Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.8.3
7.8.3 Een tussencategorie
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300408:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Ingeval het bezit en bedrijfsmatige gebruik van het dier zich in dezelfde hand bevinden, is de grondslag mijns inziens overigens niet art. 6:179, maar art. 6:181 jo. 179. Zie par. 4.6.3.
De bezitter voerde het verweer, dat niet op hem maar ingevolge art. 6:181 op de dierenarts (zélf) de kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:179 voor de door het paard aangerichte schade rustte, overigens niet. Wel werd een beroep op ‘eigen schuld’ gedaan maar dit werd verworpen, met name omdat een deskundige had vastgesteld dat de dierenarts redelijk en bekwaam had gehandeld, terwijl het paard op een wijze ‘door het lint’ was gegaan die onvoorzienbaar was.
Vgl. ook Vansweevelt en Weyts 2009, p. 582-588 over de vraag of de bewaarder van een dier ‘gebruiker’ ex art. 1385 Belgisch BW kan zijn. Van belang is de zeggenschap over het dier in tijd (hoe langer, hoe meer de mogelijkheid van daadwerkelijke zeggenschap stijgt), in ruimte (ontferming over het dier bij de eigenaar thuis of op een eigen terrein dan wel valt te kiezen waarnaar het dier wordt meegenomen) en in zelfstandigheid (is het toezicht zelf in te vullen of gelden instructies van de eigenaar; kan het toezicht zonder tussenkomst van de eigenaar worden uitgeoefend?), terwijl ook het aspect van deskundigheid en vaardigheid van belang wordt geacht (om de leiding en toezicht over het dier te kunnen uitoefenen).
Het paard zal als onderdeel van de bedrijfsvoering hebben te gelden, zodra dit dier op het terrein bij de bezitter in de paardentrailer door de dierenarts is ingeladen. Brengt het dier schade toe tijdens het vervoer, dan is de dierenarts op dat moment in beginsel de ex art. 6:181 jo. 179 aansprakelijke. Zie in deze richting Hof Leeuwarden 28 februari 2012, JA 2012/73 (Uitladen paard).
Dit past in de lijn van Hof Den Haag 28 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3304 (Botsing met kat), waarin werd geoordeeld dat degene die zich het lot van een zwerfkat aantrekt of dit dier tijdelijk onder zijn hoede neemt, nog niet verwordt tot de in art. 6:179 bedoelde bezitter daarvan.
In Hof Leeuwarden 19 december 2001, rolnr. 96/00368 (niet gepubl.) (Dierenambulance), r.o. 2.3.1 werd in een dergelijk geval de Dierenambulance niet als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ aangemerkt, omdat volgens het hof sprake was van het bewaren en vervoeren van andermans hond terwijl de ambulancedienst ook geen profijt van het dier had. Deze motivering kan de niet-toepassing van art. 6:181 mijns inziens echter niet dragen (zie par. 7.6.3). Gelet op het aspect ‘zeggenschap’ was overigens relevant dat de Dierenambulance, kort voordat de hond op de openbare weg het verkeersongeval veroorzaakte, dit dier weer had losgelaten.
Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 300.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld het hierna in par. 7.8.4, 1e alinea, genoemde garagebedrijf.
De dierenarts biedt een voorbeeld van het gevalstype waarin heel wel sprake kan zijn van in beginsel onvoldoende zeggenschap ter toepassing van art. 6:181, maar zich bij enige verandering in de feitelijke constellatie gemakkelijk een verschuiving naar voldoende zeggenschap daartoe kan voordoen. HR 27 april 2001, NJ 2002/54, m.nt. CJHB (Donkers/Scholten) betrof een dierenarts die letsel opliep door toedoen van andermans paard, toen hij dit dier op het terrein van de bezitter in een stal wilde inenten. De gelaedeerde dierenarts kon zich in de ogen van de Hoge Raad jegens de bezitter met succes beroepen op art. 6:179.1 Daaruit valt af te leiden dat de dierenarts zelf kennelijk niet als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van het dier werd gezien, aangezien in dat geval niet de bezitter maar hijzelf ingevolge art. 6:181 met de kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:179 zou zijn belast.2 Deze uitkomst acht ik goed verdedigbaar, omdat van deze dierenarts kan worden gezegd dat hij een te vluchtige band met het schadeveroorzakende paard had om als ‘gebruiker’ ex art. 6:181 te kwalificeren. De arts trad veeleer als ‘gast’ het bedrijf van de bezitter tegemoet. De bemoeienis van de dierenarts was van korte duur, het paard bracht de schade toe in aanwezigheid van de bezitter, op diens terrein, terwijl het dier ook ter beschikking bleef van de bezitter c.q. deze de macht had ‘om tussen te komen’ en de bezitter ook bleef instaan voor de verzorging en voeding van het dier.3 In de richting van de bezitter als aansprakelijke in dit geval wijst ook de ondersteunende (praktische) ‘deelfactor’, inhoudende dat aansprakelijkheid voor gebreken in de zaken waarin/-mee het betreffende paard werd gehouden (zoals een stal of leidsels) ex art. 6:173/174 in beginsel eveneens voor zijn risico – en niet voor risico van de dierenarts – kwamen. Wat wel in het nadeel van de dierenarts zou kunnen werken, is dat er vanwege zijn specifieke functie qua deskundigheid en vaardigheid niet een sprekende afstand met het dier was.
De kwestie kan als gezegd gemakkelijk van kleur verschieten, bijvoorbeeld wanneer de dierenarts het te behandelen paard ‘meeneemt’ en enige tijd ‘opneemt’ in zijn dierenkliniek. Alsdan is het wél de dierenarts, en niet langer de bezitter, die in de beste positie verkeert invloed op de aan het dier verbonden risico’s uit te oefenen, van welke zorg anderen afhankelijk zijn. De dierenarts is nu niet meer te zien als vluchtige passant of gast die (de organisatie van) een ander tegemoet treedt; nu is hij ‘in control’. De aspecten tijd, ruimte, zelfstandigheid en deskundigheid/vaardigheid wijzen in de richting van de dierenarts. Zijn bemoeienis met het paard is nu immers bestendiger, het dier bevindt zich op het terrein van de dierenarts, de dierenarts kan de zorg voor het dier zonder tussenkomst van de bezitter c.q. naar eigen inzicht uitoefenen en staat ook in voor de verzorging en voeding, terwijl de dierenarts bovendien de deskundigheid en vaardigheden heeft om het toezicht en de leiding uit te oefenen. Nu is wel een ‘gebruikerschap’ met betrekking tot het dier ontstaan: het dier gaat op in de organisatie van de dierenarts, raakt daarin ingebed: het dier is onderdeel van de bedrijfsvoering van de dierenarts gaan uitmaken.4 Ondersteunend geldt dat ook gebreken in bijvoorbeeld de stallen op het terrein van de dierenarts die verband houden met zijn bedrijfsvoering ex art. 6:181 jo. 174 voor zijn risico komen. En nu het dier zich ‘binnen’ het bedrijf van de dierenarts bevindt, wijzen ook de in relatie tot art. 6:181 wel relevant geachte aspecten van opspoorbaarheid en eenheid in zijn richting als ‘verantwoordelijke’. Wat voor de dierenarts in relatie tot art. 6:181 geldt, zal in beginsel ook hebben te gelden voor de hoefsmid die het paard van de bezitter beslaat: heeft de hoefsmid ten opzichte van (de organisatie van) de bezitter kort gezegd als ‘gast’ te gelden, of zijn de omstandigheden zodanig dat het paard geacht kan worden onderdeel te zijn gaan uitmaken van de bedrijfsvoering van de hoefsmid?
In het perspectief van het vorenstaande past het voorbeeld van een medewerker van de Dierenambulance die zich tijdelijk ontfermt over andermans zieke of gewonde dier. Vindt deze ‘bewaarneming’ hooguit enkele ogenblikken en op de openbare weg (‘op locatie’) plaats waar het dier werd aangetroffen, dan zal de band met het dier te weinig sprekend zijn om de ambulancedienst als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ ex art. 6:181 jo. 179 te kunnen aanmerken: de bezitter is de ex art. 6:179 aansprakelijke.5 Dit kan echter anders zijn wanneer de Dierenambulance het op locatie aangetroffen dier meeneemt naar de eigen opvang, waar dit dier enige tijd verblijft en wordt verzorgd. Alsdan wijzen de zeggenschap over het dier in tijd, ruimte en zelfstandigheid alsook het aspect van deskundigheid en vaardigheden in de richting van een aansprakelijkheid van de Dierenambulance als ‘gebruiker’ ex art. 6:181 jo. 179.6
In de ‘tussencategorie’ past ook het in de literatuur gegeven voorbeeld van de ingehuurde chauffeur om een rit te maken in de dienstauto van de directeur van een multinational.7 In beginsel kwalificeert mijns inziens niet (ook) het chauffeursbedrijf, maar alleen de multinational als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van de auto ex art. 6:181 jo. 173. Het ingehuurde bedrijf treedt als gast de organisatie van de multinational tegemoet, haar feitelijke gebruik van de auto is kortdurend en vindt niet zonder tussenkomst van de multinational plaats. Niet uitgesloten echter is dat op zeker moment een ‘gebruikerschap’ zijdens het chauffeursbedrijf ontstaat, bijvoorbeeld wanneer de chauffeur op bestendige basis wordt ingehuurd. Cumulatieve aansprakelijkheid van beide bedrijven ex art. 6:181 lid 1 acht ik dan niet ondenkbaar. Wanneer de directeur van de multinational evenwel gebruik maakt van een chauffeursbedrijf dat hem niet rondrijdt in zijn eigen directeursauto maar in een auto van het chauffeursbedrijf zelf – vgl. de in par. 7.8.2 genoemde directeur die passagier van een taxi is –, zal de aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 173 alleen op het chauffeursbedrijf rusten.
Ook noem ik de situatie waarin een met zijn auto langs de snelweg gestrande bezitter ‘de wegenwacht’ belt, die vervolgens langskomt om de auto ter plekke te repareren. Ondanks dat de monteur doorgaans geen achterstand qua deskundigheid en vaardigheden ten opzichte van de bezitter heeft – hij is juist ingeroepen omdat hij meer verstand van auto’s dan de bezitter heeft –, meen ik dat gedurende het repareren van de auto niet het garagebedrijf maar de bezitter de aansprakelijkheid ex art. 6:173 draagt. Ook hier gaat voor de monteur de ‘gastgedachte’ op, terwijl zijn bemoeienis in tijd maar beperkt zal zijn, de auto zich niet ‘op zijn terrein’ bevindt en hij zijn macht over de auto niet zelfstandig maar in aanwezigheid van de bezitter uitoefent. Voorts zal in geval van een reparatie langs de snelweg geen sprake zijn van ‘gevaarverhoging’ wegens een feitelijk handelen met de auto in de vorm van het laten rijden.8 De casus verschiet evenwel van kleur indien de monteur besluit de auto op zijn trailer te laden en af te voeren naar de locatie van zijn garagebedrijf voor een reparatie, mede om een testrit met de auto (‘feitelijk handelen met’) te kunnen maken.