Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/5.4.2
5.4.2 X/Winterswijk
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685366:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het tussenarrest van Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4015 (X/Winterswijk) en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, 200.132.270 (eindarrest, niet gepubliceerd). Kortmann 2006 spreekt in een dergelijk geval van ‘bevoegdhedentoezeggingen’ en betoogt in par. 7.5 dat niet-nakoming van een toezegging niet onrechtmatig kan zijn als zij wordt gerechtvaardigd door de behartiging van een hoger belang.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4015, rov. 5.3. De gemeente heeft er nog op gewezen dat Overzee/Zoeterwoude niet leidt tot een andere uitkomst omdat nog steeds moet worden beoordeeld of sprake is van onzelfstandige voorbereidingshandelingen. Zie ook Rb. Den Haag 8 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1195, BR 2017/42, rov. 4.7-4.8, waarin de toezegging tevens is beoordeeld in de bestuursrechtelijke procedure over het besluit dat de toezegging schendt (zie onder 13 van de annotatie). Reden voor de toewijzing van de vordering in die zaak zal zijn gelegen in voorbehoudloosheid van de toezegging die de rechtbank in rov. 4.4 als uitgangspunt neemt.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4015, rov. 5.7.
Vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057, NJ 2011/463, AB 2011/298 (Etam/Zoetermeer) waarin is geoordeeld dat met de rechtmatigheid van het daaropvolgende besluit nog niet is gezegd dat de (bevoegdheden)overeenkomst is nagekomen. Zie par. 5.5.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4015, rov. 5.7. In het (niet gepubliceerde) eindarrest van 23 januari 2018 (zaaknr. 200.132.270) heeft het hof na het horen van getuigen geoordeeld dat sprake was van een toezegging zonder voorbehoud, voor de gevolgen waarvan de gemeente schadeplichtig is. In rov. 2.6 overweegt het hof dat het bewijs is geslaagd van de stelling dat door de gemeente een toezegging zonder voorbehoud is gedaan (‘een hamerstuk’) dat een bouwvergunning zou worden verleend voor de bouw van een woning op het aangekochte perceel grond.
In een na Overzee/Zoeterwoude gewezen fraai arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden is het niet-nakomen van een toezegging omtrent het nemen van een appellabel besluit door de civiele rechter als onrechtmatig aangemerkt.1 Aan een burger was door de gemeente Winterswijk medegedeeld dat hij met inachtneming van gemeentelijke voorwaarden op een stuk grond een woning kon bouwen. In vertrouwen daarop kocht hij de grond. Zijn eerste aanvraag voor een bouwvergunning werd afgewezen omdat onvoldoende rekening was gehouden met de door de gemeenteraad gestelde voorwaarden. Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden tussen de burger en de gemeente, waarbij de gemeente heeft toegezegd dat zij een bouwvergunning zou verstrekken voor het oprichten van een woning indien aan de nadere voorwaarden werd voldaan. Dit was vastgelegd in een brief van het college van B&W. In vertrouwen op die toezegging kocht de burger een stuk grond bij en diende hij opnieuw een bouwaanvraag in.
Uiteindelijk is echter geen bouwvergunning verleend omdat de provincie Gelderland weigerde daaraan mee te werken. Op de vereiste medewerking van de provincie had het college de burger niet of onvoldoende gewezen. Die laatste vordert schadevergoeding als gevolg van de niet-nakoming van de toezegging. De gemeente beroept zich op de formele rechtskracht van het weigeringsbesluit omdat de toezegging zou zijn aan te merken als onzelfstandige voorbereidingshandeling van dat besluit. Tevens wijst zij op de rechtbank- en Afdelingsuitspraak in de bestuursrech-telijke procedure waarin de weigering van de aanvraag voor de bouwvergunning overeind is gebleven. Daaruit volgt volgens de gemeente dat het besluit geen strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat evenmin sprake kan zijn van een onrechtmatige handeling in de vorm van niet-nakoming van een toezegging.2
Het hof constateert dat de niet-nakoming van de toezegging ten grondslag ligt aan de vordering, en niet de (rechtmatige) weigeringsbeslissingen. Het hof geeft vervolgens aan eiser de bewijsopdracht aan te tonen dat de gemeente zonder voorbehoud een toezegging heeft gedaan:
“alleen dan immers was de toezegging (…), uit te leggen als op het resultaat van bouwvergunningverlening (…) gericht, ook al was daarvoor – naast medewerking van de raad – provinciale medewerking voor (vrijstelling van het bestemmingsplan ten gunste van) bouwvergunningverlening nodig.”3
Bij een dergelijke voorbehoudloze (resultaatgerichte) toezegging, kan de benadeelde de niet-nakoming van de toezegging onafhankelijk van de rechtmatigheid van de beschikking aan de orde stellen omdat het niet honoreren van een onvoorwaardelijke toezegging naar civiele maatstaven onrechtmatig is.4 Dat de niet-nakoming van de toezegging niet heeft geleid tot een vernietigd besluit, doet daaraan niet af.5 Hier komt het verschil tussen bestuursrechtelijke binding en civielrechtelijke aansprakelijkheid scherp naar voren: hoewel het college van B&W niet in bestuursrechtelijke zin een bindende toezegging kan doen dat een bouwvergunning wordt verstrekt indien daarvoor medewerking van andere bestuursorganen is vereist, betekent dat niet dat het aan de civielrechtelijke gevolgen van een dergelijke toezegging ontkomt:
“Uitgaande immers van de juistheid van de weigeringsbeschikking(en) wegens de formele rechtskracht daarvan blijft dan staan dat de schade daarvan als gevolg van de voorbehoudloze toezegging van een bouwvergunningverlening onder de omstandigheden van het onderhavig geval aan de Gemeente zijn toe te rekenen.”6
In geval van een voorbehoudloze toezegging waarop een burger gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen, is de overheid schadeplichtig voor zover door het niet nakomen van die toezegging schade is geleden. Dat de uitlatingen bestuursrechtelijk niet waar te maken zijn, doet daaraan niet af.