Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.7
5.7 Rechtsvergelijking
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346789:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.6.
Zie par. 5.5.
De Page & Dekkers 1974, nr. 1408, 1419C; Dekkers/Dirix 2005, nr. 291; De Decker 2012, p. 83.
Storme 2004, p. 659. Vergelijk: Puelinckx-Coene e.a. 2005, nr. 271; Dekkers/Casman 2010, nr. 738; Snaet & Verbeke 2011, p. 69.
Dekkers/Casman 2010, nr. 738. Vergelijk: Storme 2004, p. 659; Puelinckx-Coene e.a. 2005, nr. 271; Snaet & Verbeke 2011, p. 69.
Vergelijk art. 888 BBW.
Dekkers/Casman 2010, nr. 736.
Bijvoorbeeld art. 883 BBW.
Over de mate waarin het aantal deelgenoten moet afnemen bestaat verschil van opvatting. Zie de hierboven weergegeven opvattingen over de vraag in welke mate als rechtsgevolg van verdeling exclusiviteit wordt vereist.
De Decker 2012, p. 86; Zie ook: Snaet & Verbeke 2011, p. 69; Dekkers/Casman 2010, nr. 736-737; Puelinckx-Coene e.a. 2005, nr. 271.
De Decker 2012, p. 86. Zie ook: Cass. 15 januari 1847, Pas. 1847, I, p. 502 e.v.; Cass. 6 juni 1850, Pas. 1851, I, p. 144 e.v.
Voor Nederlands recht kan worden aangenomen dat een verminderde mate van onverdeeldheid wordt bepaald door de vermindering van het aantal tot ten minste een goed van de gemeenschap gerechtigde deelgenoten.1 De exclusiviteitseis voor verkrijging krachtens verdeling wordt daarmee beperkt tot het niveau waarop als gevolg van de verkrijging krachtens verdeling de groep van deelgenoten wordt onderscheiden in verkrijgende en niet-verkrijgende deelgenoten.2 De opvatting dat eveneens als exclusiviteitseis heeft te gelden dat elk van de verkrijgende deelgenoten met uitsluiting van de overige (andere goederen verkrijgende) deelgenoten voor het geheel gerechtigd wordt tot een of meer gemeenschapsgoederen, vindt geen steun in het Nederlandse recht. Het bovenstaande heeft daarbij betrekking op iedere rechtshandeling die overeenkomstig het wettelijke verdelingsbegrip als verdeling moet worden aangemerkt; het gaat hierbij om zowel de verdeling in strikte zin als de verdeling anders dan in strikte zin, zoals een op grond van het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW als verdeling aan te merken koop of schenking.
In de Belgische rechtsleer zijn er over verdeling verschillende opvattingen met betrekking tot het voor verdeling vereiste rechtsgevolg. Zo wordt enerzijds verdedigd dat als rechtsgevolg van verdeling heeft te gelden dat een deelgenoot met uitsluiting van de andere deelgenoten – dus exclusief – tot een goed van de gemeenschap wordt gerechtigd.3 Bij een dergelijke opvatting wordt kennelijk tot uitgangspunt genomen dat bij de bepaling van de mogelijkheden om krachtens verdeling te verkrijgen – anders dan naar Nederlands recht – op de beide hiervoor bedoelde niveaus exclusiviteit is vereist. Anderzijds wordt verdedigd dat het voor het rechtsgevolg van verdeling wezenlijk is dat het aantal tot de gemeenschap gerechtigde personen vermindert,4 zonder de noodzaak dat de verdeling de onverdeeldheid geheel doet eindigen.5 In deze opvatting lijkt het exclusiviteitsvereiste te worden beperkt tot die in de eerstbedoelde zin, gelijk voor het Nederlandse recht kan worden aangenomen.
Naar Belgisch recht wordt er naast de rechtshandeling van verdeling een categorie ‘met verdeling gelijk te stellen handelingen’ onderscheiden.6 Hierbij kan – onder de voorwaarde(n) als hieronder aangegeven – worden gedacht aan rechtshandelingen zoals koop en schenking.7 Waar dergelijke met verdeling gelijk te stellen rechtshandelingen naar huidig Nederlands recht onder het wettelijke verdelingsbegrip van art. 3:182 BW worden gebracht (en ten gevolge daarvan als verdeling worden aangemerkt), geldt naar Belgisch recht dat dergelijke rechtshandelingen van verdeling worden onderscheiden. Naar Belgisch recht worden dergelijke rechtshandelingen evenwel aan verdeling gelijkgesteld in die zin dat bepaalde op verdeling van toepassing zijnde artikelen mede daarop van toepassing worden verklaard.8 Over de voorwaarden waaronder dit het geval is wordt echter van mening verschild. Zo kunnen binnen de categorie van met verdeling gelijk te stellen handelingen een tweetal opvattingen worden onderscheiden. Volgens de ‘moderne leer’ kan er sprake zijn van een met verdeling gelijk te stellen handeling indien ten gevolge van de uitvoering daarvan zowel het aantal deelgenoten afneemt9 als alle deelgenoten bij deze rechtshandeling betrokken zijn.10 Volgens de ‘oude leer’ – een leer die teruggaat op enkele oude arresten van het Hof van Cassatie – geldt enkel als eis dat het aantal gerechtigden tot een goed dient te verminderen (en derhalve niet de eis dat alle deelgenoten dienen mee te werken).11
Concluderend kan worden gesteld dat de Belgische rechtsleer als geheel genomen op het hier aan rechtsvergelijking onderworpen onderdeel van de maatstaf voor verdeling een diffuus beeld laat zien. Waar de Belgische rechtsleer enerzijds aandacht heeft voor het rechtsgevolg dat verdeling in zijn essentie kenmerkt, ontbreekt het in diezelfde rechtsleer anderzijds aan een eenduidige afbakening daar waar het gaat om de vraag of – naar de hierboven gebruikte terminologie – alleen de eerste of de beide exclusiviteitseisen op de rechtsfiguur van verdeling van toepassing zijn. Slechts de opvatting dat niet vereist is dat de verdeling de onverdeeldheid geheel doet eindigen, komt overeen met hetgeen hierboven voor Nederlands recht is aangenomen.