Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/11.2
11.2 Recht op onderwijs en vrijheid van onderwijs
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977071:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mentink, Vermeulen, Zoontjens, ’Inleiding bij Hoofdstuk 2,3 en 4’, in: Hirsch Ballin e.a. (red.), Uitleg van de Grondwet - Commentaar en Context, Amsterdam: Boom ju 2021, p. 547 e.v.
A.K. Koekkoek, ’Vrijheid van onderwijs en recht op onderwijs’, in: T.J. van der Ploeg e.a. (red.) 2000, p. 193-202 en Koekkoek 2000, p. 200-201; vgl. R. van Schoonhoven, Het recht van de school, (oratie VU), Amsterdam: VU 2021, p. 4.
Zie voor meer hierover: Onderwijsraad 2002/2012 en Zoontjens 2003.
Kamerstukken II 2021/22, 35924, nrs. 1, 2, 3. Het voorstel is eind 2020 ingediend door het lid Asscher (PvdA) (Kamerstukken II 2020/21, 30417, nr. 1); vgl. J.L.W. Broeksteeg, ‘Toelatings-beleid in het bijzonder onderwijs’, in: C. Hermans, Vrijheid voor onderwijs. Een uitnodiging tot wisseling van perspectief, Eindhoven: Damon 2019, p. 121-122.
Vgl. T. Spaans, ‘Stand van wetgeving. Wetsvoorstellen’, NTOR, 2021, 4, p. 62-63.
G. Leertouwer, ‘Renovatie artikel 23. Kansen en risico's van het wetsvoorstel-De Hoop’, NTOR 2021, 3, p. 33-34.
Vgl. Coalitieakkoord 15 december 2021, p. 19-22 en P. Zoontjens, ‘Kansengelijkheid en vrijheid van onderwijs. Een grondwettelijk debat’, in: C. Hermans (red.) 2021, p. 111-117.
Beperkingen voor grondrechten behoeven een specifieke formeel-wettelijke grondslag, wat op grond van artikel 23 Gw niet (steeds) nodig is; Kamerstukken II 1982/83, 17450, nr. 5, p. 4; vgl. Kortmann 2021, p. 152. Dat laat onverlet dat ingrijpende beperkingen van de onderwijsvrijheid bij formele wet dienen plaats te vinden.
J.A. de Boer, Het beweeglijke primaat van de wetgever, a.w., p. 9; vgl. Kortmann 2021, p. 151-152.
De vrijheid om onderwijs te geven en de vrijheid om onderwijs te genieten zijn complementair.1 De ruimte om onderwijs aan te bieden is er om pluriformiteit te realiseren, waardoor de vrijheid om onderwijs te kiezen tot haar recht komt.2Artikel 23 Gw is in zoverre onvolledig, dat daarin de vrijheid om onderwijs te kiezen en te genieten niet uitdrukkelijk is opgenomen.3 Maar die vrijheid wordt wel voorondersteld. In 2021 is met het oog op kansengelijkheid in het onderwijs het initiatiefwetsvoorstel-De Hoop (PvdA) aanhangig gemaakt, waarbij het voorstel om aan de uitgangspunten van artikel 23 Gw toe te voegen: het recht op onderwijs (lid 1), de gelijke kansen, de ontplooiing van de persoonlijkheid, een burgerschapsopdracht (lid 4) en een acceptatieplicht (lid 9).4
Wat betreft de – verder uit te werken – burgerschapsopdracht die de belangen van de leerling en de samenleving moet waarborgen en waarbij er aandacht is voor de kennis van en het respect voor de kernwaarden van de democratische rechtsstaat lijkt me een constitutionele codificatie weinig bijdragen aan het terugdringen van de kansenongelijkheid.5 Daar is de opdracht in de Wet verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen (2021) blijkbaar ook niet voor bedoeld. Met Leertouwer zij opgemerkt dat - waar bij grondwetswijzigingen ‘wel gesproken wordt van het vereiste van constitutionele rijpheid’ - het opvalt, dat het voorstel ‘de kennis van en het respect voor de basiswaarden van democratische rechtsstaat’ opneemt in weerwil van de opdracht in de Wet verduidelijking van de burgerschapsopdracht van 2021.6 Dit onderwerp komt niet verder aan bod, maar mijns inziens zou er wel een kritische discussie moeten plaatsvinden over het wetsvoorstel vanwege deze doublure.7
Vrijheid van en recht op onderwijs
De wisselwerking tussen de vrijheid van en het recht op onderwijs wordt veelal in materiële zin begrepen. De nadruk op het recht op onderwijs heeft niet alleen consequenties voor de materiële garanties van artikel 23 Gw, maar ook voor het wetgeversprimaat. Dat laatste is te zien als een formele garantie voor ongeoorloofde inbreuken op de vrijheid van onderwijs. Het in artikel 23 Gw neergelegde legaliteitsbeginsel is een bijzondere vorm van bescherming. Weliswaar is de reguliere beperkingssystematiek van de Grondwet niet van toepassing op artikel 23 Gw.8 Maar staande legisprudentie is dat ten minste de hoofdlijnen van de onderwijsregelgeving, zeker waar het de inhoud van het onderwijs betreft, in formele wetgeving opgenomen moeten worden. Al moet met De Boer geconcludeerd worden – zie met name de vaststelling van de in par. 9.4.1 besproken kerndoelen – dat het wetgeversprimaat is afgezwakt, ‘doordat de delegatie van deze deugdelijkheidseis aan de regering gaandeweg binnen de checks and balances van de staatsinstellingen is aanvaard’.9