Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.1.3:3.1.3 Het arrest Plas/Valburg
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.1.3
3.1.3 Het arrest Plas/Valburg
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS300660:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 (Plas/Valburg).
Hesselink 1996, p. 880-881, constateert dat de mogelijkheid van vergoeding van gederfde winst wegens het afbreken van onderhandelingen in strijd met de redelijkheid en billijkheid alleen in het Nederlandse recht bekend is en in geen enkele andere jurisdictie wordt aanvaard.
Zie ook Von Bar 1996, p. 474. In de uitvoerige verwijzing naar de nationale rechtsstelsels, ten einde deze bewering te staven, ontbreekt overigens een verwijzing naar het Nederlands recht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In één van de meest fundamentele arresten met betrekking tot de aansprakelijkheid voor het afbreken van onderhandelingen van 18 juni 1982 (Plas/Valburg)1, lijkt de Hoge Raad de zienswijze zoals die is terug te vinden in het arrest Baris/Riezenkamp te continueren en daarop voort te bouwen.
In dit — voor die tijd — opzienbarende arrest was de casus als volgt. Aannemer Plas Bouwonderneming B.V. ("Plas") had op verzoek van de secretaris van de gemeente Valburg een offerte gemaakt voor de bouw van een overdekt zwembad. Een commissie van de gemeenteraad besloot vervolgens de offerte van Plas, evenals die van drie andere aannemers te onderzoeken. Op verzoek van de gemeente won Plas daarna adviezen in van externe deskundigen (architect, adviseurs inzake verwarming, elektriciteit, geluid). De kosten hiervoor kwamen voor rekening van Plas (f 60 000). Daarop verzocht de zogenaamde "kleine zwembadcommissie" (bestaande uit een wethouder, een raadslid, de gemeentesecretaris en de directeur gemeentewerken) zowel Plas als één van de overige aannemers om hun offerte op bepaalde punten aan te passen en een prijsopgave te doen. De prijsopgave die Plas vervolgens deed, bleek de laagste te zijn. Om deze reden besloot het college van Burgemeester en Wethouders te kiezen voor Plas. Door de burgemeester werd aan Plas medegedeeld dat de bouw van het zwembad aan haar gegund werd, op voorwaarde van goedkeuring door de gemeenteraad en behoudens enige aanpassingen van details. Uiteindelijk werd de overeenkomst echter gegund aan een aannemer die met een lagere offerte kwam dan die van Plas. Deze aannemer was bij de oorspronkelijke offertes helemaal niet betrokken geweest en had zich pas na de herziene offerte van Plas bij de gemeente gemeld. Plas vorderde van de gemeente een schadevergoeding \mil./. 130 000 (f 60 000 voor gemaakte kosten en f 70 000 voor gederfde winst) op grond van onrechtmatig handelen c.q. van een toerekenbare tekortkoming.
De Rb. Arnhem veroordeelde daarop de gemeente Valburg tot betaling vanf 130 000. Door de bouw niet aan Plas te gunnen, handelde de gemeente in strijd met de goede trouw, die de verhouding van partijen in de precontractuele fase beheerst. In hoger beroep bij het Hof Arnhem voerde de gemeente (onder meer) aan dat de schadevergoedingsplicht als gevolg van een gedraging in strijd met de goede trouw in een precontractuele verhouding niet mede de vergoeding van gederfde winst kan omvatten. Deze grief achtte het hof gegrond: de genoemde schadevergoedings-plicht gaat niet verder dan gemaakte kosten en schade die Plas niet geleden zou hebben ware de precontractuele verhouding niet ontstaan. Naar huidige opvattingen kwam dit dus neer op vergoeding van louter het negatief contractsbelang.
De Hoge Raad oordeelde dat
"niet uitgesloten is dat onderhandelingen over een overeenkomst in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken zelf van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden als in strijd met de goede trouw moet worden geacht, omdat partijen over en weer mochten vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren. In zo een situatie kan (cursivering MR) er ook plaats zijn voor een verplichting tot vergoeding van gederfde winst".
Bovendien overwoog de Hoge Raad dat een verplichting tot vergoeding van in het kader van de voorafgaande onderhandelingen gemaakte kosten zelfs zou kunnen bestaan:
"als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zouden zijn geraakt dat de gemeente te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wel in een stadium dat zulk afbreken haar in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door Plas gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen."
Het gaat hier om een opmerkelijke beslissing, zeker wanneer we deze uitspraak in rechtsvergelijkend perspectief bezien. Niet bijzonder is dat het afbreken van onderhandelingen in de precontractuele fase onder bepaalde omstandigheden tot aansprakelijkheid van de afbrekende partij leidt. Een dergelijke regel gold, zij het soms op verschillende grondslagen, ook in het Duitse en Franse recht, in het recht van andere continentaal-Europese landen (België, Italië, Spanje, Portugal, Griekenland, Zwitserland, Oostenrijk, Scandinavische landen) en in zekere mate ook in de common law-jurisdicties. Dat deze aansprakelijkheid kan leiden tot een verplichting tot schadevergoeding, die, zoals vaak wordt betoogd (en, naar inmiddels moet worden aangenomen, door de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg ook is bedoeld), mede de gederfde winst omvat uit het (niet tot stand gekomen) contract waarover onderhandeld werd, is wel opmerkelijk.2 In het Franse recht kan het te kwader trouw afbreken van onderhandelingen louter leiden tot een delictuele aansprakelijkheid, die zich beperkt tot de schade die zou zijn uitgebleven indien partijen nooit in onderhandeling zouden zijn getreden. Soortgelijke regelingen gelden ook in het Engelse en het Duitse recht. De Duitse jurist Von Bar concludeert zelfs dat het "iure communi europeo" is dat schadevergoeding ter zake van het te kwader trouw afbreken van onderhandelingen, beperkt is tot het negatief contractsbelang.3