Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.4.7
3.4.7 Sub 6, 7, 8 en 9: ‘de profiteur’
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS384975:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de NRM hoeft de opzet niet gericht te zijn op de uitbuiting, zie BNRM 2009, p. 462 en BNRM 2012, p. 31. Zo ook Alink & Wiarda 2010, p. 228 en Ten Kate 2013, p. 32. Beijer meent dat de opzet wel mede op de uitbuiting moet zijn gericht, zie Beijer 2010, p. 986 e.v.. Met haar ook Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 273f Sr, aant. 8. Zie voorts Lindenberg 2014, p. 49-55 voor een beschrijving van beide standpunten (opzet omvat ook de uitbuiting en opzet is niet betrokken op de uitbuiting).
Net zoals ‘weten’ of ‘behoren te weten’ het verschil maakt tussen opzetheling en schuldheling in de artikelen 416 en 417bis Sr.
Zo ook Van der Meij in T&C Sr, art. 273f Sr aant. 9i.
Smidt 1891, p. 78 en De Hullu 2014, p. 221.
HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467, NJ 2015/374.
Zie bijvoorbeeld de Volkskrant op 25 april 2013: ‘Bangladesh: 200 doden die 20 cent per uur verdienden voor onze goedkope T-shirts’.
Zie bijvoorbeeld Trouw op 18 juni 2013: ‘Ploumen: Blijf kleding uit Bangladesh kopen’.
Alink & Wiarda 2010, p. 245.
In de praktijk wordt de prostituant echter nooit vervolgd voor artikel 273f Sr. De wetgever is wel voornemens om de straffeloosheid van de prostituant – buiten artikel 273f Sr om – aan banden te leggen. In de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (wetsvoorstel 32211) zal de klant die een dienst afneemt van een illegale (niet geregistreerde) prostituee of die werkzaam is voor een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend, strafbaar worden gesteld. De wetgever heeft daarmee gemeend voldaan te hebben aan de implementatie van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel waar in artikel 19 staat dat iedere lidstaat moet overwegen wetgevende of andere maatregelen te nemen die nodig kunnen zijn om het gebruikmaken van diensten die het voorwerp zijn van uitbuiting, in de wetenschap dat de persoon een slachtoffer is van mensenhandel, krachtens nationaal recht strafbaar te stellen (zie ook artikel 18 van de EU Richtlijn mensenhandel 2011). Met de Nederlandse strafbaarstelling wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen slachtoffers van mensenhandel en prostituees die geen slachtoffer zijn. De klant die gebruik maakt van de diensten van een vrijwillig werkende prostituee die niet geregistreerd staat, is strafbaar, terwijl de klant die willens en wetens gebruik maakt van een prostituee die slachtoffer van mensenhandel is, maar desondanks wel is geregistreerd, niet strafbaar is. Daarnaast is een initiatiefwetsvoorstel ingediend door Kamerleden Segers, Volp en Kooiman tot strafbaarstelling van degene die misbruik maakt van een prostitué(e) die slachtoffer is van mensenhandel (wetsvoorstel 34091). Stand van zaken 1 oktober 2017: de Tweede Kamer heeft beide wetsvoorstellen aangenomen, en deze zijn ingediend bij de Eerste Kamer voor de plenaire behandeling. Op 13 september 2016 vond voor de commissie in de Eerste Kamer een deskundigenbijeenkomst over gedwongen prostitutie en mensenhandel plaats. Het verslag van deze bijeenkomst is op 7 oktober 2016 vastgesteld (Kamerstukken I 2016/17, 34 091, B 9). De Eerste Kamercommissie heeft op 25 oktober 2016 het voorlopig verslag uitgebracht en wacht op de memorie van antwoord. Zie ook Lindenberg 2014, p. 49-59.
Rb Den Haag 12 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM4291 en BM4240 (Mirya), Rb Amsterdam 21 juni 2011, nr. 16/694008-10 (Telefoonabonnement en seksuele uitbuiting, niet gepubliceerd), Rb Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2679 (Supermarktdiefstal kleindochter).
Rb Den Haag 27 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3337 en ECLI:NL:RBSGR:2011: BR3367 (Uitbuiting Chinezen als hotelpersoneel), Rb Zwolle-Lelystad 14 december 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BY7662 (Uitbuiting Polen in slachterij), Rb Oost-Nederland 28 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BY9738, BY9733, BY9732 en BY9736 (Uitbuiting in vleesverwerkingsindustrie).
Rb Alkmaar 8 december 2012, ECLI:NL:RBALK:2011:BU8348 en BU8346 (Uitbuiting Oekraïners), Rb Amsterdam 18 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ9113 (Uitbuiting kok in Chinees restaurant).
Zie ook Lindenberg 2014, p. 40.
Zie voor een voorbeeld waarin dit sublid is bewezen verklaard: Rb Den Haag 3 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6374.
Kamerstukken II 1997/98, 25 437, nr. 5 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 22-23. Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 198-199 en Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 273f Sr, aant. 10.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 273f Sr, aant. 10.
Op de gedraging in artikel 273f lid 1 sub 9 Sr staat maximaal 8 jaar gevangenisstraf, op de gedraging in 326 Sr maximaal vier jaar.
Zie ook Van der Meij in T&C Sr, art. 273f Sr aant. 9i.
In de onderdelen 6° tot en met 9° zijn allerlei vormen van het trekken van profijt uit mensenhandel en uitbuiting strafbaar gesteld. De wetgever heeft deze subleden ingevoerd omdat voor een effectieve bestrijding van mensenhandel, niet alleen de mensenhandelaren zelf, maar ook de uitbaters van uitbuiting waarop de mensenhandel is gericht, uitdrukkelijk strafbaar moeten worden gesteld.1 De subleden zijn alle gebaseerd op de oude Nederlandse mensenhandel strafbaarstelling en naar aanleiding van de implementatie van het VN Protocol mensenhandel uitgebreid met orgaanverwijdering. Sub 7 tot en met 9 zijn níet gericht op overige uitbuiting. Alleen sub 6 is uitgebreid met overige uitbuiting (en komt daarom in dit boek uitgebreider aan de orde).
Het zesde onderdeel voert terug op artikel 250a lid 1 sub 4 (oud) Sr. Deze bepaling beoogde achtergronddaders strafbaar te stellen. De wetgever meende dat strafrechtelijk optreden tegen exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie van minderjarigen beter kon worden geëffectueerd indien het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen strafbaar werd gesteld.2
Lid 1 sub 6 en 7 criminaliseren het voordeel trekken uit de uitbuiting dan wel gedwongen orgaandonatie van een ander. De subleden vereisen (voorwaardelijk) opzet op het profijt trekken. Culpoos voordeel trekken is niet strafbaar. In de literatuur bestond onenigheid of opzet ook op de uitbuiting moet zijn gericht.3 Gelet op de wetshistorie van artikel 250a (oud) Sr lijkt het opzet niet te zijn gericht op de uitbuiting. De wetgever heeft namelijk strafbaar willen stellen ‘de achtergronddader die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander, terwijl hij weet of behoort te weten dat die ander zich onvrijwillig prostitueert’.4 Het ‘behoren te weten’ duidt op een culpoze variant.5 Anderzijds wijst de redactie van de subleden 6 en 7 op het tegenovergestelde. Bij de wijziging van de strafbepaling in 2005 is in sub 6 de expliciete strafbaarstelling van de dader die ‘redelijkerwijs moet ver- moeden’ dat sprake is van uitbuiting verwijderd (zie § 3.2). Tegelijkertijd is bij de invoering van sub 7 expliciet opgenomen dat voldoende is dat de dader ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ dat gedwongen orgaandonatie aan de orde is. Dit verschil in redactie rechtvaardigt de veronderstelling dat bij sub 6 de opzet wel op de uitbuiting moet zijn gericht en bij sub 7 niet.6 Dit is bovendien verenigbaar met het algemene uitgangspunt in het materiële strafrecht dat opzet gericht is op de gehele omschrijving van het strafbare feit, zoals die na het woord opzet volgt.7 De Hoge Raad heeft in 2015 dan ook geoordeeld dat het opzet niet alleen op het voordeel trekken moet zijn gericht, maar óók op de uitbuiting.8 De reikwijdte van het delict is daardoor beperkt.
Als opzet op de uitbuiting niet vereist zou zijn, zou het bereik van de bepaling groot zijn. Het kopen van een spotgoedkoop shirtje afkomstig uit Bangladesh in een Nederlandse winkel zou dan onder de strafbepaling kunnen vallen. Dan wordt immers bewust voordeel getrokken van de lage prijs. Bij extreem lage prijzen en de wetenschap dat de arbeidsomstandigheden in Bangladesh slecht zijn, kan bovendien redelijkerwijs worden vermoed dat uitbuiting aan de orde is.9 De vraag is of dergelijk koopgedrag in het algemeen onder het strafrecht zou moeten worden gebracht en voorts of dit als mensenhandel zou moeten worden getypeerd. Het te snel inzetten van strafrecht kan het economische verkeer op een schadelijke wijze belemmeren. Angst voor strafbaarstelling kan ervoor zorgen dat consumenten geen goedkope exotische producten durven te kopen terwijl niet altijd op voorhand kan worden gezegd of daadwerkelijk sprake is van uitbuiting en of een boycot van producten zinvol is.10 Een te ruim delictsbereik kan bovendien de kwalificatie mensenhandel degraderen. In hoofdstuk 6 wordt hierop nader ingegaan. Bovengenoemd voorbeeld omtrent de ‘koopjesconsument’ kan overigens ook gemaakt worden op het gebied van seksuele uitbuiting. Gesteld kan worden dat de klant van een prostituee onder bepaalde omstandigheden redelijkerwijs moet kunnen vermoeden dat sprake is van mensenhandel (bijvoorbeeld omdat de dienstverlening erg goedkoop is, en/of omdat de prostituee geen Nederlands spreekt en/of er heel kwetsbaar uitziet). In beginsel is het niet de bedoeling geweest van de wetgever de klant die gebruik maakt van seksuele dienstverlening van een slachtoffer van mensenhandel onder artikel 273f Sr te brengen. Dat ligt weer anders als de klant en uitbuiter in een en dezelfde persoon samenvallen.11 Theoretisch gezien sluit de redactie van sublid 6 strafbaarstelling van de eenvoudige prostituant echter niet uit.12
In de overige uitbuitingszaken waarin sub 6 is bewezen verklaard, besteden rechterlijke instanties vaak niet expliciet aandacht aan de vraag of het opzet op de uitbuiting aanwezig is. In de meeste gevallen wordt sub 6 ten laste gelegd naast sub 1 en 4. Als die eerste twee subleden worden bewezen verklaard, wordt in sommige zaken nog kort overwogen dat verdachte voorts opzettelijk voordeel heeft getrokken van de uitbuiting en dat dus tevens sprake is van sub 6.13 In andere zaken wordt na een bewezenverklaring van sub 1 en/of sub 4 enkel opgemerkt dat eveneens opzettelijk voordeel is getrokken (zonder dat vervolgens de uitbuiting wordt genoemd) en wordt de bewezenverklaring van sub 6 hiermee afgedaan.14 Het is alleen niet zeker of deze motivering laat zien dat rechters oordelen dat het opzet alleen op het voordeel moet zijn gericht, of dat ze daar verder niet op ingaan omdat bij de andere subleden al besproken is of van opzet op uitbuiting sprake is. Tot slot komt in enkele zaken het opzetvraagstuk helemaal niet aan de orde, maar oordelen rechterlijke instanties (na bewezenverklaring van sub 1 en 4) enkel dat vaststaat dat voordeel is getrokken van de uitbuiting en dus sub 6 is bewezen.15 Nu de Hoge Raad met zijn uitspraak in 2015 duidelijk heeft gemaakt dat het opzet van de dader óók moet zijn gericht op de uitbuiting van een ander, zijn rechters genoodzaakt uitdrukkelijk na te gaan of sub 6 kan worden bewezen en in de motivering op te nemen óf en waarom opzet op het trekken van voordeel én de uitbuiting aanwezig is. De bewijslast van sub 6 is dus zwaar: ten eerste moet vaststaan dat er daadwerkelijke ‘uitbuiting’ is,16 ten tweede moet aantoonbaar zijn dat de dader hier voordeel van heeft getrokken, ten derde moet het opzet van de dader zowel op het voordeel trekken als de uitbuiting kunnen worden bewezen.
Wat betreft sub 7 zij voorts nog opgemerkt dat – net zoals bij sub 4 tweede deel – onduidelijk is wat precies wordt bedoeld met ‘onder de omstandigheden van sub 1’. Houdt dit in dat een wervingshandeling, een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting aanwezig dient te zijn? Of is een ingezet beïnvloedingsmiddel voldoende? Overeenkomstig de lezing in onderdeel 4 – lijkt een beïnvloedingsmiddel genoeg te zijn. Het sublid heeft dan evenwel een grote potentiële reikwijdte: de patiënt, die snel een orgaan krijgt, en gelet op de schaarste van organen redelijkerwijs moet vermoeden dat de donateur onvrijwillig afstand heeft gedaan, kan dan strafbaar worden gesteld.
Lid 1 sub 8 betreft het opzettelijk voordeel trekken van seksuele handelingen tegen betaling dan wel orgaandonatie tegen betaling bij minderjarigen. Blijkens de memorie van toelichting over artikel 250a (oud) Sr is het voordeel van deze delictsomschrijving dat niet het bewijs zal behoeven te worden geleverd dat de minderjarige is bewogen door degene die voordeel geniet. Het is voldoende te bewijzen dat de dader opzettelijk voordeel trekt uit de seksu- ele handelingen van de minderjarige.17 Net zoals bij sub 2 en 5 ontbreekt het vereiste van de onvrijwilligheid en hoeft de dader geen wetenschap omtrent de leeftijd te hebben gehad. Voorts is het ook hier niet de bedoeling van de wetgever geweest de prostituant die seksuele handelingen pleegt met jeugdigen onder de bepaling te scharen. Dit is (onder meer) strafbaar gesteld onder de artikelen 245 en 247 Sr.18 Zoals echter bij onderdeel 6 eveneens is opgemerkt, sluit de vormgeving van de delictsomschrijving strafbaarstelling theoretisch gezien niet uit.
Tot slot ziet onderdeel 9 op de ‘onvrijwillige’ afdracht van de opbrengst uit (vrijwillige) seksuele dienstverlening en orgaanverwijdering.19 Dit sublid is gebaseerd op artikel 250a lid 1 sub 6 (oud) Sr. Gevreesd werd dat zonder de bepaling onvoldoende zou worden voorzien in de mogelijkheid tot optreden tegen gedwongen afgifte van de opbrengst van seksuele handelingen van vrijwillige prostitutie. De wetgever was zich ervan bewust dat bij dit feitencomplex ook kan worden opgetreden op grond van artikel 317 Sr (afpersing), maar in die bepaling ontbreken de componenten misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding. Tevens zag de wetgever in dat optreden mogelijk is op basis van artikel 284 Sr (dwang), maar in die bepaling is de strafbedreiging aanzienlijk lager dan in het mensenhandelartikel.20 De brede reikwijdte van dit sublid is mijns inziens problematisch. Zoals Machielse opmerkt zou degene die – zonder in een uitbuitingssituatie te verkeren – tegen betaling seksuele diensten met derden verricht en die vervolgens door een derde wordt opgelicht, volgens dit onderdeel slachtoffer van mensenhandel zijn, terwijl de oplichter als mensenhandelaar zou kunnen worden vervolgd.21 Het onderdeel strookt niet met het Nederlandse prostitutiebeleid waar vrijwillige seksverleners niet als slachtoffers van mensenhandel worden gezien. Het is voorts niet goed uit te leggen waarom hier de oplichter voor het zwaardere artikel 273f Sr vervolgd zou moeten worden, terwijl het ‘lichtere’ misdrijf oplichting in artikel 326 Sr een veel passender kwalificatie lijkt.22 Dat geldt evenzo voor de persoon die de vrijwillige sekswerker dwingt de opbrengsten af te dragen. Het is niet goed te begrijpen waarom deze gedraging zwaarder zou moeten worden gekwalificeerd dan de persoon die op een andere manier iemand dwingt iets te doen, te laten of te dulden en strafbaar is ingevolge artikel 284 Sr. De vrees dat anders niet kan worden opgetreden tegen afdracht door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding is niet correct: onder artikel 284 valt eveneens het dwingen van een ander door ‘een feitelijkheid’, afdracht door misleiding zou voorts onder oplichting kunnen worden geschaard. Het argument dat de strafmaat van mogelijk alternatieven bepalingen ontoereikend is, is niet overtuigend. Juist de twaalf jaar gevangenisstraf die nu kan worden opgelegd voor deze vorm van profijt trekken, is buitenproportioneel zwaar. De ruime bepaling zorgt er voor dat gedragingen als mensenhandel strafbaar kunnen worden gesteld die geen recht doen aan de ernst van de kwalificatie en de ratio van de strafbaarstelling. In hoofdstuk 5 wordt hierop nader ingegaan.
Bij de subleden 6 tot en met 9 kan, maar hoeft de profiteur niet een andere persoon te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft doen ontstaan.23 De gedragingen onder sub 1 tot en met 5 kunnen daarom samenvallen met de strafbaarstelling van de profiteur.
De wetgever heeft met artikel 273f Sr zo allesomvattend willen zijn, dat alle mogelijke personen die iets te maken hebben met mensenhandel onder de delictsomschrijving zijn gebracht: de handelaar, de exploitant, de faciliteerder, de indirecte profiteur en bij ruime interpretatie zelfs de klant. Het delict kent bovendien overlappende bepalingen. Zoals in hoofdstuk 5 en 6 nader aan de orde komt, is de gecompliceerdheid van de uitgebreide strafbaarstelling en de ruime interpretatiemogelijkheid onwenselijk. Een kernachtiger delictsomschrijving waarbij tevens gebruik wordt gemaakt van de algemene strafrechtleerstukken, zoals deelneming en poging en aanverwante delicten ligt meer in de rede.