Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.2.1.2
3.2.1.2 Inbreuken op privacy
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285668:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk: EHRM 24 april 1990 (Kruslin & Huvig), ECLI:NL:XX:1990:AD5851, NJ 1991/523 over ‘in accordance with the law’ (voldoende basis in het geschreven of ongeschreven recht, toegankelijkheid en voorzienbaarheid).
Wisselink 1982, blz. 351. Wisselink constateerde dat de bescherming van de privacy sterk werd uitgehold door de ongecontroleerde toepassing van art. 67, tweede lid, AWR (oud).
Ch.P.A. Geppaart, Minder openbaarheid bij de opsporing van fiscale delicten, WFR 1996/619.
G.H. Sjobbema, Voorstel voor een verbeterd systeem van informatieverplichtingen ten dienste van belastingheffing, WFR 2007/67. Vergelijk: HR 10 december 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB4412, NJ 1975/178 waarin een verzekeringsmaatschappij met een beroep op art. 8 EVRM tevergeefs trachtte om inzage in het register van verzekerde pleziervaartuigen te voorkomen.
Van Soest 1966, blz. 11. Vergelijk: VV, Kamerstukken II 1989/90, 21 287, nr. 4, blz. 12 waar wordt betoogd dat bij verzoeken om informatie zo min mogelijk gevraagd moet worden naar geheime zaken, receptuur enz.
Zie uitgebreider: Hoofdstuk 4, par. 5.3.
Ook een adequate beveiliging, tijdige vernietiging of het niet opvragen van de gegevens draagt bij aan de bescherming van de privacy.
Van Kalmthout 2013.
Brief Staatssecretaris van Financiën van 13 maart 1998, nr. WJB 98/46, V-N 1998/19.6.
Vergelijk: A.C. Breuer, J.P. Boer & S.C.W. Douma, Uitwisseling van tax rulings, WFR 2016/50 die verwijzen naar art. 8bis, zesde lid, onderdeel b van de Richtlijn (EU) 2015/2376.
Inbreuken op het recht op privacy zijn toegelaten, mits deze een formele wettelijke grondslag hebben die herleidbaar en toegankelijk is.1 In zijn dissertatie uit 1982 concludeerde Wisselink dat de belastingwet zich bijna nergens direct bezighield met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de vele, vergaande fiscale informatieverplichtingen.2 Geppaart gaf aan dat niet genoeg kon worden gezegd dat het recht op privacy niet nodeloos mag worden aangetast.3 Sjobbema stelt dat het belang van fiscale waarheidsvinding in het algemeen prevaleert boven het belang van privacybescherming.4 Dit neemt niet weg dat, zoals Van Soest betoogde, de inspecteur een afweging dient te maken tussen de privacy en het belang van een materieel juiste belastingheffing. Die afweging zou ertoe kunnen leiden dat de inspecteur er soms ook voor moet kiezen om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheden om informatie op te vragen.5 Gegevens die door de inspecteur niet zijn opgevraagd hoeven vervolgens niet met een geheimhoudingsbepaling te worden beschermd.6 Een geheimhoudingsverplichting is een van de middelen om de privacy te beschermen.7 Van Kalmthout betoogt dat het legaliteitsbeginsel en het recht op privacy mede dragend moeten zijn voor de fiscale geheimhoudingsplicht.8 Het waarborgen van de vertrouwelijkheid van aan de Belastingdienst verstrekte gegevens is essentieel voor het kunnen waarborgen van de (bedrijfs)belangen van belastingplichtigen en voor de privacybescherming.9 Hieronder valt ook het handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze.10