Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.3.2.3:3.4.3.2.3 Aan- en verkoopkosten
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.3.2.3
3.4.3.2.3 Aan- en verkoopkosten
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630550:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 december 1985, nr. 23 159, BNB 1987/187.
HR 17 oktober 2990, nr. 26 763, BNB 1990/336.
Berkhout 2015.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de directe opbrengstwaarde is bepaald, komt vervolgens de vraag op of nog rekening moet worden gehouden met de aan- en verkoopkosten. Het belang van deze vraag blijkt uit het volgende voorbeeld.
Aankoopprijs
€
100.000
Aankoopkosten (6%)
€
6.000
Waardering
€
106.000
Wev sfeerovergang
€
110.000
Fictieve aankoopkosten (6%)
€
6.600
Waardering openingsbalans
€
116.600
Vervreemding
€
120.000
Waardemutatie
€
20.000
Kosten
€
6.000
Gerealiseerd voordeel
€
14.000
Uitgaan van fictieve aankoopkosten op het moment van de sfeerovergang
Toerekenbaar aan de onbelaste periode
€
10.600
Toerekenbaar aan de belaste periode
€
3.400
Uitgaan van de wev zonder de fictieve aankoopkosten op het moment van de sfeerovergang
Toerekenbaar aan de onbelaste periode
€
4.000
Toerekenbaar aan de belaste periode
€
10.000
In HR 7 juni 1978, nr. 18 857, BNB 1978/185 heeft de Hoge Raad voor de toepassing van de onroerendezaakbelasting beslist dat voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer geen rekening moet worden gehouden met de verkoopkosten:
‘indien ter bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerend goed wordt gelet op verkoopprijzen van vergelijkbare onroerende goederen, slechts dan een juiste maatstaf wordt aangelegd, indien daarbij de invloed van de kosten van overdracht steeds wordt uitgeschakeld, en wel doordat, indien een verkoopprijs mede een vergoeding omvat voor door de verkoper te dragen kosten van overdracht, met dat gedeelte van de koopprijs evenmin rekening wordt gehouden als in het omgekeerde geval met de kosten van overdracht welke boven de koopprijs voor rekening van de koper komen.’
Bij de waardering in het kader van goed koopmansgebruik (waar moet worden gekeken naar de bedrijfswaarde) heeft de Hoge Raad beslist dat bij de bepaling van de bedrijfswaarde moet worden uitgegaan van de marktwaarde plus de overdrachtskosten:1
‘Die marktwaarde dient echter ter bepaling van de bedrijfswaarde der onroerende goederen nog verhoogd te worden met overdrachtskosten, aangezien bij overneming van de gehele onderneming die kosten boven de marktwaarde tevens voldaan zouden dienen te worden. Nu overdrachtskosten bij verkrijging van onroerende goederen relatief niet onbelangrijk zijn, mogen deze kosten bij het bepalen van de bedrijfswaarde niet worden verwaarloosd.’
Uit dit arrest blijkt dat de kosten invloed hebben op de bedrijfswaarde, maar de marktwaarde is de waarde zonder de overdrachtskosten. Beide waarderingen (bedrijfswaarde en de marktwaarde) zijn door de Hoge Raad genoemd als waarderingsmethode voor de fiscale openingsbalans.
Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer voor het successierecht mogen op de verkoopprijs van een tot de nalatenschap behorende onroerende zaak de makelaarskosten niet in mindering worden gebracht:
‘De waarde in het economische verkeer als bedoeld in artikel 21, lid 1, van de Wet is voor goederen waarvoor, zoals ook in het onderhavige geval, een markt bestaat, gelijk aan de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor het goed meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed. Hiermee strookt niet om op die veronderstelde prijs in mindering te brengen kosten die zouden moeten worden gemaakt om die verkoopprijs te realiseren.’
Ook bij de overbrenging van vermogensbestanddelen naar privé, dient geen rekening te worden gehouden met de aankoopkosten:2
‘4.4. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het pand, welke waarde gelijk is aan de prijs die op de datum van de overbrenging naar het prive-vermogen bij aanbieding van het pand ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed, dienen de overdrachtskosten – die immers voor rekening van de koper plegen te komen – buiten beschouwing te blijven.’
Berkhout is van mening dat onder marktwaarde de waarde wordt begrepen van een goed zoals dat wordt geschat zonder rekening te houden met aan- of verkoopkosten. Deze kosten en belastingen hebben wel invloed op de waarde, maar mogen niet in de marktwaarde worden betrokken. Voor de waarde in het economische verkeer blijven de overdrachtskosten zijns inziens eveneens buiten beschouwing. Verkoopkosten worden niet op de verkoopprijs in mindering gebracht.3
De Hoge Raad lijkt bij de waardering van de vermogensbestanddelen op de fiscale openingsbalans de nadruk te leggen op het kopersperspectief. In BNB 2016/139, heeft de Hoge Raad aangegeven dat het opnemen op de fiscale openingsbalans moet worden gelijkgesteld met de verwerving op die datum van een derde. In dat geval zou het logisch zijn om de (fictieve) kosten koper op het moment van sfeerovergang wel mee te nemen. Mijns inziens dient BNB 2016/139 echter niet zo ruim te worden geïnterpreteerd. De Hoge Raad heeft hiermee immers alleen een algemene regel gegeven over de waardering en zich niet expliciet uitgelaten over de verwerking van aan- en verkoopkosten. Bovendien past die uitleg niet binnen de context van de fiscale openingsbalans en staat dit op gespannen voet met de andere jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent waardering op waarde in het economische verkeer. Als wel van deze fictieve kosten zou moeten worden uitgegaan, dan zou dat tot gevolg hebben dat in het aangehaalde voorbeeld aan de belaste periode slechts een voordeel van € 3.400 wordt toegerekend, terwijl de waardemutatie in die periode € 10.000 is. Het zuiverst zou zijn om de daadwerkelijk betaalde aankoopkosten ad € 6.000 op basis van gebruik toe te rekenen aan de onbelaste cq. belaste periode. Dit kan echter wel tot praktische uitvoeringsproblemen leiden, bijvoorbeeld als er een relatief lange periode zit tussen het moment van aankoop en het moment van sfeerovergang.