Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/III.3.2
III.3.2 Geldend recht – uitleg van besluiten
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178716:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 8, p. 174-175, Handboek 2013/149 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/185.
Timmerman, in zijn conclusie voor HR 9 juli 2010, JOR 2010/228, m.nt. Van Ginneken (ASMI), rov. 3.7.4.
Smits 1999, p. 127 en Dumoulin 1999, p. 180.
Hof Arnhem-Leeuwarden 22 maart 2016, JOR 2017/159, m.nt. Van Vught (Ugchelenplaza), rov. 4.3 en 4.7.
Zie verder nog HR 26 november 2010, NJ 2011/55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining), waarover § IV.2, en Rb. Amsterdam 29 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7428, rov. 8-10. In HR 9 juli 2010, JOR 2010/228, m.nt. Van Ginneken (ASMI), speelt zijdelings de uitleg van enkele besluiten.
Hof Arnhem 11 juni 2012, JOR 2012/315, m.nt. Blanco Fernández (Stichting Fontane).
Vgl. Hof Amsterdam 1 maart 2007, JAR 2007/106, m.nt. Verhulp (Veer Palthe Voûte), rov. 3.5-3.6, GEA Sint-Maarten 19 oktober 2016, NJF 2017/108, rov. 4.9 en Hof Amsterdam 8 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3212, rov. 3.4.3 slot.
Vgl. de in § 2.1 besproken jurisprudentie.
Zie Parl. Gesch. Boek 2 BW, p. 145 (MvA II) en GS Rechtspersonen/Huizink 2018, art. 2:13 BW, aant. 8.
Vgl. Dumoulin 1999, p. 181.
Wat geldt nu voor het besluit? De summiere literatuur staat overwegend een objectieve uitleg voor, vermoedelijk indachtig de cao-norm. Kroeze betoogt, een beetje apodictisch, dat een besluit ‘een objectiefrechtelijk karakter’ heeft en dat bij de uitleg daarom ‘objectieve maatstaven’ moeten worden aangelegd.1 Hiermee sluit hij kennelijk aan bij de uitleg van statuten, waarop naar algemene opvatting de cao-norm toepassing vindt.2 Het interpreteren van besluiten zou aldus moeten geschieden aan de hand van de bewoordingen, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de redelijkheid van de uitkomst. Advocaat-generaal Timmerman en de meeste andere schrijvers huldigen dezelfde opvatting.3 Alleen Smits ziet ruimte voor de subjectieve bedoeling van de ontwerpers van een besluit, terwijl ook Dumoulin een wat meer subjectieve benadering lijkt voor te staan waar hij betekenis wenst toe te kennen aan – hij schrijft over besluitvorming in de algemene vergadering – de stemverklaringen van de aandeelhouders en de wetenschap van de vennootschap.4
Ik stel mij de toepassing van de cao-norm op besluiten zo voor, dat het blikveld van de uitlegger beperkt is tot schriftelijke stukken die kenbaar zijn voor degenen die niet bij de besluitvorming waren betrokken. In de eerste plaats gaat het dan om het document waarin het besluit is neergelegd, zoals de notulen van de vergadering of een stuk waarin het besluit zelf is vastgelegd, dikwijls ondertekend door de leden van het orgaan dat besloot. Maar ook andere, kenbare stukken komen in aanmerking. Denk aan de statuten. Hoe dan ook impliceert de cao-norm dat de uitlegger de inhoud van een besluit niet mag afleiden uit gedragingen, bedoelingen of niet voor eenieder kenbare documenten. Naar die norm moet een besluit bovendien naar objectieve maatstaven worden uitgelegd. De taalkundige bewoordingen van het besluit zelf prevaleren, al moeten deze worden gelezen in samenhang met het gehele document – denk aan de rest van de notulen – en worden geplaatst tegen de achtergrond van alle voorhanden zijnde, kenbare stukken. Als een taalkundige benadering geen uitsluitsel biedt, heeft bijvoorbeeld een uitleg in overeenstemming met de statuten de voorkeur boven een uitleg die tegen de statuten indruist.
Vindt de cao-norm weerklank in de rechtspraak? In de zaak Ugchelenplaza kijkt het hof Arnhem-Leeuwarden vooral naar de notulen. Het let in het bijzonder op de daarin opgenomen toelichting die het bestuur op het voorgestelde besluit heeft gegeven en op de precieze formulering waarover is gestemd. Daaruit bleek naar het oordeel van het hof ‘onmiskenbaar’ dat de algemene ledenvergadering van ondernemersvereniging Ugchelenplaza had besloten om de leden krachtens een statutaire grondslag te verplichten bij te dragen in de kosten van een plan om enkele winkelstraten opnieuw in te richten. Hoewel de tekst van het in stemming gebrachte voorstel anders suggereerde, bleek uit de notulen voor het overige dat het de bedoeling was een besluit te nemen met de genoemde inhoud. Wie zoals de appellant in kwestie betoogt dat ter vergadering iets meer of iets anders is gezegd dan uit de notulen volgt, moet – zo lees ik ’s hofs arrest – van goeden huize komen en zijn alternatieve interpretatie met bewijs staven.5 Dit alles heeft wel wat weg van de cao-norm. Het hof vaart vooral op de tekst van de notulen, gelezen in samenhang, en hecht minder waarde aan de achterliggende bedoelingen die partijen bij het besluit hadden. Wat dat laatste betreft verlangt het hof althans een zekere vorm van bewijs.
In de rechtspraak komt de uitleg van besluiten verder zelden zo geprononceerd aan de orde.6 In een zaak waarin een drietal stichtingsbestuurders elkaars bestuurderschap betwisten, oriënteert het Hof Arnhem zich voor de uitleg van een benoemingsbesluit sterk op de schriftelijke stukken, dat wil zeggen op de notulen van de bestuursvergaderingen en – meer verrassend – de tussen bestuurders gewisselde correspondentie. Het hof hecht weinig betekenis aan de gedragingen van betrokkenen. Dat het bestuurslidmaatschap een tijdelijk karakter had, laat zich naar het oordeel van het hof evenmin afleiden uit mondeling gemaakte afspraken.7 Als ze er zijn, geven notulen vaak de doorslag. Dat kan ook moeilijk anders, nu de gegevens – anders dan de notulen – die de rechter tot beschikking heeft veelal niet overhouden. De rechter heeft naar het lijkt niet dikwijls de beschikking over meer gegevens aan de hand waarvan hij een besluit kan uitleggen. Duidelijke notulen zeggen dan genoeg.8 Zijn de woorden van de notulen niet duidelijk, dan valt evenals ten aanzien van de totstandkoming de voorzichtige tendens te zien dat de inhoud van sommige, zwaarwegende besluiten helder moet zijn, bij gebreke waarvan de rechter aanneemt dat geen besluit is genomen dan wel een besluit met minder verstrekkende consequenties.9
Al is de uitlegmaatstaf niet helder, duidelijk is dat het oordeel van de voorzitter over de inhoud van een besluit beslissend is. Art. 2:13 lid 3 BW, van regelend recht, stipuleert dat voor het geval waarin de stemming een niet-schriftelijk voorstel betreft. Het oordeel van de voorzitter kan slechts onmiddellijk worden betwist, waarna een herstemming moet plaatsvinden (art. 2:13 lid 4 BW). Die nieuwe stemming heeft alleen zin als duidelijk is wat het voorstel inhoudt. De uitleg die de meerderheid in de herstemming geeft, is dan de juiste.10 Behoudens het laatste geval lijkt art. 2:13 lid 3 BW geen behulpzame bepaling. Dikwijls zal zij toepassing missen, omdat zeker in grote vergaderingen het voorstel schriftelijk zal zijn vastgelegd. Bovendien: hoe niet-schriftelijk is niet-schriftelijk? Dat een voorstel op de schriftelijke agenda voorkomt, maakt dat voorstel zelf nog niet schriftelijk. Mijns inziens heeft het oordeel van de voorzitter slechts betrekking op het niet- schriftelijke deel, zo valt uit het ‘voor zover’ van art. 2:13 lid 3 BW af te leiden. Het zal dikwijls gaan om ter plekke geformuleerde, niet-schriftelijke amendementen op voorstellen.11 Ten slotte heeft art. 2:13 lid 3 BW weinig nut, als de voorzitter geen oordeel uitspreekt of als zijn oordeel op zichzelf voor meerdere interpretatie vatbaar is.12 Mijns inziens moet niet te snel worden geconcludeerd dat de voorzitter heeft geoordeeld – het moet betrokkenen duidelijk zijn geweest dat van een bindende uitleg sprake was, omdat hun anders de mogelijkheid wordt ontnomen om tegen een zekere uitleg in het geweer te komen. Hoe dan ook blijft gezien art. 2:8 lid 2 BW staan dat de rechter mag toetsen of de voorzitter in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Al met al is art. 2:13 lid 3 BW een weinig nuttig voorschrift.