Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.7.2
5.7.2 Straffeloosheid en meldplicht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566216:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Staatssecretaris van Financiën verweet de belastingplichtige in zijn cassatiemiddel voorafgaand aan HR 11 juli 1984, BNB 1984/268, dat zij niet in overleg was getreden met de inspecteur. De Hoge Raad heeft hier in de verwerping van het cassatiemiddel echter niets over gezegd. In HR 23 september 1992, BNB 1993/193, stond de feitelijke vaststelling van het hof dat belastingplichtige willens en wetens geen initiatieven heeft genomen om tot overleg met de fiscus aangaande haar fiscale positie te komen niet aan het oordeel van de Hoge Raad in de weg dat opzet en grove schuld ontbraken. In de hofuitspraak voorafgaand aan HR 30 oktober 2009, BNB 2010/49, ECLI:NL:HR:2009:BK1488, overwoog het hof in r.o. 5.9.4 (in verband met het doen van de vereiste aangifte): “Voorts is er geen rechtsregel die de belastingplichtige voorschrijft bij twijfel over de juistheid van een standpunt inzake een fiscale aangelegenheid, aan de inspecteur openheid van zaken over die aangelegenheid te geven…” De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de Staatssecretaris van Financiën dat klaagt over deze overweging met art. 81 RO afgedaan.
Zo ook: strafkamer Hof ’s-Hertogenbosch 23 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3755, strafkamer Hof ’s-Hertogenbosch 26 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2963, r.o. 6.
Zowel de Duitse als de Oostenrijkse straf- en boeterechter hanteert, zoals hiervoor in de paragrafen 5.6.1 en 5.6.2 uitgewerkt, het principe dat het een belastingplichtige steeds vrijstaat zijn eigen standpunt in te nemen. Ondanks de vrijheid om een eigen standpunt te volgen blijft de belastingplichtige echter verplicht om alle fiscaal relevante feiten juist en volledig mee te delen, zodat de inspecteur in staat is een eigen oordeel over de belastingheffing te vormen. Daar moet bij worden aangetekend dat het Duitse en Oostenrijkse belastingrecht (de delictsomschrijvingen in combinatie met de informatieverplichtingen), zoals hiervoor in de paragrafen 5.5.1 en 5.5.2 uiteengezet, meer aanknopingspunten biedt voor dit vereiste dan het Nederlandse belastingrecht. In het verlengde hiervan zou ook in Nederland bij een pleitbaar standpunt de voorwaarde aan straffeloosheid kunnen worden verbonden dat de belastingplichtige aan de inspecteur meldt dat hij een pleitbaar standpunt in zijn aangifte gaat opnemen of heeft opgenomen. Deze voorwaarde lijkt een belastingplichtige niet te belemmeren in zijn vrijheden om zijn standpunt aan de belastingrechter voor te leggen en de eigen interpretatie en toepassing van het recht te volgen.
In de huidige tijd, zoals in hoofdstuk 4, in paragraaf 4.3.2 al is opgemerkt, is het wellicht ook minder vanzelfsprekend dan in de vorige eeuw dat de inspecteur niet hoeft te worden gemeld dat een pleitbaar standpunt is of wordt ingenomen. Vanaf het begin van dit millennium wordt aan de vrijheid om de eigen interpretatie en toepassing van het belastingrecht te volgen steeds vaker een meldplicht gekoppeld. Zo kent de wetgeving van de Verenigde Staten een meldplicht voor uncertain tax positions, worden in Nederland in het kader van horizontaal toezicht afspraken met belastingplichtigen en gemachtigden gemaakt om fiscale risico’s te melden en bevat het BEPS (base erosion and profit shifting) action plan van het Committee on Fiscal Affairs van de OECD een voornemen om aanbevelingen op te stellen om nationale wetgeving te ontwikkelen ten behoeve van de verplichte bekendmaking van agressieve tax planning.
Het is echter niet de rechter, maar de wetgever of de toezichthouder die de voorwaarde stelt dat de belastingplichtige zich transparant opstelt. De belastingkamer van de Hoge Raad lijkt de melding dat een pleitbaar standpunt in de aangifte is of wordt verwerkt, zoals eerder in dit onderzoek, in hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.2 opgemerkt, niet te willen voorschrijven.1,2 In dit onderzoek laat ik de mogelijkheid om een melding als voorwaarde voor de straffeloosheid aan het pleitbare standpunt te verbinden daarom verder rusten, op een korte bespreking in het volgende hoofdstuk, in paragraaf 6.6.2. bij de verzuimboetes, na.