Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.1.5.1
7.1.5.1 Internationale rechtshulp
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616712:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927, NJ 2002/580 en HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5359.
Vgl. HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 (uitlevering aan bij EVRM aangesloten land) en HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1537 (uitlevering aan VS).
Vgl. HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2882, NJ 2002/244 en HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1537.
Vgl. HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3324, NJ 2001/618; HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4290 en HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1537.
Zie HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9545 en HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BT1875. Deze maatstaf brengt mijns inziens mee dat bijvoorbeeld ook de vaststelling dat het bewijs enkel bestaat uit door marteling verkregen verklaringen aan het verlenen van een verlof tot tenuitvoerlegging in de weg kan staan. Daarom zie ik enige spanning met de in dit licht iets te hermetische bewoordingen in HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9056 dat het de exequaturrechter niet vrij staat ‘te treden in de beoordeling van de vraag of zich onrechtmatigheden hebben voorgedaan in het voorbe reidend onderzoek, omdat die beoordeling is voorbehouden aan de buitenlandse rechter’, ook al is dat in beginsel juist.
Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op de verschillende procedures in het kader van de internationale rechtshulp. De combinatie van het belang van een vlotte internationale samenwerking gebaseerd op wederzijds vertrouwen en de omstandigheden dat het inhoudelijke zwaartepunt van de procedure in een ander land ligt, terwijl de rechterlijke toetsing meestal een vrij digitaal karakter heeft – de rechter kan het verzoek toestaan of weigeren – brengen mee dat de lat om een verzoek te weigeren wegens vormfouten in het voorbereidend onderzoek heel hoog ligt.
Zo geldt volgens de rechtspraak van de Hoge Raad bij de beoordeling van op een verdrag gegronde verzoeken ex art. 552p Sv dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien, indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag of de wet, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht. 1
Ook in uitleveringszaken ligt de lat heel hoog. Een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet volgens de Hoge Raad slechts dan wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten uit dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en in dat geval voorts (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk.2 De rechter die oordeelt over de toelaatbaarheid van de uitlevering komt in beginsel geen oordeel toe over de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal dat de verzoekende staat ter staving van de verdenking bij het verzoek tot uitlevering overlegt.3 Ook niet indien het bewijs in Nederland op grond van aan de verzoekende staat verleende rechtshulp is vergaard. Dit zou volgens de Hoge Raad slechts anders kunnen zijn, indien zou blijken dat de opgeëiste persoon door de uitlevering het risico zou lopen te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht.4 De controle door de uitleveringsrechter op vormfouten in het voorbereidend onderzoek is dus marginaal. Datzelfde geldt in de WOTS-procedure. In zijn rechtspraak daarover heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat de exequaturrechter bij zijn beslissing moet uitgaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter, zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming. Dit kan slechts anders zijn indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. 5