Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.1.1
2.1.1 De parlementaire geschiedenis van art. 67 AWR
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285665:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 juli 1959, houdende regelen, welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn (Algemene wet inzake rijksbelastingen), Kamerstukken II 1957/58, 4080, Stb. 1959, 301.
Feteris 2007, blz. 12. Zie ook: VV, Kamerstukken II 1949/50, 915, nr. 4, blz. 31 waarin wordt opgemerkt dat voor de SW 1956 reeds vervallen wetten en besluiten moeten worden geraadpleegd. Gepleit werd voor een algemene wet op het gebied van het fiscaal strafrecht, strafprocesrecht, boekhouding, geheimhouding enz. Vergelijk: Kamerlid Hofstra die bij de behandeling van de Wet VFN betreurde dat de Wet VFN slechts de codificatie van een fragment van de belastingwetgeving betrof (Handelingen II 1951/52, blz. 1864) en Kamerlid Lucas die pleitte voor een algemene wet (Handelingen II 1951/52, blz. 1937).
Zie uitgebreider: Douma e.a. 2019 (v/h De Blieck), blz. 1-6.
Art. 65 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 2. De bepaling is (ongewijzigd) vernummerd naar art. 67 AWR bij Nader gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken I 1957/58, 4080, nr. 157.
MvT, Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, blz. 23. Vergelijk: Wattel 1992, blz. 220 die aangeeft dat de strekking van de bepaling niet uit de wordingsgeschiedenis van de AWR blijkt.
A-G W.P. Bakhoven constateert in zijn conclusie voorafgaand aan HR (civiele kamer) 14 mei 1964, ECLI:NL:HR:1964:15, NJ 1964/430 dat de memorie van toelichting summier is en dat dit hem niet veel verder brengt.
O.a.: De Jonge die – alleen al vanwege de omvang van de memorie van toelichting – tot de conclusie kwam dat het wetsvoorstel van grote betekenis was (L.J.M. de Jonge, Het ontwerp algemene wet inzake rijksbelastingen, WFR 1955/1019).
F.A. Fray, Ontwerp van de algemene wet inzake rijksbelastingen, WFR 1955/1233 en WFR 1955/1258. Een citaat van Fray mag in dit kader niet onvermeld blijven: “Appelen, snijbonen en een doos schoensmeer kan men in een boodschappenmandje doen, maar daarom blijven het onderscheiden grootheden, die ieder hun eigen behandeling vragen”.
H.J. Hofstra, Herziening van de belastingwetgeving, De Naamlooze Vennootschap november 1955, nr. 8.
L.J.M. de Jonge, Het ontwerp algemene wet inzake rijksbelastingen, WFR 1955/1149. Andere bijdragen stonden in WFR 1955/1019, WFR 1955/1049 en WFR 1955/1129.
J.P. Scheltens, Het Ontwerp van een Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, Maandblad voor Belastingrecht 1955/1956, nr. 1 t/m 6, blz. 74.
De AWR is tot stand gekomen omdat voorheen iedere heffingswet zijn eigen formele voorschriften kende die op het punt van inhoud en redactie verschillend waren geredigeerd.1 Hierdoor was een onoverzichtelijke situatie ontstaan.2 Met een algehele herziening en vereenvoudigingsoperatie werd getracht eenheid te scheppen.3 Een van de formeelrechtelijke bepalingen die uniform in de AWR werd opgenomen, was een algehele geheimhoudingsbepaling.4 De memorie van toelichting met betrekking tot deze bepaling was zeer beperkt.5 In wezen werd niet meer opgemerkt dan dat het artikel diende ter vervanging van een aantal gelijksoortige bepalingen, voorkomende in diverse materiële belastingwetten.6 Daarnaast werd verwezen naar de sanctiebepaling in art. 272 Sr bij schending van de geheimhouding. Gedurende de verdere parlementaire behandeling is over de geheimhoudingsbepaling geen enkele opmerking gemaakt.
In de fiscale literatuur is het grote belang van het wetsvoorstel onderkend.7 Over de in het wetsvoorstel opgenomen geheimhoudingsplicht is echter weinig terug te vinden. Fray gaat in zijn kritische commentaar op het wetsvoorstel – hij vroeg zich af of een algemene wet die op allerlei belastingen van toepassing zou moeten zijn wel zou werken – in het geheel niet in op de geheimhouding.8 In zijn eveneens kritische commentaar merkt Hofstra over de verplichting tot geheimhouding slechts zijdelings op dat dit in beginsel uitputtend is geregeld.9 De Jonge heeft een serie van vier artikelen gewijd aan het wetsvoorstel waarbij de geheimhouding slechts éénmaal, zeer marginaal is genoemd.10 Scheltens gaat in zijn zesluik over het wetsvoorstel kort in op de geheimhoudingsplicht.11 Hij stelt dat met de uitbreiding van de geheimhoudingsplicht in art. 102 Wet IB 1914 voor de niet-ambtelijke deskundigen ten onrechte is afgeleid dat op grond van die bepaling de belastingconsulent ook tot geheimhouding verplicht zou zijn.