Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.5.4
2.5.4 De wet van 1971
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488614:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 2.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 14.
Kenmerkend voor dit dualisme is dat de woorden ‘ten behoeve van het overleg met … de in de onderneming werkzame personen’ toch eerst en vooral de positie van de leiding weergeven (ik realiseer mij vanzelfsprekend dat de ondernemingsraad tevens dient tot overleg met diezelfde leiding), terwijl de woorden ‘de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen’ juist de positie van werknemers weergeven.
Art. 1 lid 1 onder c bevatte de definitie van het begrip ondernemer: de natuurlijke persoon en de nietpubliekrechtelijke rechtspersoon die een onderneming in stand houdt.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 16.
Art. 24 lid 1 bepaalde dat tenminste twee maal per jaar de algemene gang van zaken van de onderneming besproken moest worden, lid 3 van datzelfde artikel verplichtte de ondernemer de jaarrekening en andere financiële gegevens aan de ondernemingsraad te verstrekken.
Art. 25, dat de voorloper van het huidige art. 25 genoemd mag worden, verplichtte de ondernemer de ondernemingsraad (tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten) advies te vragen over onder meer overdracht over de zeggenschap over de onderneming, beëindiging of een belangrijke inkrimping of uitbreiding van de werkzaamheden van de onderneming of een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming.
Art. 26, dat een grote gelijkenis met het huidige art. 27 vertoont, noemde een beloningsregeling, een beoordelingssysteem en de hoofdlijnen van het aanstellings- ontslag – of promotiebeleid.
In de praktijk bleek bij enkele grote concerns, vooruitlopend op een wettelijke regeling, al te zijn voorzien in die behoefte door de instelling van een centrale ondernemingsraad. Ik verwijs naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 25).
Uit het op 6 oktober 1969 ingediende wetsontwerp1 bleek dat de regering het advies van de SER inhoudelijk in grote lijnen overnam. De regering vond het aantal voorgestelde wijzigingen evenwel dusdanig groot, dat het tot stand brengen van een geheel nieuwe wet de voorkeur verdiende boven aanpassing van de bestaande wet. Daarbij werd van de gelegenheid gebruik gemaakt de systematiek te verbeteren en tekstuele verbeteringen aan te brengen.2 Ongewijzigd bleef dat de bestuurder deel uit maakte van de ondernemingsraad (art. 6 lid 1 van het ontwerp). De raad behield daarmee zijn dualistische karakter als orgaan ‘ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen’ (artikel 2 lid 1 van het ontwerp).3 Over dit dualistische karakter valt in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp te lezen: ‘De ondergetekenden hebben het voorts wenselijk geacht, reeds in dit lid het zgn. dualistische karakter van de ondernemingsraad tot uitdrukking te brengen. De raad dient het overleg tussen ondernemer en personeel, maar ook vertegenwoordigt hij, voor zover nodig, het personeel tegenover de ondernemer’.4
Tot de meest fundamentele wijzigingen ten opzichte van de Wet van 1950 behoort dat diverse verplichtingen, te beginnen met die tot instelling van een ondernemingsraad (art. 2 lid 1 van het ontwerp), niet langer rustten op het hoofd of de bestuurder van een onderneming, maar op ‘de ondernemer’, een nieuw begrip in de wet.5 De betrokken ministers beoogden daarmee te bewerkstelligen dat een bestuurder die niet tevens eigenaar van de onderneming was, zich niet aan de naleving van verplichtingen zou kunnen onttrekken door zich op instructies van de eigenaar te beroepen.6 Door verplichtingen op te leggen aan de ondernemer/ rechtspersoon in plaats van aan de bestuurder van de onderneming, heeft de wetgever bewerkstelligd dat voor de uitoefening van rechten en bevoegdheden van de ondernemingsraad irrelevant is wat de eigendoms- en de zeggenschapsverhoudingen binnen de onderneming zijn.7 Zoals ik in par. 1.3 al aangaf, is hierin de kracht van de wet gelegen, maar vormt het ook zijn achilleshiel. Met een andere principiële wijziging wordt uiting gegeven aan een groeiend besef dat de ondernemingsraad niet alleen een orgaan van overleg is, maar ook een orgaan dat belangen van werknemers vertegenwoordigt en er aan heeft bij te dragen dat die tot uiting komen in het ondernemingsbeleid: de clausule ‘onder erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer’ in art. 2 lid 1 WOR verdwijnt uit de wet. Andere relevante wetswijzigingen betreffen de verhoging van de instellingsgrens tot ten minste 100 in de onderneming werkzame personen, de uitbreiding van de verplichting van de ondernemer de ondernemingsraad te informeren8 en om advies te vragen,9 de invoering van een instemmingsrecht ten aanzien van bepaalde besluiten in de sfeer van de arbeidsvoorwaarden,10 en de invoering van een algemene geschillenregeling (art. 36 WOR). De nieuwe wet bevatte ook enige bepalingen die men moet plaatsen in de context van het specifieke karakter van een onderneming die door een rechtspersoon, en niet door een natuurlijk persoon in stand werd gehouden: de invoering van een wettelijke regeling van centrale ondernemingsraden (artt. 33 en 34 WOR), waaraan met name in concernverband behoefte bleek te bestaan,11 en de verplichte aanwezigheid van bepaalde functionarissen van de rechtspersoon die de onderneming in stand hield bij vergaderingen waarin de algemene gang van zaken in de onderneming werd besproken (art. 24 lid 5).