De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.3.2.3:15.3.2.3 Uitwerking
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.3.2.3
15.3.2.3 Uitwerking
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363953:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ten slotte, omwille vanwege de leesbaarheid wordt de verwerver van overwegende zeggenschap in enkelvoud geadresseerd. De vrijstelling ziet echter net zo goed op situaties waarin meerdere personen gezamenlijk overwegende zeggenschap verkrijgen.
In die zin Nieuwe Weme 2004, p. 168 (voetnoot 110).
Goed denkbaar is dat de macht van de grootaandeelhouder wordt beperkt door de aanwezigheid van de andere partijen bij het samenwerkingsverband, zie daarover eerder § 2.2.7 en § 2.4.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gezegd is een vrijstelling voor wijzigingen in de omvang en/of samenstelling van een vrijgesteld samenwerkingsverband gerechtvaardigd, mits geen sprake is van een change of control binnen het samenwerkingsverband. De door mij voorgestane benadering kan in uiteenlopende situaties worden toegepast. Denk aan: vergroting of verkleining van belangen van deelnemers; toetreding of uittreding; interne verschuiving van belangen; wijziging van de besluitvormingsregels binnen het samenwerkingsverband; wijzigingen van een groepsverband in een contractueel samenwerkingsverband (en andersom), en overgang van directe naar indirecte controle (en andersom). Ik bepleit de volgende vrijstellingsregeling:
Van art. 5:70 lid 1 Wft is vrijgesteld degene1 die overwegende zeggenschap verkrijgt als gevolg van een wijziging in de omvang of samenstelling van een samenwerkingsverband van personen die in onderling overleg handelen, tenzij:
deze persoon een meerderheid van de door het samenwerkingsverband gehouden stemrechten kan uitoefenen; en,
hij de wijze van uitoefening van het stemrecht dat hij tezamen met de personen met wie hij in onderling overleg handelt kan uitoefenen, eenzijdig kan bepalen.
In het onderstaande licht ik de belangrijke onderdelen uit de door mij voorgestelde regeling toe.
I. Aansluiten bij de zeggenschap
Aansluiten bij andere omstandigheden dan de zeggenschap, zoals het eigen vermogen of kapitaal2 , lijkt mij niet wenselijk. Zij lossen een groot deel van de hiervoor genoemde problemen op, maar zien niet op de controle in het samenwerkingsverband en zijn daarom enigszins willekeurig. Eveneens onwenselijk is een regeling zoals in België en Zwitserland waar de biedplicht rust op de deelnemer aan het samenwerkingsverband die individueel meer dan 30% van de stemrechten kan uitoefenen; komt niemand individueel boven die grens dan rust de biedplicht hoofdelijk op allen (§ 5.9). Het nadeel van dit criterium is dat het niet uit de voeten kan met zeggenschapsverhoudingen die niet op stemmenbezit zijn gebaseerd (vgl. eerder § 15.2.5.3 sub II). Bovendien is het maar de vraag of degene die meer dan 30% van de stemrechten heeft ook daadwerkelijk de zeggenschap heeft binnen het samenwerkingsverband (vgl. eerder § 13.4.3.3).3
II. Toepassing in de praktijk
De voorgestelde voorwaarden sluiten aan bij de reeds bestaande vrijstelling voor toetreding tot een krachtens overgangsrecht vrijgesteld samenwerkingsverband van art. 2 lid 5 Vrijstellingsbesluit (§ 15.2.2.3). Hiermee wordt tegenmoet gekomen aan de behoefte aan duidelijke en eenduidige regels in de praktijk, zonder dat minderheidsaandeelhouders minder beschermd worden.
III. Grondslag vrijstelling samenwerkingsverband niet van belang
De grondslag van de vrijstelling van het samenwerkingsverband is naar mijn mening niet relevant. Waar het om gaat is dat minderheidsaandeelhouders in geval van een change of control in een vrijgesteld samenwerkingsverband beschermd worden, ongeacht op welke grond deze vrijstelling is verkregen. Naast de door mij voorgestane algemene vrijstellingsregeling kunnen eerdergenoemde overgangsrechtelijke vrijstellingen vervallen (zie eerder § 15.2.2).