Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.5.0
8.5.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452932:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In vergelijking met het oude art. 39, vijfde lid, (oud) Wet IB zijn de woorden 'overdrachtsprijs, onderscheidenlijk verkrijgingsprijs' vervangen door het woord 'tegenprestatie', hetgeen een wets-tekstuele verbetering is, Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 55. Bij gebruik van de woorden 'overdrachtsprijs, onderscheidenlijk verkrijgingsprijs', zoals dat onder de aanmerkelijkbelangregeling het geval was, zou strikt genomen geen rekening kunnen worden gehouden met de ten laste van de vervreemder resp. verkrijger komende kosten. De gehele in art. 20c, tweede resp. derde lid, eerste volzin, Wet IB gedefinieerde overdrachtsprijs en verkrijgingsprijs zou dan immers moeten worden vervangen door de waarde in het economische verkeer van de aandelen en niet alleen het onderdeel tegenprestatie; de (ten laste van de vervreemder resp. verkrijger komende) kosten zouden dan in het niet vallen. Zie over de oude regeling van art. 39. vijfde lid, (oud) Wet IB, T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang. Fiscale monografie nr. 19, 2e druk, blz. 210 e.v., Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangrege-ling, Fed's fiscale brochures, blz. 129-130 en blz. 158 e.v., FED, Deventer, 1995, alsmede H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.7.B, Gouda Quint, Deventer.
De suggestie in het voorlopig verslag om de correctie van art. 20c, vierde lid, Wet IB te beperken tot de nominale waarde van de aandelen is door de staatssecretaris van Financiën mijns inziens terecht niet overgenomen. Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 751, nr. 7, blz. 63-64.
Zie over de invulling van het begrip 'niet onder normale omstandigheden' onder meer HR 26 november 1969, BNB 1970/13, HR 24oktober 1973, BNB 1973/249, HR4mei 1977, BNB 1977/140, HR 10 december 1980, BNB 1981/19 en HR 4 juli 1990, BNB 1990/256. Vgl. voorts J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 159 e.v., Fed, Deventer, 1995 en H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.7.B, Gouda Quint, Deventer.
Onder het Besluit IB 1941 ontstond in geval van schenking van aanmerkelijkbelangaandelen nog een lek in de belastingheffing, aangezien de schenker bij gebreke van een overdrachtsprijs niet in de aanmerkelijkbelangheffing kon worden betrokken en voor de begiftigde de waarde in het economische verkeer van de aanmerkelijkbelangaandelen als verkrijgingsprijs gold. Vgl. HR 26 mei 1965, BNB 1965/201.
In deze zin J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 124, Fed, Deventer, 1995; P.H.J. Essers, Aanmerkelijk belang in de voorperiode, WFR 1990/5913, blz. 658 e.v.
HR 4 mei 1977, BNB 1977/140 en HR 20 december 1989, BNB 1990/55.
Zie bijvoorbeeld art. 25, derde lid, onderdeel d, achtste lid, onderdeel b, tiende lid, zestiende lid, onderdelen a en b en zeventiende lid, art. 31. derde lid, Wet IB, e.d.
Evenals dat in de tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling het geval was, kent ook de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een met art. 39, vijfde (en zevende) lid, (oud) Wet IB vergelijkbare bepaling. Ingevolge art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB wordt de tegenprestatie1 op de waarde in het economische verkeer van de (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen gesteld ingeval bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. 2,3 Deze bepaling zorgt er dus voor dat in geval van een (formele en materiële) schenking de aanmerkelijkbelangheffing tot zijn recht komt.4 Als tijdstip waarop art. 20c, vierde lid, Wet IB moet worden toegepast, ligt voor de hand uit te gaan van het tijdstip waarop de aanmerkelijkbelanghouder zich definitief bindt, d.w.z. het tijdstip waarop het economische belang bij de aanmerkelijkbelangaandelen overgaat op de nieuwe aandeelhouder(s).5 In geval van verlening van een optie op aanmerkelijkbelangaandelen tegen een te lage prijs dient echter naar de opvatting van de Hoge Raad te worden uitgegaan van het moment waarop de optie wordt uitgeoefend, hoezeer de optieverlener deze prijs bij een zakelijk tot stand gekomen uitoefenprijs nooit had kunnen bedingen.6
De vraag rijst of in het nieuwe gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregime een regeling als art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB had kunnen worden gemist dan wel had kunnen worden beperkt tot situaties van sfeerovergang. Een correctieregeling als art. 20c, vierde lid, Wet IB heeft immers als nadeel dat belastingplichtigen in de belastingheffing worden betrokken voor bedragen die zij niet daadwerkelijk hebben genoten. In zoverre komt de belastingheffing dan los te staan van het aan de huidige Wet IB ten grondslag liggende reële stelsel. Overigens geschiedt dit bij de bron 'winst uit onderneming' op dezelfde wijze en leiden onttrekkingen in de winstsfeer ook steeds tot het in aanmerking nemen van winst (uit onderneming) voor de waarde in het economische verkeer van het aan het vermogen van de onderneming onttrokken vermogensbestanddeel. In die zin is de regeling van art. 20c, vierde lid, Wet IB vergelijkbaar met de uit de winstsfeer op art. 7 Wet IB gebaseerde regeling inzake de onttrekkingen. Zou een regeling als art. 20c, vierde lid, Wet IB daarentegen ontbreken, dan is anderzijds het bezwaar dat de aanmerkelijkbelangheffing te zijner tijd plaatsvindt bij een ander subject dan degene bij wie de aanmerkelijkbelangwinst is ontstaan; er ontstaat dan een subjectswisseling, hetgeen in strijd komt met een subjectieve belastingheffing. Bevindt het nieuwe subject zich vervolgens in een andere sfeer dan de aanmerkelijkbelangsfeer, bijvoorbeeld de winstsfeer, dan zou de aanmerkelijkbelangclaim zelfs volledig verloren kunnen gaan. Voorts zou bij het ontbreken van een met art. 20c, vierde lid, Wet IB vergelijkbare regeling een niet-reëel aanmerkelijkbelangverlies kunnen worden gecreëerd door de aanmerkelijkbelangaandelen voor een willekeurig bedrag van bijvoorbeeld ƒ nihil te vervreemden. Ter grootte van de verkrijgingsprijs ontstaat dan een (niet reëel) aanmerkelijkbelangverlies, welk verlies op geen enkele wijze verband houdt met de waarde van de aandelen in de vennootschap. Het geheel overziende kom ik tot de conclusie dat art. 20c, vierde lid, Wet IB als anticlaimverliesbepaling kan worden gebillijkt. Met name de volstrekte manipulatie van de in aanmerking te nemen aanmerkelijkbelangwinst die op geen enkele wijze een reële band heeft met de werkelijke waarde van de aandelen, brengt mij tot deze conclusie. Het claimverlies dat optreedt door de overgang van de (aanmerkelijkbelang)aande-len naar een andere sfeer, zou nog wel kunnen worden afgedekt door art. 20c, vierde lid. Wet IB te beperken tot situaties van sfeerovergangen. Alsdan gaat immers een reële aanmerkelijkbelangclaim verloren; hiervan zijn reeds voldoende voorbeelden in de Wet IB voorhanden.7 Maar ook als de werking van art. 20c, vierde lid, Wet IB zou worden beperkt tot sfeerovergangssituaties en geen correctie van de overdrachtsprijs en verkrijgingsprijs zou plaatsvinden als de aandelen bij het nieuwe subject tot de aanmerkelijkbelangsfeer zouden blijven behoren, dan nog zou de mogelijkheid bestaan om de (subjectieve) aanmerkelijkbelangwinst op oneigenlijke wijze te beïnvloeden. Mede gelet op de vergelijkbare in de winstsfeer bestaande regeling voor onttrekkingen van vermogensbestanddelen aan het ondernemingsvermogen en de sedert 1 januari 1997 ontstane grotere gelijkenis van aanmerkelijkbelanghouders met ondernemers, meen ik dat een regeling als art. 20c, vierde lid, Wet IB moet worden gehandhaafd, niettegenstaande de inbreuk die deze regeling maakt op het reële stelsel dat in beginsel aan de Wet IB ten grondslag ligt.