De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.5:5.5 Blackmail
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.5
5.5 Blackmail
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CLRC 1966, par. 108-110.
CLRC 1966, par. 115-121.
CLRC 1966, par. 123.
Blackstone 2013, par. B5.47-B5.49 en B5.51.
Ormerod & Williams 2007, par. 12.05.
Ormerod & Williams 2007, par. 12.12-12.15.
Ormerod & Williams 2007, par. 12.20.
Ormerod & Williams 2007, par. 12.23.
Blackstone 2013, par. B5.51.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Larceny Act 1916 kwam het delict blackmail niet voor. Wel werd die naam al gebruikt voor verschillende delicten betreffende het opeisen van goederen door menaces (bedreigingen), zoals opgenomen in ss. 29, 30 en 31 van die wet. Volgens de CLRC waren deze delicten echter in belangrijke opzichten onduidelijk en erg ingewikkeld. Daarbij was sprake van overlap en herhaling. Wat betreft de betekenis van het begrip menaces wees de CLRC erop dat dit oorspronkelijk slechts betrekking had op bedreigingen met persoonlijk letsel of schade aan eigendommen. Het zag dus niet op bedreigingen om informatie die een persoon in diskrediet zou kunnen brengen, te openbaren. Het delict leek vroeger dus meer op robbery. De rechtspraak rekte het begrip echter dusdanig op dat het bijna iedere bedreiging omvatte.1
De CLRC stelde voor dat het essentiële kenmerk van blackmail zou zijn dat de verdachte door middel van bedreigingen iets eist terwijl hij weet dat hij daarop geen recht heeft, danwel dat hij daarop wel recht heeft maar dat het gebruik van de bedreigingen niet betamelijk is.2 De CLRC koos voor het oude woord menaces in plaats van threats omdat ze menaces sterker vond. Het woord proper is gekozen om duidelijk te maken dat het hier gaat om de vraag wat moreel en sociaal geaccepteerd is. Daarom heeft de CLRC afgezien van de woorden legitimate en fair.3 Overeenkomstig het voorstel van de CLRC luidt s. 21 van de Theft Act 1968 als volgt:
A person is guilty of blackmail if, with a view to gain for himself or another or with intent to cause loss to another, he makes any unwarranted demand with menaces; and for this purpose a demand with menaces is unwarranted unless the person making it does so in the belief
that he has reasonable grounds for making the demand; and
that the use of the menaces is a propermeans of reinforcing the demand.
The nature of the act or omission demanded is immaterial, and it is also immaterial whether the menaces relate to action to be taken by the person making the demand.
A person guilty of blackmail shall on conviction on indictment be liable to imprisonment for a term not exceeding fourteen years.”
S. 34(2) van de Theft Act 1968 bevat definities van gain en loss:
For purposes of this Act
“gain” and “loss” are to be construed as extending only to gain or loss in money or other property, but as extending to any such gain or loss whether temporary or permanent; and
“gain” includes a gain by keeping what one has, as well as a gain by getting what one has not; and
“loss” includes a loss by not getting what one might get, as well as a loss by parting with what one has;”
Blackmail is wat wij een formeel delict zouden noemen. Het chanteren op zichzelf is strafbaar gesteld, niet het verkrijgen van een goed of het intimideren van een slachtoffer. Het effect van het handelen van een verdachte is irrelevant en vormt geen constitutief element van het delict. Een poging tot blackmail zal zich dus – net als het geval is bij andere formele delicten – niet snel voor doen. Voor de hand liggende voorbeelden van blackmail zijn het door een ontvoerder eisen van losgeld van de ouders van een ontvoerd kind, maffia-achtige praktijken waarbij de verdachte het slachtoffer tegen betaling bescherming aanbiedt, terwijl de vrienden van de verdachte laten zien dat zij bereid zijn het huis van het slachtoffer kort en klein te slaan als hij niet op het aanbod ingaat en het dreigen scha(n)delijke informatie over iemand te openbaren in het geval dat diegene niet betaalt.4
Aan de vorm van de eis worden geen eisen gesteld, dus zowel een mondelinge als schriftelijke eis voldoet. Daarbij kan een eis expliciet of impliciet zijn. Voldoende is dat een normaal, redelijk persoon begrijpt dat een eis wordt gesteld. Een eis kan ook de vorm aannemen van een vraag, zelfs van een hele aardige vraag. Door de toevoeging van een dreiging is ook in die gevallen duidelijk dat wel degelijk een eis wordt gesteld.5
Van een menace is sprake als een dreiging van zodanige aard en omvang is dat een normaal iemand zou kunnen worden beïnvloed of bang gemaakt en zo onvrijwillig aan de eis voldoet. Dat een specifiek slachtoffer niet voldoet aan de eis omdat hij, anders dan een normaal persoon, niet geïntimideerd is door de verdachte, ontslaat de verdachte niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid. En ook in het geval dat de verdachte ergens mee dreigt waarvoor een normaal persoon nooit zou bezwijken, maar een minder sterk en standvastig persoon wel, is de verdachte strafbaar als hij op de hoogte is van de geestestoestand van zijn slachtoffer.6
Het vereiste dat sprake moet zijn van een oogmerk om voordeel te behalen of een intentie om verlies te veroorzaken, beperkt het delict tot de bescherming van economische belangen. Zonder dit vereiste zou het delict erg ruim zijn en zeker delicten omvatten die niet gerekend kunnen worden tot de vermogensdelicten waarop de Theft Act 1968 blijkens de aanhef van die wet betrekking heeft. Dat sprake moet zijn van oogmerk om voordeel te behalen of een intentie om verlies te veroorzaken, betekent overigens niet dat de eis moet zien op de directe overdracht van geld of een goed. Het Court of Appeal heeft beslist dat ook een persoon die onder bedreiging met een vuurwapen een morfine-injectie eist van zijn dokter een oogmerk om voordeel te behalen heeft. Het medicijn is een goed en het is irrelevant dat het motief van de verdachte in de eerste plaats pijnbestrijding is.7 Wel moet het voordeel of verlies zien op geld of goederen. Het onder bedreiging verkrijgen van diensten valt waarschijnlijk niet onder blackmail, ook al verrijkt de verdachte zich daardoor.8
Blackmail kan een vangnet bieden voor gevallen die niet onder robbery vallen. Een verdachte die een ander bedreigt met de bedoeling iets te verkrijgen waarop hij meent recht te hebben is – omdat hij niet dishonest is – niet schuldig aan robbery, maar kan wel schuldig zijn aan blackmail als het gebruik van de bedreigingen niet een gepast middel is om zijn eis kracht bij te zetten.9