Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.2.4
2.2.4 Kerkgenootschappen
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS492810:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, p. 162, die een dergelijke omzetting afwijst.
Art. 2:2 lid 2 BW verklaart overigens wel het essentiële kenmerk van een rechtspersoon, te weten de gelijkstelling met een natuurlijk persoon ex art. 2:5 BW, onvoorwaardelijk van overeenkomstige toepassing.
Zie M.J.G.C. Raaijmakers, Vennootschaps- en rechtspersonenrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Gouda Quint 2000, p. 206. Zie voorts C.W. de Monchy, Rechtspersonen (losbladig), Deventer: Kluwer, art. 18 aantekening 3, die het denkbaar acht dat een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd of een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap zich op de voet van art. 2:18 BW omzet in een stichting of vereniging. Art. 2:2 lid 2 BW laat zijn inziens deze mogelijkheid open.
De omzetting van een stichting behoeft altijd een rechterlijke machtiging, zie art. 2:18 lid 4 BW (waarover meer in par. 2.8.6).
Niet volstrekt duidelijk is of een volgens art. 2:2 lid 1 BW rechtspersoonlijkheid bezittend kerkgenootschap zich kan omzetten in een in Boek 2 BW geregelde rechtspersoonsvorm en omgekeerd.1Art. 2:2 lid 2 BW verklaart dat een overeenkomstige toepassing van de algemene bepalingen van Boek 2 BW ‘is geoorloofd voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge rechtsverhoudingen.’2 In dit verband is in de literatuur wel opgemerkt dat het rechtsvormonafhankelijke karakter van art. 2:18 BW – in tegenstelling tot de regeling voor de juridische fusie en de splitsing – pleit voor een analoge toepassing op kerkgenootschappen.3 Rb. Zwolle 28 februari 2001, nr. HARK00-138, JOR 2001/121 (Stichting Rooms Katholiek Kerkhof) had echter geen ‘analoge toepassing’ nodig om de omzetting van een stichting in een private kerkelijke instelling goed te keuren.4 De rechtbank overwoog:
‘Hoewel uit de nota naar aanleiding van het eindverslag (...) zou kunnen worden afgeleid dat artikel 18 zich slechts leent voor analogische toepassing omdat de met dat artikel gegeven omzettingsregeling uitsluitend van toepassing is tussen de rechtsvormen van artikel 3 Boek 2 BW, blijkt uit het commentaar van de Minister n.a.v. artikel 18 in diezelfde Nota EV dat het de bedoeling is geweest om de omzettingsmogelijkheden van art. 20 (oud) te bestendigen voor alle rechtsvormen, dus ook die van de private kerkelijke instelling.’
Volgens de rechtbank vallen kerkelijke instellingen dus rechtstreeks onder de reikwijdte van art. 2:18 BW. En wel omdat de voorloper van art. 2:18 BW, te weten art. 2:20 BW (oud), dit ook toestond en geen wijziging van de reikwijdte is beoogd. Het komt mij voor dat in de praktijk ook hiervan wordt uitgegaan. Zo blijkt uit het in paragraaf 1.2 weergegeven overzicht dat zich in de periode 2002 tot en met 2006 een vereniging zich zestienmaal en een stichting zich tweemaal heeft omgezet in een kerkgenootschap.