Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.3.3
2.3.3 De Duitse leer van de adequate veroorzaking
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586230:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Von Kries 1888 en Von Kries 1889; Rümelin 1896 en Rümelin 1900; en Traeger 1904. Beschrijvingen van deze theorieën zijn onder meer te vinden in Van Eck 1947, p. 59 t/m 64; Van Eikema Hommes 1972, p. 180 e.v.; Honoré 1983, p. 49 e.v.; Hart & Honoré 1985, p. 465 e.v.; Lange & Schiemann 2003, p. 82 e.v.; en Witjens 2011, p. 29 e.v.
Von Kries 1888, p. 202, 203, 224; Rümelin 1896, p. 44 t/m 53; Traeger 1904, p. 224.
Traeger 1904, p. 159. Vergelijkbare formuleringen worden gebruikt door Von Kries 1888, p. 181 en 202 en door Rümelin 1900, p. 19.
Von Kries 1888, p. 201.
Hier rijst wel de vraag hoe ver men moet gaan in de generalisering: gaat het erom dat het enkele slapen door de koetsier in het algemeen niet de kans op blikseminslag in de koets vergroot, of gaat het erom of het slapen door de koetsier, waardoor het langer duurt voordat de bestemming wordt bereikt terwijl onweer op komst is, de kans op blikseminslag in de koets vergroot. Zie hierover: § 11.4.
Traeger 1904, p. 161.
Von Kries 1888, p. 202, 215 t/m 222; Rümelin 1896, p. 44 t/m 53.
Traeger 1904, p. 165, maakt onder verwijzing naar Von Kries, ook duidelijk dat de grens niet scherp getrokken kan worden en dat het uiteindelijk aankomt op “die Werturteile und Willensentscheidungen der Praxis”.
Von Kries 1888, p. 229. Opgemerkt zij, zoals Van Schellen 1985, p. 4 terecht schrijft, dat wanneer het doel is om de laedens te straffen in plaats van te bepalen wat de omvang van zijn vergoedingsverplichting is, voor de hand ligt een engere grens aan te brengen.
Rümelin 1896, p. 44 t/m 53; Rümelin 1900, p. 54. Rümelin 1900, p. 130 brengt op deze toets dan nog “einer Billigkeitsmodification” aan: geen rekening dient volgens Rümelin gehouden te worden met feiten die uitsluitend in ruimtelijk-tijdelijke betrekking tot de gedraging staan en neigingen of besluiten van andere mensen voor zover men daar onmogelijk rekening mee kon houden.
Traeger 1904, p. 161.
Zie voetnoot 61 van dit hoofdstuk voor verwijzingen naar bronnen waar deze theorieën en tevens de verschillen daartussen nader worden besproken.
RG 15 februari 1913, RGZ 81, 359; zie hierover ook Lange & Schiemann 2003, p. 86. Dit criterium gaf geen wezenlijke begrenzing van aansprakelijkheid (Lange 1957, p. 118; Lange & Schiemann 2003, p. 91). Zie nader § 11.4.
BGH 23 oktober 1951, BGHZ 3, 261.
Lange 1957, p. 114 t/m 136; Lange & Schiemann 2003, p. 91.
Meijers 1935, p. 554 wees hierop, ten aanzien van het criterium dat het Reichgericht hanteerde, terecht.
Honoré 1983, p. 56, 57. Overigens is ook in de Duitse literatuur de voorzienbaarheidseis wel als mogelijke interpretatie van de leer van de adequate veroorzaking genoemd, zie Lange & Schiemann 2003, p. 83 en Koziol 2012, p. 272.
Zoals in onze literatuur gebruikelijk was, zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 55. In latere drukken is de behandeling van de leer van de adequate veroorzaking aanzienlijk ingekort.
55. Leren over adequate veroorzaking zijn eind negentiende en begin twintigste eeuw ontwikkeld door diverse Duitse auteurs, waarvan Von Kries, Rümelin en Traeger de belangrijkste zijn.1 Het oorspronkelijke oogmerk van deze leren was om zuiver toevallig veroorzaakte gevolgen van een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis te onderscheiden van niet zuiver toevallig veroorzaakte gevolgen.2 Die niet zuiver toevallig veroorzaakte gevolgen noemde men adequaat veroorzaakt. Men maakte dit onderscheid vanuit de gedachte dat strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid zich niet tot zuiver toevallig veroorzaakte gevolgen diende uit te strekken. Niet zuiver toevallig veroorzaakte, en dus adequaat veroorzaakte, gevolgen werden geïdentificeerd door te bepalen of de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis geldt als, in de woorden van Traeger, “generell begünstigender Umstand eines Erfolgs von der Art des eingetretenen ist”.3
Von Kries gaf de volgende illustratie van een zuiver toevallig veroorzaakt gevolg. Een koetsbestuurder is dronken en wijkt daardoor af van de te volgen route. Op enig moment wordt de koets door de bliksem getroffen en raken de inzittenden gewond. Zou de bestuurder niet dronken zijn geweest en de normale route hebben gevolgd, dan zou de koets niet door de bliksem zijn getroffen en zouden de inzittenden niet gewond zijn geraakt.4 Het door de koets getroffen worden door de bliksem is iets waarvan men zeggen kan: dat had in het algemeen evengoed zonder als met het verweten handelen kunnen gebeuren. Nu is het weliswaar ten gevolge van het verweten handelen gebeurd, maar dat is zuiver toeval: het onweer had zich evengoed boven de beoogde route kunnen bevinden.5 Het dronken zijn van de bestuurder van een koets is niet een omstandigheid die in het algemeen de kans vergroot dat de bliksem in de koets inslaat.
De term adequaat gevolg had – als tegengesteld aan zuiver toevallig gevolg – een ruimere betekenis dan typisch of normaal gevolg. Traeger verduidelijkte:
“Den adäquate Verursachung ist nicht etwa gleich typischer, normaler Verursachung, adäquate Bedingung ist nicht eine solche die allgemein, normalerweise den Erfolg herbeiführt. Daß ein Mensch am Wundfieber stirbt, ist keineswegs der normale Verlauf einer Verwundung; dennoch kann sich die Verletzung als adäquate Bedingung des Todes darstellen.”6
Over de precieze invulling van de aan te leggen maatstaf om adequate van zuiver toevallige gevolgen te onderscheiden, zijn diverse opvattingen verdedigd. Tamelijk open werd door de verschillende auteurs gelaten welke kansverhoging minimaal vereist werd om te kunnen spreken van een adequaat veroorzaakt gevolg.7 Traeger verlangde bijvoorbeeld een verhoging van de kans op “nicht unerheblicher Weise”.8
Wezenlijk voor de beoordeling van de kansverhoging is verder welke kennis hierbij tot uitgangspunt wordt genomen. Op dit punt liepen de meningen van de diverse auteurs uiteen. Von Kries – die bij de ontwikkeling van zijn theorie met name het strafrecht op het oog had – bepleitte beslissend te laten zijn een subjectieve prognose van de laedens ten tijde van de gedraging van de kans op de schade zoals geleden.9 Rümelin zag meer in het bepalen van de kans aan de hand van de feiten zoals deze objectief ten tijde van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis lagen; ook feiten die eerst achteraf bekend waren geworden, dienden volgens hem bij de kansbepaling te worden betrokken.10 Traeger nam een tussenpositie in en verdedigde het beoordelen van de kansverhoging vanuit het standpunt van “des erfahrensten und einsichtigsten Mensch” ten tijde van de gedraging.11 Deze verschillende opvattingen leidden tot niet onaanzienlijke verschillen in resultaat. Ik werk dat hier niet verder uit.12
56. Op basis van deze theorievorming gingen in Duitsland het Reichsgericht en later het Bundesgerichtshof de volgende criteria hanteren. Het Reichsgericht verlangde vanaf 1912 “daß die objektive Möglichkeit eines Erfolges von der Art. des eingetretenen allgemein erleichtert oder begünstigt wird”.13 Het Bundesgerichtshof zette deze lijn na de Tweede Wereldoorlog voort en oordeelde in 1952: “Eine Begebenheit ist adäquate Bedingung eines Erfolges, wenn sie die objektive Möglichkeit eines Erfolges von der Art. des eingetretenen generell in nicht unerheblicher Weise erhöht hat.”14 Deze criteria sluiten nauw aan bij de door de adequatietheoretici gehanteerde criteria en de daaraan ten grondslag liggende gedachte dat een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis niet aansprakelijk dient te maken voor daardoor zuiver toevallig veroorzaakte gevolgen. Het hanteren van deze criteria stuitte, anders dan de door de Hoge Raad te onzent gehanteerde maatstaf, overigens op de kritiek dat daarmee aansprakelijkheid nauwelijks begrensd werd.15
Het criterium dat de Hoge Raad vanaf Haagsche Post/Ligterink ging hanteren sloot niet goed aan bij de ratio van de in Duitsland ontwikkelde leren van adequate veroorzaking en ook niet bij de criteria die het Reichsgericht en later het Bundesgerichtshof hanteerden.16 Honoré schrijft in zijn omvangrijke rechtsvergelijkende studie uit 1983 dat alleen in Nederland en Polen de voorzienbaarheidsleer als bijzondere interpretatie van de adequatieleer, met een “vaguer” criterium, heersend is geworden.17 Waar het door de Hoge Raad gehanteerde criterium met de term adequatieleer wordt aangeduid en erop wordt gewezen dat die leer uit Duitsland afkomstig is,18 wekt dat gelet op het voorgaande de onjuiste suggestie dat het door de Hoge Raad gehanteerde criterium berustte op grondige Duitse theorievorming.