Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.2.2
7.2.2 De Aanvullingswet 1995
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS305218:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 747.
Parl. gesch. Boek 6, p. 747. Zie in dit verband ook art. 6:176 (aansprakelijkheid exploitant stortplaats voor schade wegens de door een stortplaats veroorzaakte milieuverontreiniging), in het bijzonder lid 5 dat bepaalt dat indien op een legale stortplaats een zaak ex art. 6:173 of stof ex art. 6:175 is gestort, de aansprakelijkheid uit deze artikelen rust op de in art. 6:176 genoemde exploitant van de stortplaats.
Zie par. 6.6.3.
Kamerstukken II 1992/93, 21202, 15, p. 1-2.
Zie par. 6.6.4.1 over het in art. 6:175 lid 1 aanvullen van de term ‘bedrijf’ met ‘beroep’.
‘Onder zich hebben’ moet worden begrepen als het feitelijk onder zich hebben c.q. het feitelijk in de macht hebben van een stof. Zie Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 9, alsook Bauw 2015, p. 49.
Vgl. Spier en Sterk 1995, p. 50: ‘Het doel van de aanvulling lijkt niet zozeer het introduceren van een nieuw, ruimer criterium maar het buiten twijfel stellen dat bepaalde situaties onder art. 6:175 BW vallen.’ Zie ook Bauw 2015, p. 49 die hier spreekt van het in bepaalde gevallen zeker stellen van de toepassing van art. 6:175.
In een later stadium, toen art. 6:181 al tot wet was verheven, is allereerst bevestigd dat de term ‘gebruik’ in art. 6:181 ‘ruim’ moet worden opgevat.1 Vervolgens leert de toelichting op de Aanvullingswet 1995 dat onder dit begrip mede kan worden begrepen: 2
‘het geval dat zaken zijn bestemd voor verkoop, of zijn opgeslagen voor toekomstige werkzaamheden of als al dan niet later af te voeren afval.’ (curs. AK)
Het onder zich hebben van een zaak met het oog op – de toelichting spreekt van ‘toekomstige werkzaamheden’ en – als logisch pendant – na afloop van het eigenlijke gebruik van de zaak, kan dus ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 opleveren. Ook spreekt de toelichting van activiteiten als het verkopen van zaken en het afvoeren van afval. Voor wat betreft verkoop rijst de vraag of alleen wordt gedoeld op het met het oog daarop onder zich hebben van zaken n á dat deze in het bedrijf zijn vervaardigd, bewerkt of verwerkt (lees: zijn ‘gebruikt’), of dat ook het enkele verkopen van zaken an sich al ‘gebruik’ ex art. 6:181 kan opleveren. Dit laatste lijkt enerzijds te passen bij activiteiten als verhuur en leasing, waarvan de toelichting lijkt te impliceren dat deze door art. 6:181 worden bestreken. Anderzijds, het enkele onder zich hebben met het oog op verkoop – denk aan de detaillist die een door een ander tot eindproduct vervaardigde zaak heeft ingekocht of aan een asiel waar dieren louter te koop worden aangeboden –, schuurt aan tegen het bewaren van zaken hetgeen de wetgever in beginsel juist buiten art. 6:181 heeft willen houden.3 Ten aanzien van het afvoeren van afval rijst de vraag of daarmee enkel wordt gedoeld op zaken die als zodanig binnen het bedrijf zijn vrijgekomen bij de vervaardiging, be- of verwerking van het eigenlijke product, dan wel dat het enkele onder zich houden van afval dat door een ander is geproduceerd ook onder ‘gebruik’ ex art. 6:181 valt. Het eerste vormt een bevestiging van de mogelijkheid dat ook het (nog) onder zich hebben van zaken n á dat zij zijn gebruikt voor ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 kan doorgaan. Het laatste geval wijst in de richting van een nog ruimere uitleg van het gebruiksbegrip, maar lijkt op gespannen voet te staan met het beginsel dat het enkele bewaren van zaken van art. 6:181 is uitgezonderd.4
Dat het enkele bewaren van zaken in beginsel niet onder het gebruiksbegrip van art. 6:181 valt, lijkt ook in het kader van de totstandkoming van de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (art. 6:175) tot uitdrukking te zijn gebracht. Aanvankelijk stonden in het ontwerp-BW de roerende zaken, opstallen, dieren en gevaarlijke stoffen in die zin op één lijn, dat de aansprakelijkheid rustte op de bezitter of de bedrijfsmatige gebruiker. Na het in 1983 bij de Stofkam-operatie schrappen van het ontwerp-artikel 6:175 uit het wetsvoorstel NBW (en in navolging daarvan ook uit art. 6:181), keerde deze aansprakelijkheid terug als onderdeel van de Aanvullingswet 1995. Wederom werd voorgesteld de aansprakelijkheid te leggen bij de bezitter of de in art. 6:181 bedoelde bedrijfsmatige gebruiker. Toen gedurende de parlementaire behandeling de aansprakelijkheid van de particuliere bezitter onder druk kwam te staan,5 werd ervoor gekozen de aansprakelijkheid op grond van art. 6:175 lid 1 te beperken tot:6
‘degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft.’ (curs. AK)
De toelichting vermeldt dat hiermee ‘in hoofdzaak’ de formulering van art. 6:181 wordt gevolgd – gebruik in de uitoefening van een bedrijf – maar ‘enige aanvulling’ heeft plaatsgevonden.7 Aan degene die een gevaarlijke stof ‘gebruikt’ is toegevoegd:8
‘degene die de stof in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf onder zich heeft. Dit valt ten dele reeds onder “in de uitoefening van een bedrijf gebruiken”, dat immers ruim moet worden uitgelegd, in het bijzonder met het oog op toekomstig gebruik of met het oog op afvoering als afval.’ (curs. AK)
Voor art. 6:175 geldt dus dat niet alleen het ‘gebruiken’ maar ook het enkele ‘onder zich hebben’ van een gevaarlijke stof binnen het bereik van de aansprakelijkheid valt.9 Ten aanzien van art. 6:181 komt wederom naar voren dat zijn gebruiksbegrip ‘ruim’ moet worden uitgelegd, alsmede dat daaronder ten dele ook valt het onder zich hebben van zaken. Door de vermelding van ‘met het oog op toekomstig gebruik’ en ‘met het oog op afvoering als afval’ lijkt de wetgever namelijk uit te drukken dat het gebruiksbegrip van art. 6:181 mede omvat het onder zich houden van zaken vóór en ná het (eigenlijke) ‘gebruik’ daarvan. In deze benadering ziet het ‘afvoeren als afval’ op zaken die bij de vervaardiging van een zaak als ‘bijproduct’ binnen het bedrijf zijn vrijgekomen, niet ook op het enkele bewaren van afval afkomstig van een ander. In die richting lijkt ook te wijzen hetgeen de toelichting nog vermeldt over de aanvulling van het gebruiksbegrip van art. 6:175 lid 1 met het ‘onder zich hebben’ van een gevaarlijke stof”:10
‘De onderhavige toevoeging stelt buiten twijfel dat geen verband met gebruik van de stof behoeft te bestaan.’ (curs. AK)
Waar het enkele ‘onder zich hebben’ van een gevaarlijke stof al voldoende is als aanknopingspunt voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:175, is dat voor art. 6:181, waarin enkel van het ‘gebruik’ van de zaak wordt gesproken, op zijn minst twijfelachtig.11 De toelichting lijkt te impliceren dat het ‘sec’ bewaren van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken niet wordt bestreken door art. 6:181. Voor aansprakelijkheid op grond van deze bepaling lijkt, in tegenstelling tot art. 6:175, steeds een zeker verband met een ‘gebruik’ van de zaak noodzakelijk te zijn. Daarmee valt het enkele bewaren (en vervoeren) van een zaak in beginsel niet onder de reikwijdte van art. 6:181.
Al met al geeft de parlementaire geschiedenis wel enige richting aan de uitleg van het gebruiksbegrip van art. 6:181. Echter, bij diverse voor de praktijk relevante gevallen werd niet stilgestaan terwijl over de wél aan de orde gestelde situaties, vanwege soms lastig te doorgronden toelichtingen, (ook) geen definitief uitsluitsel werd verschaft.