De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.4.5:8.3.4.5 De positie van kantoorgenoten en de schijn van partijdigheid
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.4.5
8.3.4.5 De positie van kantoorgenoten en de schijn van partijdigheid
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701956:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:795 (Heinenoord); ABRvS 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:936.
ABRvS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:795 (Heinenoord).
ABRvS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:795 (Heinenoord), r.o. 8.3.
Zie ook: Van Heijst, BR 2016/95.
ABRvS 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:936.
ABRvS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:795 (Heinenoord), r.o. 8.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de uitspraak Raalte blijkt dat de schijn van partijdigheid zich ook uitstrekt over hen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband als de (plan)schadeadviseur. Zulks geldt althans nadrukkelijk voor een advocaat en diens kantoorgenoten. Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak twee uitspraken gedaan over hoe dit zit bij niet-advocaten en hun kantoorgenoten.1
In een uitspraak van begin 2016 (Heinenoord) klaagde appellante – onder expliciete verwijzing naar Helmond I (de uitspraak Raalte was toen nog niet verschenen) – dat de schijn van partijdigheid was gewekt doordat een kantoorgenoot van de planschadeadviseur gelijktijdig aan de onafhankelijke adviesopdracht, een taxatieopdracht voor de gemeente had verricht.2 Dit betoog kon volgens de Afdeling niet slagen omdat de taxateur als ‘adviseur’ en niet als ‘belangenbehartiger’ voor de gemeente was opgetreden.3 Het is opvallend dat de Afdeling het betoog van appellante op die grond verwerpt. Daarmee lijkt zij immers te impliceren dat haar oordeel anders was geweest als de kantoorgenoot van de planschadeadviseur als advocaat voor de gemeente was opgetreden en dat er voor advocaten en hun kantoorgenoten dus strengere eisen gelden dan voor niet-advocaten en hun kantoorgenoten.4
In diezelfde uitspraak voerde appellante ook aan dat bij de behandeling van haar aanvragen een medewerkster van de gemeente betrokken was die ook bij de planschadeadviseur werkzaam is geweest. Dit betoog is in een andere zaak van latere datum nogmaals herhaald.5 Ook dit betoog kon volgens de Afdeling bestuursrechtspraak echter niet baten. Redengevend daarvoor was dat de periode waarin de medewerkster van de gemeente voor de planschadeadviseur werkte eerder was dan de periode waarin het planschadeadvies tot stand kwam. De medewerkster mocht dan wel de contactpersoon voor planschadeaanvragen zijn, maar daarmee had appellant nog niet aannemelijk gemaakt dat die medewerkster ook invloed kon uitoefenen op het advies, zo meende de Afdeling bestuursrechtspraak.6