Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.6.5
3.6.5 Opbouw van een opschortingsverweer
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950289:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Vermeij 2022, p. 777. Zie ook § 7.2.2.
Zie ook Klomp 2019a, aant. 3, over het algemene opschortingsrecht als subsidiair verweer.
Omdat een opschortingsverweer regelmatig gepaard gaat met een verrekeningsverweer, merk ik hierbij voor de volledigheid op dat een verrekeningsverweer dan méér subsidiair dient te worden gevoerd, omdat verrekening een vorm van voldoening of betaling is, waardoor een schuldenaar enerzijds te kennen kan geven zijn prestatie juist niet te willen uitstellen en anderzijds zijn opeisbare vordering teniet kan doen gaan, hetgeen voor hem nadelig kan zijn indien de waarde van zijn vordering de waarde van de verbintenis overstijgt (zie ook § 2.5.5 en § 6.3.2.2). Zie bijv. Rb. Amsterdam 26 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6146, r.o. 5.38.
De schuldenaar die voornemens is een beroep op het algemene opschortingsrecht te doen, moet bij de opbouw van zijn verweer scherp voor ogen houden dat artikel 6:52 lid 1 BW een opeisbare verbintenis vereist, waarvan de schuldenaar tot nakoming in staat is. Een schuldenaar die bij het ontbreken van een verbintenis of bij niet-opeisbaarheid of onmogelijkheid van nakoming daarvan wel primair een beroep zou doen op het algemene opschortingsrecht, zou zich namelijk behoorlijk in de vingers kunnen snijden. Hij zou met de uitoefening van zijn algemene opschortingsrecht kunnen erkennen een opeisbare verbintenis te hebben tegenover zijn schuldeiser en in staat te zijn die verbintenis na te komen.1 De schuldenaar doet er daarom verstandig aan om subsidiair een beroep te doen op het algemene opschortingsrecht door – indien mogelijk en zinvol – eerst het bestaan van de verbintenis en daarna de opeisbaarheid daarvan te betwisten, alsook aan te voeren dat hij niet tot nakoming in staat is.2 Voor zover nog onduidelijk is of een opeisbare verbintenis bestaat, maar al wel duidelijk is dat de schuldenaar in dat geval opschortingsbevoegd zou zijn op grond van artikel 6:52 BW, kan hij een slag om de arm houden door te stellen dat hij zich, voor zover een opeisbare verbintenis zou komen vast te staan, beroept op een opschortingsrecht.3