Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.3:2.4.3 Aanpassingen Boek I Titel VII Wetboek van Strafrecht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.3
2.4.3 Aanpassingen Boek I Titel VII Wetboek van Strafrecht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946078:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1967, 377.
De wetgever verkoos de term ‘begaan’ boven de term ‘gepleegd’ om duidelijker te doen uitkomen dat het klachtvereiste geldt voor alle deelnemingsvormen. Zie: Kamerstukken II 1981-1982, 17 337, nr. 5, p. 4.
Kamerstukken II 1981-1982, 17 337, nr. B, p. 3 en Kamerstukken II 1981-1982, 17 337, nr. C, p. 6.
Stb. 1985, 115.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadien volgt in 1985 aanpassing van titel VII van boek I van het Wetboek van Strafrecht, waarin (een deel van) de regeling van klachtdelicten is neergelegd. De aanleiding hiervoor is gelegen in een wetswijziging die ziet op de relatie tussen het klachtrecht en geheimhoudingsplichten. Het schenden van geheimhoudingsplichten uit hoofde van ambt of beroep is sinds 1886 in art. 272 Sr strafbaar gesteld en betreft een klachtdelict. In 1967 is daaraan toegevoegd het schenden van geheimen vanwege ‘wettelijk voorschrift’.1 Hiermee werd unificatie beoogd van de strafbaarstelling van geheimhoudingsplichten die tot dan toe waren vervat in vele verschillende bijzondere wetten. De toevoeging aan art. 272 Sr bracht met zich dat ook de vervolging van schending van de geheimhoudingsplicht die volgt uit art. 36 Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag van een klacht afhankelijk was geworden. Hierover zijn in 1979 Kamervragen gesteld en uiteindelijk werd onwenselijk geacht dat vervolging van dit feit klachtafhankelijk was. Dit leidde tot het idee het klachtvereiste in lid 2 van art. 272 Sr aan te passen (bijvoorbeeld door dit lid van uitzonderingen te voorzien), maar nadere bestudering van de materie heeft de minister van Justitie ertoe gebracht hiervan af te zien. De minister verwijst naar het grondbeginsel dat sinds 1886 aan klachtdelicten ten grondslag ligt: de zienswijze dat het bijzonder belang groter nadeel kan lijden door het instellen dan het openbaar belang door het niet instellen van de strafactie. In de memorie van toelichting zegt de minister hierover: ‘Deze regeling acht ik in het algemeen nog steeds juist.’2 Om die reden is ervoor gekozen in specifieke geheimhoudingsbepalingen in bijzondere wetten uitzonderingen op te nemen en art. 272 lid 2 Sr ongewijzigd te handhaven. Dit zou het voordeel bieden dat de aan art. 272 lid 2 Sr ten grondslag liggende belangenafweging – die inhoudt dat het publieke belang bij vervolging ondergeschikt is aan de persoonlijke belangen van de persoon wiens geheim het betreft – als uitgangspunt blijft gehandhaafd.
Het is op zichzelf bezien een belangrijke vaststelling dat honderd jaar na dato het beginsel dat ten grondslag ligt aan het klachtvereiste wordt onderschreven en dat kennelijk de wens bestaat daaraan niet te tornen. Het wetsvoorstel is voor de regeling van klachtdelicten des te gewichtiger, omdat het leidde tot een herziening van Titel VII van Boek I van het Wetboek van Strafrecht. Minister van Justitie De Ruiter was voornemens de problematiek ten aanzien geheimhoudingsplichten in 1981 te corrigeren en hij maakte van de gelegenheid gebruik om titel VII van Boek I van het Wetboek van Strafrecht te herschrijven. Die titel zou volgens De Ruiter enkele leemten vertonen.3
Eerder in dit hoofdstuk is gesignaleerd dat Titel VII van Boek I sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 aanving met een artikel waarin de vertegenwoordigingsregeling was vervat en dat zodoende de primair klachtgerechtigde onbenoemd bleef. Deze lacune verdween met het nieuwe art. 64 Sr waarin werd neergelegd dat degene tegen wie het feit is begaan klachtgerechtigd is.4 In de memorie van toelichting ten behoeve van de wijziging van titel VII wordt daarbij specifiek aandacht besteed aan de delicten schaking en aantasting van de goede naam van een overledene, omdat in die strafbepalingen specifieke personen zijn aangewezen die klachtgerechtigd zijn. Volgens De Ruiter zijn dit de personen ‘die moeten worden beschouwd als degenen tegen wie het feit is begaan.’ Hun klachtrecht zou niet derogeren aan de (vertegenwoordigings)regeling in titel VII.5 Het gaat dus om direct benadeelden die primair klachtgerechtigd zijn. Het betreft volgens De Ruiter een nadere invulling van art. 64 Sr en het betreft geen speciale vertegenwoordigingsbevoegdheid.6
De toevoeging van een nieuw art. 64 Sr leidt er ook toe dat de vertegenwoordigingsregeling is overgeheveld naar lid 1 van het geredigeerde art. 65 Sr. Daarbij is de enige noemenswaardige wijziging dat bij de beoordeling van een klacht die door een vertegenwoordiger van een minderjarige is ingediend, de leeftijd van de minderjarige ten tijde van het indienen van de klacht leidend is en niet diens leeftijd op het moment dat het delict is gepleegd. Ik sluit mij aan bij de gedachte van de wetgever dat dit meer in lijn is met de idee achter een vertegenwoordigingsregeling. Het gaat erom of de persoon ten tijde van het doen van de klacht het vermogen heeft te beoordelen of hij of zij is gebaat bij een klacht.
In het tweede en derde lid van art. 65 Sr zijn klachtgerechtigden aangewezen voor de situatie dat de (primair ) klachtgerechtigde is overleden en indien de klacht moet geschieden tegen de wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken van die klachtgerechtigde. Die bepalingen verschillen inhoudelijk niet van het tot dan toe geldende recht. In de wet was echter geen rekening gehouden met de situatie dat de aangewezen vertegenwoordiger zelf evenmin de leeftijd van 16 jaren had bereikt of vanwege ondercuratelestelling of een geestelijke stoornis niet in staat is andermans belangen te behartigen. Die leemte is hersteld door een nieuw vierde lid aan art. 65 Sr toe te voegen waarin de vertegenwoordiger in burgerlijke zaken van een op bovenvermelde gronden niet in staat geachte vertegenwoordiger als klachtgerechtigde wordt aangemerkt. Het betreft als het ware een ‘vangnetvertegenwoordigingsregeling’.
De termijn waarbinnen een klacht kan worden ingediend blijft geregeld in art. 66 Sr. De langere termijn in geval van een verblijf buiten Europa is echter door technologische vooruitgang ingehaald en komt om die reden te vervallen. Voorts wordt in het tweede lid van art. 66 verankerd dat indien de termijn voor indiening van een klacht eenmaal is aangevangen deze zonder verlenging doorloopt. Het is voor de duur van die termijn irrelevant of het recht tot klagen tussentijds door de klachtgerechtigde of een vertegenwoordiger is verkregen, herkregen of verloren. De wet regelde voorheen slechts dat de klachttermijn zonder verlenging doorliep in geval een klachtgerechtigde overleed. De nieuwe wettelijke bepaling ziet op alle wijzigingen van klachtgerechtigden gedurende de termijn en komt de duidelijkheid dan ook ten goede. Een termijn die eenmaal is aangevangen, wordt eenvoudigweg niet tussentijds gestopt of verlengd.
Het wetsvoorstel heeft ook geleid tot een tweetal relevante wijzigingen buiten titel VII van Boek I. In art. 316 Sr is diefstal als klachtdelict geregeld en de bepaling van dit klachtrecht is op veel (vermogens)delicten van overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft een relatief klachtdelict, in die zin dat slechts een klacht is vereist indien een bepaalde (familiaire) band bestaat tussen de dader en het slachtoffer. De wetgever heeft met de toevoeging van een derde lid aan art. 316 Sr willen verduidelijken dat de klachttermijn bij deze vermogensdelicten pas aanvangt op de dag nadat de identiteit van de verdachte aan de klachtgerechtigde bekend is geworden. De bestolene kan immers wel weet hebben van het delict, maar zal veelal niet weten dat een familielid daarvoor verantwoordelijk was. Dat de termijn aanvangt bij het ontstaan van deze wetenschap is in lijn met de aan die termijn ten grondslag liggende gedachte dat de klachtgerechtigde daadwerkelijk de gelegenheid moet hebben zich te beraden over de wenselijkheid van de vervolging en dat bij die afweging de familiaire band tussen slachtoffer en dader een belangrijke rol kan spelen.
De tweede relevante wetswijziging die buiten titel VII van Boek I is gelegen betreft de invoering van art. 165a Sv. Deze strafvorderlijke bepaling verplicht het openbaar ministerie in beginsel de persoon te horen wiens wettelijke vertegenwoordiger een klacht heeft ingediend. In de memorie van toelichting is erop gewezen dat juist bij klachtdelicten de beslissing van het openbaar ministerie om te vervolgen de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige (of curandus) raakt en dat om die reden diens mening over de wenselijkheid van een vervolging gewicht in de schaal dient te leggen.7 De bepaling kan het openbaar ministerie in een lastig parket brengen indien de wettelijke vertegenwoordiger aanleiding ziet een klacht in te dienen, waarna de minderjarige te kennen geeft dat hij of zij geen prijs stelt op vervolging.
Opvallend genoeg is in de memorie van toelichting – met het oog op de in dergelijke gevallen te nemen vervolgingsbeslissing – geen woord gewijd aan deze situatie waarin het door de vertegenwoordiger uitgeoefende klachtrecht en het bij de vertegenwoordigde ingewonnen standpunt conflicteren. De wetsbepaling is op voorspraak van de Raad van State en onder verwijzing naar het Wetsvoorstel tot nadere regeling van het horen van minderjarigen in hun betreffende burgerlijke zaken aan het wetsvoorstel toegevoegd.8 In de toelichting op dat (op het privaatrecht geënte) wetsvoorstel heeft logischerwijs geen aandacht bestaan voor de publiekrechtelijke vervolgingsbeslissing die het openbaar ministerie dient te nemen. Op het eerste oog komt het niet onlogisch voor dat bij de vertegenwoordigde wordt geïnformeerd, maar de vraag is of dat het geval is. De plicht om de vertegenwoordigde te horen ontbeert toegevoegde waarde, indien diens mening overeenkomt met het handelen van de vertegenwoordiger. Waar het standpunt van de vertegenwoordigde verschilt van dat van de vertegenwoordiger is het de vraag in hoeverre het rechtens juist is daarmee rekening te houden. De vertegenwoordigingsregeling vindt haar legitimatie immers in het uitgangspunt dat de vertegenwoordigde zijn eigen belangen onvoldoende kan overzien en behartigen. Dit wordt door minister van Justitie Korthals Altes onderschreven bij de behandeling van onderhavig wetsvoorstel. In reactie op de vraag of de leeftijdsgrens van 16 jaar in art. 65 Sr dient te worden gehandhaafd, schrijft hij immers:
‘De afweging van belangen die ten grondslag ligt aan de beslissing tot het indienen van een klacht, vereist inzicht in de draagwijdte van die beslissing en de daaruit voortvloeiende consequenties. Van een minderjarige beneden de zestien jaar kan in de regel dat inzicht nog niet worden verwacht.’9
Het wetsvoorstel wordt aangenomen en treedt in werking op 1 april 1985.10 De wetswijziging is nuttig, omdat de regeling aangaande klachtdelicten op een aantal punten is verduidelijkt en leemten zijn gevuld. Ook is het van belang dat in de toelichting – bijna 100 jaar na de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht in 1886 – het aan het klachtvereiste ten grondslag liggende beginsel wordt bevestigd. Deze positieve ontwikkelingen laten onverlet dat met de invoering van art. 165a Sv onduidelijkheid is gecreëerd ten aanzien van de verhouding tussen een klacht die door een wettelijke vertegenwoordiger is ingediend en een daarmee conflicterend standpunt van de minderjarige vertegenwoordigde.