Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.1.2
7.1.2 Verordening (EG) nr. 1467/97
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454080:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de verwijzing naar deze bepaling boven punt 1 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie) en artikel 18 Verordening (EG) nr. 1467/ 97 (oorspronkelijke versie). Zie ook: Costello 2001, p. 111-114.
Artikel 2, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 2, tweede lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 2, derde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 104C, derde lid, EG-verdrag.
Artikel 104C, vierde lid, EG-verdrag.
Artikel 104C, vijfde lid, EG-verdrag en artikel 3, tweede lid, Verordening (EG) nr. 1467/ 97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 104C, zesde en zevende lid, EG-verdrag en artikel 3, derde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 3, vierde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 104C, achtste lid, EG-verdrag en artikel 4, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1467/ 97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 104C, negende lid, EG-verdrag en artikel 5 Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 104C, elfde lid, EG-verdrag en artikel 6 Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie). Zie ook artikel 7 en artikel 10 Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 9, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 11 Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 12 Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie). Het deposito neemt met een tiende toe per extra procent overheidstekort. Bij een tekort van vier procent in verhouding tot het bbp geldt zo een deposito van 0,3 procent van het bbp. Bij een tekort van vijf procent geldt een deposito van 0,4 procent. Bij een tekort van zes procent of meer geldt een deposito van 0,5 procent.
Artikel 13 Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 16 Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 104C, elfde lid, EG-verdrag.
De tweede verordening die deel uitmaakt van het Stabiliteits- en Groeipact richt zich op de verduidelijking van de buitensporigtekortprocedure. Deze verordening is gebaseerd op artikel 104C, veertiende lid, tweede alinea, EG-verdrag en trad in werking op 1 januari 1999.1
De verordening gaat allereerst in op de vraag wanneer er sprake is van een overheidstekort van uitzonderlijke en tijdelijke aard. Het Verdrag van Maastricht stelde immers dat een tekort buitensporig is indien het de referentiewaarde van drie procent overschrijdt. Er gold echter onder meer een uitzondering op deze hoofdregel als de overschrijding van de referentiewaarde van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft. Wanneer een tekort van meer dan drie procent van uitzonderlijke en tijdelijke aard is, werd echter niet nader gedefinieerd.
Deze verordening brengt hier verandering in.2 Een overschrijding is uitzonderlijk en tijdelijk, indien veroorzaakt door een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en die een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid. Daarnaast is een overschrijding die wordt veroorzaakt door een ernstige economische neergang uitzonderlijk en tijdelijk. Het reële bbp moet dan op jaarbasis met ten minste twee procent gedaald zijn.3 Een lidstaat kan de Raad proberen te overtuigen dat een daling van minder dan twee procent van het bbp toch uitzonderlijk is. Hij moet dan verdere ondersteunende informatie aanbieden, met name ‘ten aanzien van het abrupte karakter van de neergang of het gecumuleerde productieverlies in vergelijking met de trend in het verleden’.4 Voorts wordt een overschrijding geacht van tijdelijke aard te zijn, indien de begrotingsprognoses van de Europese Commissie aangeven dat het tekort na de ongewone gebeurtenis of de ernstige economische neergang onder de referentiewaarde zal dalen.
De verordening stelt vervolgens termijnen aan de buitensporigtekortprocedure. De Europese Commissie stelt op grond van het Verdrag van Maastricht een verslag op indien een lidstaat een buitensporig overheidstekort heeft of indien de Commissie van mening is dat er gevaar voor een dergelijk tekort aanwezig is.5 Vervolgens brengt het Economisch en Financieel Comité over dit verslag advies uit.6 Dit dient volgens de verordening over de buitensporigtekortprocedure binnen twee weken na het verschijnen van het verslag van de Europese Commissie te gebeuren. De Commissie adviseert vervolgens de Raad.7 Die besluit of er een buitensporig tekort bestaat en richt, indien dat het geval is, aanbevelingen tot die lidstaat.8 Er wordt een termijn van ten hoogste vier maanden bepaald waarbinnen de lidstaat effectief gevolg moet geven aan de aanbevelingen en er wordt een tijdsperiode vastgesteld voor het corrigeren van het buitensporige tekort.9 Behoudens bijzondere omstandigheden moet dat binnen het jaar nadat het is geconstateerd, verholpen zijn. Indien een lidstaat de aanbevelingen niet binnen de termijn van maximaal vier maanden heeft opgevolgd, kan de Raad na het verstrijken van deze termijn besluiten tot openbaarmaking van zijn aanbevelingen.10 Mocht een lidstaat blijven verzuimen om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Raad, dan kan de Raad binnen een maand na de vaststelling dat een lidstaat de aanbevelingen niet opvolgt, de lidstaat aanmanen maatregelen te treffen om het tekort te verminderen.11 Indien ook dat niet helpt, kan de Raad in beginsel uiterlijk twee maanden na dergelijke aanmaningen sancties opleggen.12 De procedure voor buitensporige tekorten wordt opgeschort als een lidstaat gevolg geeft aan de aanbevelingen en aanmaningen.13
De verordening gaat tot slot in op de procedure omtrent sancties. Indien de Raad besluit tot sancties op grond van artikel 104C, elfde lid, EG-verdrag, wordt ofwel afzonderlijk ofwel in combinatie met een van de maatregelen zoals genoemd in die bepaling, een niet-rentedragend deposito verlangd.14 Dit deposito omvat minstens 0,2 procent van het bbp en kan oplopen tot 0,5 procent, afhankelijk van de grootte van het overheidstekort.15 De Raad zet een deposito om in een boete indien twee jaar na het besluit om een deposito te eisen, het buitensporige tekort niet is gecorrigeerd.16 Een deposito wordt ondergebracht bij de Europese Commissie.17 De rente hierover en over deposito’s die zijn omgezet in boetes worden toebedeeld aan de lidstaten die de gemeenschappelijke munt hanteren en die geen buitensporig tekort hebben, verdeeld naar rato van hun aandeel in het totale bruto nationaal product van deze lidstaten.
Ook deze verordening is mijns inziens vooral een concretisering van hetgeen al in het Verdrag van Maastricht is afgesproken. Door een definitie te geven van de zinsnede ‘overschrijding van uitzonderlijke en tijdelijke aard’ en termijnen te verbinden aan de procedure bij buitensporige overheidstekorten, wint het Verdrag van Maastricht aan duidelijkheid. Ook het idee van een niet-rentedragend deposito en mogelijke boetes is al in het Verdrag van Maastricht terug te vinden.18 Het uitdrukken van zulke deposito’s en boetes in percentages van het bbp heeft echter een meer afschrikwekkend effect dan het aankondigen van dergelijke bedragen ‘van een passende omvang’, waar het Verdrag van Maastricht over spreekt.