier.
35. In zijn in 1761 gepubliceerde boek Traité des obligations stelde Pothier bij de behandeling van de schadevergoedingsverplichting vanwege wanprestatie ten aanzien van een verplichting uit overeenkomst voorop, dat indien geen sprake is van bedrog van de wanpresterende debiteur (“dol du débiteur”), niet rigide de regel diende te worden gevolgd dat de debiteur alle door zijn wanprestatie veroorzaakte schade dient te vergoeden, maar een zekere gematigdheid gepast is.1 Pothier was van oordeel dat verplichtingen uit overeenkomst alleen kunnen ontstaan indien partijen dat hebben beoogd. Degene die een overeenkomst sluit en zich verbindt tot het leveren van een prestatie kan, zo meende Pothier, door zijn wederpartij niet zo worden begrepen dat hij zich ook heeft willen binden om in het geval van wanprestatie een schadebedrag te vergoeden dat groter is dan hij redelijkerwijs ten hoogste kon verwachten bij het aangaan van de overeenkomst. Op deze grond betoogde Pothier dat de schadevergoedingsverplichting beperkt diende te zijn tot de schade die bij het aangaan van de overeenkomst kon worden voorzien:2
“(…) les obligations qui naissent des contrats, ne peuvent se former que par le consentement et la volonté des parties, or le débiteur en s’obligeant aux dommages et intérêts qui résulteroient de l’inexécution de son obligation, est censé n’avoir entendu ni voulu s’obliger, que jusqu’ à la somme à laquelle il a pû vraisemblablement prévoir, que pourroient monter au plus haut lesdits dommages et intérêts, et non au-delà; donc lorsque ces dommages et intérêts se trouvent monter à une somme excessive, à laquelle le débiteur n’a pû jamais penser qu’ils pourroient monter, ils doivent être réduits et modérés à la somme à laquelle on pouvoit raisonnablement penser, qu’ils pourroient monter au plus haut; le débiteur étant censé n’avoir pas consenti à s’obliger à davantage.”3
Volgens Pothier was dit een kwestie van “la raison et l’équité naturelle”:4 van rede en natuurlijke billijkheid.
Pothier generaliseerde hiermee een rationalisering die Du Moulin (Molinaeus) in zijn in 1574 gepubliceerde boek Tractatus de eo quod interest had gegeven aan Codex 7,47,1.5 Volgens laatstgenoemde notoir onduidelijke bepaling gold dat in zaken van een bepaalde hoeveelheid of aard, zoals koopovereenkomsten, huurovereenkomsten en andere overeenkomsten, de schadevergoeding niet groter kon zijn dan tweemaal die hoeveelheid.6 Du Moulin verklaarde en rechtvaardigde deze regel erdoor dat de schuldenaar waarschijnlijk niet had voorzien dat aanvullende schade kon worden geleden groter dan de waarde van het object waarop de overeenkomst betrekking had.7 Aldus introduceerde Du Moulin onvoorzienbaarheid als reden om de verplichting tot schadevergoeding te beperken. Pothier generaliseerde deze gedachte en maakte haar los van de genoemde bepaling. Om dat te kunnen doen legde Pothier het verband met de voor de bepaling van de rechtsgevolgen van een overeenkomst in het algemeen van belang zijnde wil van partijen.
De begrenzing bij ongekwalificeerde wanprestatie gold volgens Pothier niet in het geval van “dol du débiteur”. Met een bedrieglijke wanprestatie verplichtte de debiteur zich immers “indistinctement, velit, nolit, à la réparation du tort que son dol causera”.8 Niettemin diende ook dan naar het oordeel van Pothier de rechter een zekere prudentie te betrachten bij de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, met name waar de schade ver weg lag (“une suite éloignée”) of een niet noodzakelijk (“pas une suite nécessaire”) gevolg van de wanprestatie was.9
36. De ontwerpers van de Franse Code Civil hebben dit stelsel van Pothier vrijwel volledig overgenomen en neergelegd in art. 1150 en 1151 (oud) CC:
Art. 1150 (oud) CC: “Le débiteur n’est tenu que des dommages et intérêts qui ont été prévus ou qu’on a pu prévoir lors du contrat, lorsque ce n’est point par son dol que l’obligation n’est point exécutée.”
Art. 1151 (oud) CC: “Dans le cas même où l’inexécution de la convention résulte du dol du débiteur, les dommages et intérêts ne doivent comprendre à l’égard de la perte éprouvée par le créancier et du gain dont il a été privé, que ce qui est une suite immédiate et directe de l’inexécution de la convention.”
Voor de situatie van bedrieglijke wanprestatie koos de Franse wetgever wel voor een enigszins engere begrenzing dan Pothier voor ogen had gehad. Art. 1151 (oud) CC beperkte de schadevergoedingsverplichting tot schade die geldt als een “suite immédiate et directe” in plaats van de door Pothier genoemde grens van ver weg liggende en niet noodzakelijke schade. Art. 1150 en 1151 (oud) CC zijn blijven gelden tot in Frankrijk per 1 oktober 2016 het algeheel herziene contractenrecht in werking trad. Bij deze herziening zijn deze bepalingen vrijwel ongewijzigd overgenomen in lid 3 respectievelijk 4 van het huidige art. 1231 CC.
37. Onze 1838-wetgever heeft de vrijwel ongewijzigde vertaling van art. 1150 en 1151 (oud) CC neergelegd in art. 1283 en 1284 (oud) BW.10 Wel werd een niet onbelangrijke aanpassing gemaakt. Art. 1150 (oud) CC sprak van schade die was of kon worden voorzien bij het aangaan van het “contrat”, art. 1283 (oud) BW van schade die bij het “aangaan” van de “verbindtenis” door de schuldenaar was of kon worden voorzien. Art. 1283 (oud) BW zag aldus ook op verbintenissen uit andere bron dan overeenkomst.11 De term “aangaan”, die wel past bij een overeenkomst, maar minder goed bij een verbintenis, werd niettemin in art. 1283 (oud) BW gehanteerd.12 Waar art. 1151 (oud) CC sprak van het niet nakomen van de “convention” hanteerde ook art. 1284 (oud) BW de term verbintenis. Het toepassingsbereik van deze bepalingen werd aldus verruimd van verbintenissen uit overeenkomst, tot verbintenissen in het algemeen.
De reden voor deze wijziging was dat onze wetgever van mening was dat in de Code Civil ten onrechte als uitgangspunt werd gehanteerd dat alle verbintenissen voortvloeien uit overeenkomsten. Volgens onze wetgever konden, zoals ook in onze huidige doctrine algemeen geaccepteerd is, verbintenissen ook uit andere bron ontstaan.13 Om deze reden heeft onze wetgever diverse bepalingen uit de Code Civil zodanig vertaald en aangepast dat zij niet alleen zagen op verbintenissen uit overeenkomst, maar op verbintenissen in het algemeen.14 In het wetgevingsproces is overigens naar voren gebracht dat de regeling van art. 1150 (oud) CC specifiek was geschreven voor verbintenissen uit overeenkomst.15 Om redenen die mij niet duidelijk zijn geworden, heeft dat de wetgever niet van het generaliseren van deze bepaling afgehouden. Een voor de hand liggende reden hiervoor is naar mijn mening dat de wetgever ook een regel wilde geven voor verbintenissen uit andere bron dan overeenkomsten en niet dadelijk werd ingezien waarom daarvoor een andere regel zou moeten gelden.