Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.5.8.1
7.7.5.8.1 Aanvang belaste verhuur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291271:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 februari 1992, nr. 27.436, BNB 1992/149, r.o. 3.3. In gelijke zin: B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 263, D.B. Bijl, Onroerend goed omzetbelasting en overdrachtsbelasting, Deventer: Kluwer 1998, p. 120 en R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 108.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.3.3.
Paragraaf 23 lid 6 van bijlage D bij de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 29 oktober 1968, nr. 120 (OB/BTW-14), gepubliceerd bij de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 8 november 1968, nr. D68/7220 (Toelichting Onroerende goederen), ingetrokken bij besluit Staatssecretaris van Financiën van 10 april 1996, nr. VB96/354, V-N 1996/1652, 28.
Resolutie Staatssecretaris van Financiën 26 juli 1977, nr. 277-11 169, FutD 14 augustus 1986, ingetrokken bij besluit Staatssecretaris van Financiën van 10 april 1996, nr. VB96/354, V-N 1996/1652, 28. In deze resolutie werd goedgekeurd dat de ingangsdatum van de belaste verhuur in bepaalde situaties terugging tot het vierde kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek was ingediend.
Besluit Staatssecretaris van Financiën 24 september 1997, nr. VB97/1668, V-N 1997/3863, 23.
O.L. Mobach, ‘Opties bij vastgoed vereenvoudigd’, BTW-bulletin 2008/77.
In de bewoordingen van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB (‘hebben gekozen’ respectievelijk ‘hebben gedaan’) en de formele voorwaarde in art. 6a lid 1 Uitv.besch. OB dat de gezamenlijke keuze voor belaste verhuur blijkt uit de schriftelijke huurovereenkomst of het bij de inspecteur ingediende optieverzoek (zie paragraaf 7.7.5.7.2), ligt besloten dat de ingangsdatum van de belaste verhuur niet kan zijn gelegen vóór de datum waarop partijen belaste verhuur schriftelijk zijn overeengekomen of een optieverzoek bij de inspecteur hebben ingediend.1 De Staatssecretaris van Financiën keurt niettemin goed dat de inspecteur de in het optieverzoek of de schriftelijke huurovereenkomst genoemde eerdere ingangsdatum volgt, mits deze datum niet meer dan drie maanden ligt vóór de datum waarop de keuze voor de belaste verhuur schriftelijk is vastgelegd respectievelijk het optieverzoek is ingediend.2 Deze goedkeuring gold reeds onder vigeur van de Tweede Richtlijn.3 De ratio van deze goedkeuring was oorspronkelijk om ‘enige vertraging bij het indienen van het optieverzoek te herstellen’.4 Na de wijziging van de optieregeling met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995, 18.00 uur is als voorbeeld genoemd dat een verklaring bij het optieverzoek moet worden gevoegd waarin de huurder verklaart dat hij voldoet aan de 90%-eis.5
Het is de vraag of dit ‘vertragingsprobleem’ in de praktijk nog speelt. In de praktijk komt het niet of nauwelijks meer voor dat een optieverzoek wordt ingediend (zie paragraaf 7.7.5.7.2). Daarnaast is het bij een keuze voor belaste verhuur in de schriftelijke huurovereenkomst in de praktijk gebruikelijk dat de verklaring van de huurder dat hij aan de 90%-eis voldoet niet als een bijlage bij de huurovereenkomst wordt gevoegd, maar in de huurovereenkomst zelf staat. De ‘90%-verklaring’ van de huurder zal in dat geval niet tot vertraging leiden. Niettemin kan dit beleid wel uitkomst bieden bij een vertraging van het opstellen van de schriftelijke huurovereenkomst en/of de ondertekening daarvan. In de praktijk komt het meer dan eens voor dat de ondertekening van de schriftelijke huurovereenkomst door de verhuurder en/of de huurder pas plaatsvindt nadat de huurder het onroerend goed al is gaan huren.6 In die situatie is het naar mijn mening een goede zaak dat niet onnodig formalistisch wordt gedaan en – mits voldaan wordt aan de driemaandentermijn – aangesloten wordt bij de ingangsdatum van de belaste verhuur.