Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/10.4.4
10.4.4 Alternatieven
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS349482:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De eerste twee van de in deze paragraaf genoemde alternatieven worden ook door Van Solinge genoemd, Van Solinge, Registratiedatum voor beschermingsprefs, WPNR 6872 (2011), p. 78.
Blijkens de literatuur is een verdaging van de vergadering in beginsel mogelijk door degene die de algemene vergadering heeft bijeengeroepen. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*2009/341. Zie ook Handboek 2013/208.
Veelal bepalen de statuten van beursvennootschappen dat dergelijke belangrijke besluiten slechts op voorstel genomen kunnen worden van het bestuur al dan niet met goedkeuring van de raad van commissarissen en dat indien het voorstel geschiedt op voorstel van het bestuur (en de raad van commissarissen), dergelijke besluiten met gewone meerderheid genomen kunnen worden. Dit zal dus niet voldoende zijn en de statuten zullen moeten bepalen dat ook in die situaties waarin het besluit wordt genomen op initiatief van het bestuur (en de raad van commissarissen) een versterkt aanwezigheidsquorum geldt.
Stel nu dat desondanks vlak voor of na de registratiedatum het vermoeden bestaat dat een (groot)aandeelhouder tegen een voorstel stemt, waarvan aanname door de algemene vergadering van belang voor de vennootschap zou zijn. Wat kunnen de vennootschap en de stichting in zo’n situatie doen?1 Bij het geringste gevaar kan de stichting het zekere voor het onzekere nemen en de optie voorafgaand aan de registratiedatum uitoefenen. Daarbij moet de stichting het bepaalde in art. 5:70 lid 1 letter c Wft in ogenschouw nemen.
Oefent de stichting de optie niet uit en vindt de algemene vergadering doorgang, dan zal het voorstel in die vergadering vermoedelijk niet worden aangenomen. Vervolgens wordt een nieuwe algemene vergadering bijeengeroepen waarin het voorstel opnieuw in stemming gebracht wordt. Voor de tweede vergadering zal een nieuwe registratiedatum gelden. De stichting continuïteit zou dan voorafgaand aan de registratiedatum voor die nieuwe vergadering de optie kunnen uitoefenen en daarmee net geen overwegende zeggenschap kunnen verwerven. Vervolgens kan zij als stemgerechtigde in de nieuwe vergadering op de beschermingsprefs stemmen. Een variant hierop is dat het bestuur van de vennootschap de algemene vergadering verdaagt.2 Ondertussen oefent de stichting de optie uit. Vervolgens roept het bestuur een nieuwe algemene vergadering bijeen met dezelfde agenda als die van de oorspronkelijke vergadering. De stichting zal dan als stemgerechtigde aan die vergadering kunnen deelnemen.
Een mogelijk laatste alternatief dat ik hier bespreek is het volgende. Art 2:119 lid 1 BW bepaalt dat zij die op de registratiedatum aandeelhouder zijn stemgerechtigd zijn, en niet zij die op de datum van de algemene vergadering aandeelhouder zijn. Er wordt aldus een keuze gemaakt tussen twee momenten waarop men stemgerechtigd dient te zijn. Dit is iets anders dan aandelen waarop überhaupt geen stemrecht kan worden uitgeoefend, zoals aandelen die worden gehouden door de vennootschap zelf. Ik zou daarom menen dat aandelen die na de registratiedatum worden uitgegeven en waarop aldus op grond van art. 2:119 lid 1 BW niet gestemd kan worden, niet hoeven te worden beschouwd als aandelen waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden bij de vaststelling in hoeverre het aandelenkapitaal vertegenwoordigd is in de zin van art. 2:24d BW. Dit gezegd hebbende, zou in de statuten kunnen worden bepaald dat bepaalde cruciale besluiten van de algemene vergadering, zoals het benoemen en ontslaan van bestuurders en commissarissen, statutenwijziging, fusie, splitsing, et cetera, slechts genomen kunnen worden indien een bepaald gedeelte van het geplaatste kapitaal – zeg twee derde – vertegenwoordigd is in de algemene vergadering.3 Indien de agenda van een algemene vergadering een dergelijk voorstel bevat en het bestuur kort na de registratiedatum ter oren komt dat een activistische aandeelhouder onheuse intenties heeft, dan oefent de stichting de optie uit. De stichting meldt haar beschermingsprefs niet aan, waardoor een groot gedeelte van het geplaatste aandelenkapitaal (30% minus één aandeel) niet ter vergadering is vertegenwoordigd. De kans is dan erg klein dat in die vergadering twee derde van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is. Het voorstel kan niet worden aangenomen. Om desondanks toch tot besluitvorming te kunnen komen, zouden de statuten moeten bepalen dat er in die situatie een tweede vergadering kan worden belegd, waarin het besluit kan worden genomen zonder quorumeis, of met een lagere quorumeis. Voor die vergadering zal dan een nieuwe registratiedatum moeten worden vastgesteld en omdat de beschermingsprefs dan al zijn geplaatst, kan de stichting in die tweede vergadering wel het stemrecht uitoefenen.