Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.4.2
3.3.4.2 Niet van belang wie bijeenroept
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649807:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 8-9 waar de minister dit t.a.v. art. 2:114a BW zegt. Er is geen reden om aan te nemen dat t.a.v. art. 2:224a BW iets anders geldt.
Het bestuur en de rvc kunnen op de agenda van de door de houder van het prioriteitsaandeel bijeengeroepen algemene vergadering vervolgens elk onderwerp zetten dat zij nodig achten. Het bestuur en de rvc hebben immers een ongeclausuleerde bijeenroepings- en daarmee agenderingsbevoegdheid. Zie hierover par. 3.3.1.
Zie over problemen daaromtrent De Roo 2019.
Het agenderingsrecht dat aandeel- en certificaathouders, vruchtgebruikers en pandhouders op grond van art. 2:114a/224a BW hebben, geldt, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis “voor [zowel] de jaarlijkse algemene vergadering als voor bijzondere algemene vergaderingen.”1 Hierbij wordt er steeds vanuitgegaan dat het bestuur, al dan niet tezamen met de rvc, de jaarlijkse of buitengewone algemene vergadering bijeenroept. De parlementaire stukken geven geen antwoord op de vraag of het wettelijke agenderingsrecht ook bestaat ten aanzien van een algemene vergadering die wordt bijeengeroepen door een ander dan het bestuur en/of de rvc. Mijns inziens is dat het geval. Zou worden aangenomen dat het in art. 2:114a/224a BW neergelegde recht slechts geldt ten aanzien van door het bestuur en de rvc bijeengeroepen algemene vergaderingen, dan kan het wettelijke agenderingsrecht mogelijk illusoir worden gemaakt. Dat zou dan kunnen door in de statuten ex art. 2:109/219 BW te bepalen dat naast het bestuur en de rvc ook een ander (bijvoorbeeld de houder van een prioriteitsaandeel) bijeenroepingsbevoegd is. Vervolgens wordt, al dan niet stilzwijgend, afgesproken dat de houder van het prioriteitsaandeel zorg draagt voor de bijeenroeping van de algemene vergaderingen.2
Art. 2:108/218 BW staat aan bovenstaande constructie niet in de weg. In het artikel is slechts bepaald dat jaarlijks ten minste één algemene vergadering wordt gehouden.3 Het doet er niet toe wie die vergadering bijeenroept. Doet de houder van het prioriteitsaandeel dat, dan is geen sprake van delegatie van een bestuursbevoegdheid.4 De bijeenroepingsbevoegdheid komt in de geschetste situatie immers ook aan de houder van het prioriteitsaandeel toe.
Omdat anders het wettelijke agenderingsrecht van kapitaalverschaffers illusoir gemaakt kan worden, ben ik van mening dat dit recht ook geldt ten aanzien van algemene vergaderingen die door een ander dan het bestuur en/of de rvc worden bijeengeroepen. De vervolgvraag is of het in dat geval ook de ander is die bepaalt of het aangedragen onderwerp in de agenda wordt opgenomen. Deze vraag moet naar mijn mening ontkennend worden beantwoord. Anders dan de bijeenroepingsbevoegdheid (en de daarbij behorende agenderingsbevoegdheid), kan de bevoegdheid om op grond van art. 2:114a/224a BW ingediende verzoeken te beoordelen niet aan een ander worden toegekend. Een verzoek ex art. 2:114a/224a BW wordt gericht aan de vennootschap en het is ook de vennootschap (vertegenwoordigd door het bestuur) die beoordeelt of het verzoek wordt gehonoreerd. Meent het bestuur dat het aangedragen onderwerp op de agenda van de door de ander bijeengeroepen algemene vergadering moet worden geplaatst, dan gaat hij daartoe over.