Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/3.3.1
3.3.1 Kwalificaties van art. 2:11 BW in literatuur en rechtspraak
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS298882:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Duinkerke en Van de Kuilen 2013.
Wennekes en Troost 2015, p. 137.
Borrius 2008, nr. 2 en Lennarts 1999, p. 175.
Wezeman 1998, p. 369.
Wezeman 1998, p. 370.
Gerechtshof Leeuwarden 17 april 2012, JOR 2013, 55 (Lizmar Holding/Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen), r.o. 5.
Huizink 2001, p. 274. Aardig is om in dit verband te verwijzen naar Lennarts 1999, die op p. 175 – in het kader van art. 2:403 BW – opmerkt dat het Nederlandse vennootschapsrecht één specifieke concernrechtelijke bepaling kent op grond waarvan aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor bepaalde schulden van de dochter kan worden aangenomen.
Olden 2012.
Vgl. Van Schilfgaarde en Winter 2009, par. 49.
Bartman, Dorresteijn en Olaerts 2016, p. 279.
Bulten en Leijten 2013, p. 163.
Bartman 2010, p. 105.
Maeijer 2008.
Vgl. Wezeman, J.B., Groene Serie Faillissementswet, commentaar op art. 2:138 BW, par. 2.3.
Uniken Venema 1981, p. 161-162.
Wezeman 1998, p. 365.
Van Roessel 2014.
Tuit 1982, p. 111.
Relativering van de gelding van een rechtspersoon als rechtssubject. Zie: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 55.
Honée 1986, p. 102.
Tuit 1982, p. 109.
Uniken Venema 1981, p. 161.
Honée 1986, p.104.
Van Schilfgaarde 1986, p. 87.
Uniken Venema 1981, p.158.
Rechtbank ’s-Gravenhage 4 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3128; NJF 2012, 252.
Bulten 2014a.
Bartman 1985.
Zie: Bartman 2016 (a), nr. 2, alsmede de titel van dit onderzoek.
Mellenberg 2011, par. 3.3.
Voor het verschil tussen die begrippen wordt verwezen naar par. 2.2.6.1.
Vgl. Van Schilfgaarde en Winter 2009, par. 49.
Schild 2015, par. 5.
In de literatuur en rechtspraak zijn verschillende kwalificaties te vinden van art. 2:11 BW, zoals onder meer “doorbraakregel”1, “doorbraakregeling”2, “doorschuifregel”, “fictie”, “doorschakelbepaling”3, “doorschakelartikel”4, “doorschakelregeling”5, “doorgezette aansprakelijkheid”6, “de enige boek 2 BW-bepaling die specifiek betrekking heeft op aansprakelijkheid in concernverhoudingen”7, “verlenging van aansprakelijkheid”8, “wettelijk geregelde vorm van doorbraak van aansprakelijkheid”9, “een vorm van wettelijke doorbraak van aansprakelijkheid”10, een “wettelijke vorm van doorbraak”11, “een wettelijke vorm van doorbraak van aansprakelijkheid”12, “een door de wet zelf bewerkstelligde rechtstreekse doorbraak van aansprakelijkheid”13, een “uitbreidingsregel”14, een “doorbraak-zonder-meer”15, een “definitie- of doorschakelbepaling”16, “het centrale artikel voor doorbraak van bestuurdersaansprakelijkheid”17, “een zuivere toepassing van de ‘piercing’ of ‘lifting’-doctrine”18, “een voorbeeld van wettelijke relativering”19, “een nieuwe variant van ketenaansprakelijkheid”20, “een juridische kostbaarheid”21, “een ‘absolute’ doorbraakregeling”22, “een zuiver voorbeeld van ‘doorbraak’”23, “een bijzondere aansprakelijkheidsregel”24, “een zelfstandig geval van ‘doorbraak van aansprakelijkheid’”25, een “bijzondere aansprakelijkheidsgrondslag”26, een “lastige doorbraakbepaling”27, “doorgeefregeling”28 en “doorgeefluik voor bestuurdersaansprakelijkheid”29. Volgens Mellenberg is in art. 2:11 BW een vorm van vereenzelviging wettelijk vastgelegd.30 Aan voormelde reeks zou ik nog de term “doorgrijpmogelijkheid” willen toevoegen.
Art. 2:11 BW is vaak van toepassing in groeps- en concernverhoudingen.31 Van Schilfgaarde merkt in dit kader op dat art. 2:11 BW speciaal is toegesneden op de aansprakelijkheid in concernverhoudingen.32
De aansprakelijkheid via art. 2:11 BW kwalificeer ik als een vorm van “indirecte bestuurdersaansprakelijkheid”. De eerstegraads bestuurder is direct bestuurdersaansprakelijk. De tweedegraads bestuurder is indirect bestuurdersaansprakelijk. Daarbij geef ik een andere inhoud aan dat begrip dan Schild. Hij verstaat namelijk onder indirecte bestuurdersaansprakelijkheid: de actie uit onrechtmatige daad jegens een (holding)vennootschap die gebrek aan het nemen van verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid bij een dochtervennootschap wordt verweten.33 Voor de goede orde: een dergelijke (holding)vennootschap hoeft niet een bestuurder te zijn van de betreffende dochtervennootschap. Schild beschouwt indirecte bestuurdersaansprakelijkheid derhalve niet als een zuivere bestuurdersaansprakelijkheid.