Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.4.2
7.4.2 Commune gevallen
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435515:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Cheshire & North (1999), p. 266-267; Dicey & Morris (2000), p. 392-393. Zie ook J. Harris, Stays of Proceedings and the Brussels Convention', ICLQ 2005, p. 949.
Sarrio v. Kuwait Investment Authority [1997] 1 Lloyd's Rep. 113 (CA); Haji-loannou v. Frangos [1999] 2 Lloyd's Rep. 337 (CA).
Twijfel bij J. Fawcett, `Common law practices and the Brussels Convention', Tijdschrift@ipr.be 2005, p. 108
The Xin Yang [1996] 2 Lloyd's Rep. 217, 222.
Cheshire & North (1999), p. 267; Dicey & Morris (2000), p. 393. Vgl. HvJ EG, 1 maart 2005, C-281/ 02, Jur. 2005, p. 1-1383, Owusu/Jackson, r.o. 9: 'Een Engelse rechterlijke instantie die op grond van de forum non conveniens-exceptie beslist om haar bevoegdheid niet uit te oefenen, houdt de zaak aan, zodat de aldus voorlopig geschorste procedure kan worden hervat indien met name zou blijken dat de buitenlandse rechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen of dat verzoeker voor dit forum geen toegang heeft tot een doeltreffende rechtsbedeling.'
Hetzelfde probleem van onbedoelde litispendentie kan zich voordoen als een gerecht van een niet-lidstaat, bijv. de VS, zich forum non conveniens verklaart ten gunste van de Nederlandse rechter. Art. 12 Rv schrijft dan voor dat de chronologisch als laatst geadieerde Nederlandse rechter tot aanhouding van de zaak kan beslissen. Zie par. 3.8.
Indien een geschil buiten het materiële en/of formele toepassingsgebied van de EEXVerordening valt, wordt de rechtsmacht bij gebreke van enige andere toepasselijke internationale regeling in elke lidstaat geregeld door de interne wetgeving van die lidstaat. Niets verzet zich ertegen dat het gerecht van een lidstaat zich in commune gevallen op basis van zijn interne wetgeving forum non conveniens verklaart ten gunste van gerechten in andere staten. Nu het Nederlandse interne recht geen forum non conveniens-leerstuk voor vermogensrechtelijke zaken kent, kan de Nederlandse rechter van deze mogelijkheid geen gebruik maken. Daarentegen heeft de Engelse rechter deze mogelijkheid wel. In de Engelse literatuur1 en rechtspraak2 heerst de opvatting dat de rechter zich in zaken die buiten het toepassingsgebied van de EEX-Verordening vallen, niet alleen forum non conveniens mag verklaren ten gunste van gerechten in niet-lidstaten, maar ook van gerechten in andere EU-lidstaten.3 Zo achtte de Engelse rechter zich in The Xin Yang forum non conveniens, omdat de Rb. Rotterdam als het natuurlijke forum werd gezien; de aanvaring tussen de schepen van partijen had plaatsgevonden in de wateren nabij Vlaardingen. De Queens Bench Division:
`On the other hand, where the defendant is domiciled outside a Contracting State the Court which would otherwise be first seised is entitled to decline to exercise jurisdiction on the ground of forum non conveniens whether the alternative forum is within a Contracting State, as is in this case, or outside a Contracting State as in In Re Harrods (Buenos Aires).'4
Bij een forum non conveniens-verwijzing naar het gerecht in een andere lidstaat kan zich een probleem voordoen als het geschil buiten het formele, doch binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening valt. Een voorbeeld. De Engelse rechter is ter zake van een vordering uit onrechtmatige daad bevoegd op grond van de betekening van het gedinginleidende stuk aan een Liberiaanse verweerder, terwijl deze verweerder op vakantie is in Londen (`tag jurisdiction'). De Engelse rechter acht zich forum non conveniens ten gunste van de Nederlandse rechter, omdat het schade-brengende feit in Nederland is te lokaliseren. Naar Engels procesrecht blijft de zaak in Engeland 'aanhangig', omdat er bij forum non conveniens sprake is van `stay of proceedings' .5 De Engelse procedure wordt voorlopig geschorst, opdat de zaak in Nederland aanhangig kan worden gemaakt. De Nederlandse rechter is bevoegd om hiervan kennis te nemen op grond van art. 6 sub e Rv, omdat het schadebrengende feit zich hier te lande heeft voorgedaan. Zodra de Nederlandse rechter wordt geadieerd, treedt een situatie van onbedoelde litispendentie op. Er zijn immers twee identieke procedures aanhangig bij gerechten in verschillende lidstaten. Art. 27 EEX-Vo schrijft dan voor dat de Nederlandse rechter als laatst aangezochte rechter de zaak ambtshalve aanhoudt totdat de rechtsmacht van de Engelse rechter vaststaat.6 Maar nu de bevoegdheid van de Engelse rechter reeds vaststaat (de verwijzing is van hem afkomstig), resulteert een strikte toepassing van art. 27 in onbevoegdheid van de Nederlandse rechter.7
Hoe kan dit probleem van onbedoelde litispendentie worden opgelost? Verschillende mogelijkheden laten zich denken. Allereerst kan de Engelse rechter ervan afzien om zich forum non conveniens te verklaren, omdat het Nederlandse gerecht als alternatief forum voor de eiser juridisch niet toegankelijk is. Immers, de kans is reëel dat de Nederlandse rechter zich als gevolg van de onbedoelde litispendentie onbevoegd verklaart. De Engelse rechter kan ook voor een `dismissal of the action' kiezen in plaats van een `stay of proceedings', zodat de zaak in Engeland niet langer aanhangig blijft. Als de zaak dan door de eiser wordt gebracht voor de Nederlandse rechter, is er geen sprake meer van litispendentie en kan de Nederlandse rechter overgaan tot een inhoudelijke behandeling van de zaak. Ten slotte heeft de Nederlandse rechter de mogelijkheid om te beslissen dat de zaak na de forum non conveniens-verwijzing niet meer in Engeland 'aanhangig' is in de zin van art. 27 lid 1 EEX-Vo. Vgl. Evans J. in Sarrio v. Kuwait Investment Authority [1997] 1 Lloyd's Rep. 113, 123 (CA):
`This difficulty does not arise, however, if the jurisdiction of the English Court is not `established' for the purposes of art. 21 [art. 27 EEX-Vo, Fl] (. .). Moreover, even if art. 21 would require the Spanish Court to decline jurisdiction in any future proceedings by the plaintiff against the defendant in respect of the same cause of action as it now asserts in these actions, then it seems to me that the correct analysis is not that the Spiliada principles are excluded but that, in the application of those principles, the Spanish Courts could not be regarded as an alternative forum which was `available' for hearing the dispute between the parties.'