Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/5.2.2.2
5.2.2.2 Retentie
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor dit laatste § 5.3.4 over herhaald ondervragen.
Van Koppen & Wagenaar 2010, p. 281.
Gray 2002, p. 346.
Gray 2002, p. 347. Zie ook Wessel & Wolters 2010, p. 456.
Deze twee factoren hangen overigens met elkaar samen. Hoe langer de retentietijd hoe meer mogelijkheden tot opname van post-hocinformatie en beïnvloeding van buitenaf.
Horselenberg e.a. 2010, p. 492 en Wessel & Wolters 2010, p. 465.
Wessel & Wolters 2010, p. 465.
Horselenberg e.a. 2010, p. 488.
Wessel & Wolters 2010, p. 465.
Gray 2002, p. 351.
Rassin 1998, p. 78-79.
Zie over hervonden herinneringen: Merckelbach e.a. 2010, p. 539-560.
Rassin & Candel 2010, p. 516 en Wessel & Wolters 2010, p. 461.
Gray 2002, p. 354.
Rassin 2005, p. 48 en 54.
Rassin 2005, p. 47-48.
Rassin 2005, p. 48. Zie ook Van Koppen & Wagenaar 2010, p. 282.
De retentie betreft het bewaren van de informatie nadat deze is opgeslagen in het geheugen. De retentietijd (de tijd tussen het waarneming en het ophalen van de herinnering) is van invloed op de kwaliteit van de herinnering. Naarmate de tijd verstrijkt, neemt de accuratesse van de geheugenindruk af tenzij de informatie frequent wordt teruggehaald.1 De eerste uren gaat de meeste informatie verloren, daarna wordt het per tijdseenheid steeds minder.2 De mate waarin de geheugenindruk afneemt, verschilt echter enorm en is onder meer afhankelijk van het type informatie dat is opgeslagen en de grondigheid waarmee die informatie aanvankelijk is ingeprent.3 Op het moment dat informatie niet meer kan worden teruggehaald, spreken we van vergeten. Echter, de wetenschap is er nog niet over uit of dat betekent dat de informatie zelf verloren is gegaan of dat de toegang ontbreekt doordat het geheugenspoor is verdwenen.4
Naast tijd kan ook de kennisname van post-hoc-informatie een negatief effect hebben op het geheugenproces.5 Bij post-hoc-informatie kan worden gedacht aan kennisname van informatie via de (sociale) media of gesprekken met andere getuigen. Als getuigen met elkaar gaan praten over het delict of daarover lezen, kunnen zij de informatie afkomstig van anderen als onderdeel van hun eigen waarneming gaan beschouwen. Ook in de wijze waarop aan ervaringen betekenis wordt gegeven, zijn mensen gevoelig voor informatie die door anderen wordt aangedragen. Er kan in dit verband een sterke mate van sociale beïnvloeding optreden die ook wel wordt aangeduid als collaborative storytelling. Dit gebeurt wanneer mensen intensief met elkaar spreken over hun ervaringen en uiteenlopende interpretaties versmelten tot een gezamenlijk verhaal over wat er is of moet zijn gebeurd.6Collaborative storytelling op basis van geruchten kan leiden tot volledig ongefundeerde beschuldigingen van bijvoorbeeld seksueel misbruik, waarbij ouders elkaar beïnvloeden, kinderen onder druk worden gezet en elk signaal wordt geïnterpreteerd als bewijs dat zich misbruik heeft voorgedaan.7
Niet alleen informatie die wordt aangedragen door anderen kan leiden tot vervorming van het geheugen. Ook eigen ervaringen van de getuige kunnen dit effect hebben. Tijdens de retentieperiode kunnen delen van de opgeslagen informatie worden vervangen door informatie uit andere ervaringen.8 Oude en nieuwe informatie raken met elkaar vermengd waarbij de kans groot is dat de getuige latere informatie niet meer kan scheiden van informatie die eerder is waargenomen. Indien een gebeurtenis zich bij herhaling heeft voorgedaan, zal de getuige zich de details van de verschillende gebeurtenissen minder goed kunnen herinneren dan als het een incidentele gebeurtenis betreft.9 Ook wanneer een verhaal bij herhaling wordt verteld, wordt het lastiger om te onderscheiden welke elementen aanwezig waren ten tijde van de waarneming en welke later zijn toegevoegd.10
Het voorgaande illustreert dat mensen relatief eenvoudig onjuiste informatie opnemen in hun geheugen die niet overeenkomt met de waarneming van de oorspronkelijke gebeurtenis. Het komt ook voor dat mensen zich gebeurtenissen herinneren zonder dat deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en zonder dat daar een waarneming aan ten grondslag ligt.11 Hervonden herinneringen van seksueel misbruik in therapiesessies zijn hier een berucht voorbeeld van. In de jaren tachtig en negentig waren er in de Verenigde Staten talloze vrouwen die er in therapie van overtuigd raakten dat zij slachtoffer waren geweest van seksueel misbruik maar deze herinneringen hadden verdrongen. Zij werden bij herhaling aangemoedigd om zich bepaalde gebeurtenissen voor te stellen, waarna ze zich deze gebeurtenis soms ook daadwerkelijk gingen herinneren.12
Het optreden van geheugenfouten of het ontstaan van pseudoherinneringen door kennisname van post-hoc-informatie valt te herleiden tot het beperkte vermogen van het menselijk geheugen om informatie toe te schrijven aan de juiste bron (source monitoring).13 Het brein reorganiseert informatie zo dat deze later eenvoudig kan worden teruggehaald, waarbij verschillende stukjes informatie met elkaar worden verbonden op zodanige wijze dat hier betekenis aan kan worden ontleend maar waarbij de relaties tussen elk afzonderlijk stukje informatie en de oorspronkelijke bron wordt verhuld.14 In het dagelijks functioneren is namelijk meestal alleen belangrijk om de informatie zelf te herinneren en niet waar deze van afkomstig is.15 Indien een geheugenindruk wordt geattribueerd aan de verkeerde bron, dan wordt wel gesproken van bronamnesie of bronverwarring. Een ingebeelde situatie wordt ten onrechte aangezien voor een authentieke ervaring of latere ervaringen worden verward met de oorspronkelijke ervaring. Bronverwarring treedt overigens niet alleen op bij kennisname van informatie achteraf. Herinneringen kunnen ook beïnvloed worden door factoren aanwezig ten tijde van de opslag. Het zogeheten verbal labelling-effect is daar een voorbeeld van. Op het moment dat een visuele stimulus gepaard gaat met verbale informatie, kan de herinnering aan de verbale informatie de visuele herinnering vertekenen.16 Een ander voorbeeld is het zogenoemde bystander-effect, waarbij een onschuldige omstander bij het delict later wordt aangewezen als de dader omdat deze ten onrechte als zodanig wordt herkend.17