Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.5.8.2.2
7.7.5.8.2.2 Geen beëindiging belaste verhuur op verzoek
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291698:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 juni 1987, nr. 23.921, BNB 1987/263, m.nt. Simons.
HR 13 november 1991, nr. 27.274, BNB 1992/12.
Vgl. Simons, noot bij HR 17 juni 1987, nr. 23.921, BNB 1987/263 en Van Hilten van Kesteren 2020, p. 340. Anders: B.G. van Zadelhoff, ‘Mogelijkheid om terug te komen op de keuze voor met omzetbelasting belaste verhuur van onroerend goed?’, WFR 1986/317.
Conclusie A-G Van Soest 11 juni 1986, nr. 23.921, BNB 1987/263, punt 4.6. In soortgelijke zin: Simons, noot bij HR 17 juni 1987, nr. 23.921, BNB 1987/263.
D.B. Bijl, ‘Beëindiging belaste verhuur van onroerend goed’, WFR 1987/1478 en B.G. van Zadelhoff, 'Wel en wee bij optie voor verhuur met BTW', WFR 1993/189.
Anders: B.G. van Zadelhoff, 'Wel en wee bij optie voor verhuur met BTW', WFR 1993/189 die erop wijst dat het ontbreken van een mogelijkheid voor de verhuurder en huurder om de vrijstelling te doen herleven concurrentieverstorend kan werken. Voor een huurder zou het - aldus Van Zadelhoff - vanwege de btw aantrekkelijker kunnen zijn om de huurovereenkomst niet verlengen, maar om elders een soortgelijk onroerend goed zonder btw te huren. Sinds de invoering van de 90%-eis zal deze situatie zich naar mijn mening niet snel meer voordoen. Daarnaast heeft de optieregeling niet als doel om de concurrentieverstoring weg te nemen die het gevolg kan zijn van de keuze voor belaste verhuur, maar om cumulatie van btw (en de daarmee gepaard gaande concurrentieverstoring) te voorkomen die het gevolg is van vrijgestelde verhuur.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat tussentijdse beëindiging van de optie belaste verhuur op (gezamenlijk) verzoek van partijen niet mogelijk is.1 Het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst na expiratie van de oorspronkelijke huurovereenkomst kan naar het oordeel van de Hoge Raad evenmin leiden tot de beëindiging van de belaste verhuur indien in de persoon van de verhuurder en de huurder geen wijziging is opgetreden, het gebruik van het onroerend goed door de huurder niet is gewijzigd en na het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst geen sprake is van een ander onroerend goed wat betreft bouw en inrichting.2 In die situatie is juridisch gezien weliswaar sprake van een nieuwe verhuurdienst, maar feitelijk is sprake van één doorlopende verhuurdienst waarbij partijen hebben gekozen om deze verhuurdienst aan btw-heffing te onderwerpen.3 Met deze beslissing wordt naar mijn mening dan ook recht gedaan aan de economische realiteit. Tevens wordt hierdoor voorkomen dat van twee walletjes wordt gegeten door te opteren voor belaste verhuur in de periode dat dit voor de verhuurder en huurder per saldo voordelig is en de optie voor belaste verhuur weer te beëindigen zodra de belaste verhuur per saldo niet meer voordelig of zelfs nadelig is (lees: na het verstrijken van de herzieningsperiode voor het recht op btw-aftrek).4 Laatstgenoemd bezwaar zou echter ook ondervangen kunnen worden door aan de keuze voor belaste verhuur een minimale termijn te verbinden.5 Wat naar mijn mening het springende punt is, is dat de mogelijkheid om op verzoek terug te komen op de keuze voor belaste verhuur – gelet op de thans geldende 90%-eis (zie paragraaf 7.7.5.4) – zou betekenen dat cumulatie van btw voor lief wordt genomen, hetgeen naar mijn mening haaks staat op de ratio van de optieregeling, het beginsel van de fiscale neutraliteit (zie paragraaf 7.7.2).6