Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.1:7.1 Inleiding
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950296:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het bestaan van een opschortingsbevoegdheid ex artikel 6:52 lid 1 BW is geen gerechtelijke procedure nodig. Een geval waarin de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis opschort, behoeft ook niet tot een gerechtelijke procedure te leiden. De wederpartij kan berusten in het uitgeoefende opschortingsrecht en bijvoorbeeld eerst harerzijds presteren, om zo de opschortingsbevoegdheid te doen eindigen. Doorgaans zal de schuldenaar zijn verbintenis vervolgens alsnog nakomen. Nochtans wordt niet zelden een opschortingsgeval aan een rechter voorgelegd. Dit hoofdstuk gaat in op een aantal processuele aspecten van het algemene opschortingsrecht dat dan een rol speelt of kan spelen. De paragrafen 2 en 3 hebben vooral betrekking op de positie van de schuldenaar door in te gaan op het beroep op een opschortingsrecht als een zelfstandig essentieel verweer (§ 7.2) en als een bevoegdheid van de schuldenaar (§ 7.3). Voor het voeren van een opschortingsverweer is niet vereist dat de schuldenaar in rechte een eis instelt (§ 7.4). In § 7.5 komt de positie van de wederpartij aan de orde door in te gaan op het verweer tegen een opschortingsverweer. Het rechterlijk oordeel komt aan de orde in de paragrafen 6 tot en met 8. Daarin komt eerst de ex nunc beoordeling van het opschortingsverweer aan de orde (§ 7.6). In § 7.7 staat de bindende kracht van een rechterlijke beslissing op een opschortingsverweer centraal. In § 7.8 ga ik in op het dictum. Dit hoofdstuk rondt af met een samenvatting en tussenconclusie (§ 7.9).
Opgemerkt zij dat dit hoofdstuk strikt genomen niet valt binnen het bereik van de centrale vraag, omdat in een voorkomend geval de opschortingsbevoegdheid of -onbevoegdheid niet is gegrond op het procesrecht of ontleend aan de beslissing van de rechter, maar aan het antwoord op de vraag of is komen vast te staan dat aan de vereisten van artikel 6:52 lid 1 BW is voldaan, hetgeen de rechter dan heeft beoordeeld. In vergelijkbare zin geldt dit ook voor de uitoefening van die opschortingsbevoegdheid. Dat de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid in een voorkomend geval niet mag uitoefenen, is de uitkomst van de beoordeling van de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich op het hem toekomende algemene opschortingsrecht beroept. Mijn bevindingen geven mij niettemin aanleiding om wel op deze processuele aspecten in te gaan.