Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/1.4
1.4 Afbakening
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950283:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.2.
Behoudens enkele opmerkingen daarover in § 3.2.
Zie § 1.2.
Behoudens de behandeling van het algemene opschortingsrecht als aanvullend recht in § 2.6 en de overeenstemming tussen partijen dat aan het samenhangcriterium is voldaan in § 4.6.1.
Behoudens de behandeling van deze opschortingsrechten in § 2.3.
Zie § 2.3.
Zie bijv. art. 3:294 BW en 6:264 BW.
Zie § 2.6 en § 4.6.1.
Een zoekopdracht met de term ‘6:52’ of ‘opschorting’ levert op rechtspraak.nl over de periode van 1 januari 2017 tot en met 28 juli 2023 respectievelijk 326 en 3193 gepubliceerde civielrechtelijke resultaten op. Met rechtsbronnen na 28 juli 2023 is in beginsel geen rekening gehouden.
Dit proefschrift is beperkt tot de algemene opschortingsregeling zoals die in afdeling 6.1.7 BW is gecodificeerd. Het is niet mijn bedoeling om opschortingsrechten over de volle breedte te onderzoeken. Deze afbakening is mede ingegeven door hetgeen bij de probleemstelling is opgemerkt over de onduidelijkheid en rechtsonzekerheid die met name het samenhangcriterium in artikel 6:52 BW met zich kan brengen.1
De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is het onderwerp van dit proefschrift. Daarom heb ik mij vooral gericht op het geval waarin een schuldenaar een opeisbare vordering op zijn wederpartij heeft, die voldoende samenhangt met zijn verbintenis om opschorting te rechtvaardigen (zie art. 6:52 lid 1 BW). Voor wat betreft de schuldenaar en zijn wederpartij heb ik mij beperkt tot de oorspronkelijke partijen bij de verbintenissen over en weer. Eventuele partijperikelen, bijvoorbeeld na schuldoverneming of cessie, en de opschortingsbevoegdheid jegens derden, vallen buiten het bereik van dit onderzoek.2 Tevens heb ik mij beperkt tot het bestaan van verbintenissen over en weer, die niet noodzakelijkerwijs wederkerig zijn. Voor zover die verbintenissen tevens wederkerige verbintenissen zijn, is daarop ook de enac van toepassing, zoals reeds aan de orde kwam.3 Voor zover de op te schorten verbintenis een verplichting tot afgifte van een zaak inhoudt, is daarop tevens het in artikel 3:290 BW geregelde retentierecht van toepassing. De vraag of sprake is van een dergelijke samenloop met bijzondere opschortingsregelingen valt niet binnen het bereik van dit onderzoek. Ik ga evenmin of nauwelijks in op tussen partijen overeengekomen opschortingsregelingen.4 Ook de in artikel 6:37 en 6:117 BW geregelde opschortingsrechten, waarvoor geen vordering op de wederpartij is vereist, zijn buiten dit onderzoek gebleven.5
De bevindingen uit dit onderzoek hebben betrekking op het algemene opschortingsrecht. De bevindingen kunnen evenwel ook relevant zijn voor elders in de wet geregelde opschortingsrechten, zoals de enac en het retentierecht, omdat dat bijzondere regelingen van de algemene opschortingsregeling zijn.6 Dit geldt uiteraard niet voor bevindingen die betrekking hebben op punten waarop de bijzondere regelingen afwijken van de algemene regeling.7 Voorts kunnen de bevindingen relevant zijn voor tussen partijen overeengekomen opschortingsrechten.8 In een enkel geval heb ik benoemd dat de bevindingen ook voor andere opschortingsregelingen gelden. Het is echter meestal aan de lezer overgelaten om de bevindingen in verband te brengen met andere opschortingsregelingen dan de algemene opschortingsregeling, omdat die kruisbestuiving nader onderzoek kan vergen naar de andere opschortingsregeling en dat valt buiten het bereik van dit onderzoek naar de algemene opschortingsregeling.
De beantwoording van de vragen wanneer aan het samenhangcriterium is voldaan en wanneer de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW niet mag uitoefenen, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Voor deze beantwoording heb ik vooral gepubliceerde overheidsrechtspraak onderzocht. Daarbij heb ik mij beperkt tot deze rechtspraak sinds overwegend 2017, omdat uit die periode voldoende materiaal beschikbaar is en dit onderdeel van dit onderzoek daarmee beheersbaar is gebleven.9