De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/1.2:1.2 Probleemstelling en deelvragen
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/1.2
1.2 Probleemstelling en deelvragen
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS376344:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De centrale onderzoeksvraag luidt:
Waar liggen de grenzen van het recht op nakoming van de schuldeiser naar geldend Nederlands recht en welke aanbevelingen kunnen worden geformuleerd met het oog op het aanscherpen, verruimen dan wel verengen van die grenzen?
Het recht op nakoming is een veelomvattend onderwerp. Beantwoording van de onderzoeksvraag kan alleen plaatsvinden door onderzoek te doen naar de verschillende aspecten van het recht op nakoming. Net zoals de grenzen van een land alleen gekend kunnen worden door kennis te nemen van de natuurlijke grenzen van dat land en die van de omringende landen, kunnen de grenzen van het recht op nakoming slechts worden bepaald door bestudering van de specifieke kenmerken van het recht op nakoming en die van de alternatieve en aanverwante rechtsfiguren. Het veelzijdige karakter van het onderzoeksobject noopt tot een analyse van een aantal uiteenlopende onderwerpen, op basis waarvan vervolgens een vollediger en duidelijker beeld kan worden gegeven van de grenzen van het recht op nakoming.
Dit onderzoek resulteert allereerst in een weergave van de grenzen van het recht op nakoming volgens het thans geldende recht. Gegeven de uitkomsten van de analyse zal ik vervolgens een aantal aanbevelingen doen aan de wetgever en de rechtspraktijk. Sommige van die aanbevelingen hebben tot doel de grenzen van het recht op nakoming in de praktijk scherper te kunnen trekken. Met een aantal andere aanbevelingen beoog ik die grenzen te verruimen dan wel te verengen. De beantwoording van de centrale onderzoeksvraag geschiedt zoals gezegd mede aan de hand van een analyse van de alternatieve remedies en de aan het recht op nakoming verwante rechtsfiguren. Die analyse levert (ook) een aantal uitkomsten op die weliswaar wat verder afstaan van de beantwoording van de centrale onderzoeksvraag, maar waarvan ik het desalniettemin nuttig vond ze in de vorm van aanbevelingen te presenteren. Deze aanbevelingen hebben vooral betrekking op de werking van de aan nakoming verwante rechtsfiguren en de consistentie van het remediearsenaal.
De centrale onderzoeksvraag valt uiteen in een vijftal deelvragen. De eerste deelvraag fungeert als opstap naar de beantwoording van de overige deelvragen. De eerste deelvraag ziet op de plaatsbepaling van het recht op nakoming in de onderzochte rechtsstelsels en in het mogelijk toekomstige Europees contractenrecht. De tweede tot en met de vierde deelvraag hebben betrekking op de actoren die in het contractenrecht centraal staan: de schuldeiser, de schuldenaar en de rechter.1 Het recht op nakoming vindt bij elk van deze actoren zijn begrenzing: de schuldeiser zal moeten stellen en bewijzen dat is voldaan aan de vereisten voor nakoming, de schuldenaar kan verweermiddelen tegen de ingestelde nakomingsvordering inroepen, terwijl het aan de rechter is om te beoordelen of de vordering al dan niet wordt toegewezen. De vijfde deelvraag richt zich ten slotte op de afbakening van het recht op nakoming ten opzichte van de aan nakoming verwante rechtsfiguren. Door deze rechtsfiguren met het recht op nakoming te vergelijken, komen verschillen en overeenkomsten aan het licht. De analyse van de aan nakoming verwante rechtsfiguren in samenhang met het recht op nakoming verschaft bovendien inzicht in het fenomeen dat een schuldeiser, die wordt geconfronteerd met een schuldenaar die niet of niet deugdelijk nakomt, een recht geldend kan maken om een prestatie in natura te ontvangen in plaats van schadevergoeding in geld.
De vijf deelvragen waarin de centrale onderzoeksvraag kan worden onderverdeeld, luiden als volgt:
Wat is de plaats van het recht op nakoming in het remediearsenaal van de onderzochte rechtsstelsels en wat zou de plaats van het recht op nakoming moeten zijn in een eventuele regel van Europees contractenrecht? Wat is de (wettelijke) grondslag van het recht op nakoming naar Nederlands recht?2 Wat is de plaats van het recht op nakoming in de onderzochte rechtsstelsels?3 Wat dient volgens de rechtseconomen de plaats van het recht op nakoming te zijn in het remediearsenaal?4 Wat zou, gegeven de antwoorden op de voorafgaande vragen, de plaats van het recht op nakoming moeten zijn in een regel van Europees contractenrecht?5
Aan welke stelplichten moet de schuldeiser voldoen om een veroordeling tot nakoming te verkrijgen? Indien een schuldeiser niet voldoet aan zijn stelplicht, of niet slaagt in diens bewijslast, zal de rechter zijn vordering tot nakoming afwijzen. Wat is de omvang en inhoud van de stelplicht van de schuldeiser die nakoming vordert, mede in vergelijking met die van een schuldeiser die schadevergoeding of ontbinding vordert?6
Met welke stellingen kan de schuldenaar zich tegen een vordering tot nakoming verweren? Een schuldenaar is in beginsel gehouden zijn verbintenis uit te voeren, maar wet en jurisprudentie verschaffen hem verschillende verweermiddelen waarmee hij zich tegen een vordering tot nakoming kan verzetten. Kan een schuldenaar van een verbintenis tot persoonlijke dienstverlening zich bijvoorbeeld tegen een vordering tot nakoming verweren met de stelling dat het persoonlijke karakter van de verbintenis zich tegen gedwongen nakoming verzet?7 En wat is de betekenis en reikwijdte van het verweer dat de niet-nakoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend?8DiDient de schuldenaar zich tegen een vordering tot nakoming te kunnen verweren met de stelling dat zijn (opzettelijke) contractbreuk naar rechtseconomische maatstaven efficiënt is?9 En wanneer is nakoming zo bezwarend voor de schuldenaar, dat hij zich in redelijkheid van zijn verplichting tot nakoming moet kunnen bevrijden?10 Wanneer dient de rechter een schuldenaar, die zich erop beroept dat nakoming gedeeltelijk of tijdelijk onmogelijk is, van zijn nakomingsverplichting te ontslaan?11
Welke rol komt de rechter toe bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot nakoming? De rechter mag de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ambtshalve aanvullen, maar geldt dat ook voor de beperking van het recht op nakoming die de Hoge Raad in het Multi Vastgoed-arrest formuleerde?12 Als nakoming fysiek onmogelijk is, moet de rechter de vordering tot nakoming dan ambtshalve afwijzen indien de schuldenaar nalaat zich hierop te beroepen?13
Hoe kan het recht op nakoming worden gepositioneerd ten opzichte van rechtsfiguren die in sterke mate op het recht op nakoming lijken? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen schadevergoeding in natura en het recht op nakoming?14 Hoe verhouden zich de rechterlijke machtiging en de op de rechterlijke machtiging geënte rechtsfiguren tot het recht op nakoming en wat kan vanuit dat perspectief worden gezegd over de grenzen van het recht op nakoming?15
Bovenstaande deelvragen leggen het onderzoeksterrein bloot en stellen mij in de gelegenheid de huidige grenzen van het recht op nakoming in kaart te brengen en op grond van die analyse aanbevelingen te doen met het oog op het preciseren en zonodig verruimen dan wel verengen van die grenzen.