Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.6:3.6 Verdeling en levering
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.6
3.6 Verdeling en levering
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS348000:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1986/87, 17496, 26, p. 2 (L.v.Vr. II Inv.) en Kamerstukken II 1986/87, 17496, 28, p. 5 (L.v.Antw. II Inv.). De lijst van vragen is vastgesteld op 3 juni 1987 en de lijst van antwoorden is ontvangen op 10 juni daarna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegen het einde van het wetgevingsproces1 worden ten aanzien van de begrippen verdeling en levering, hun betekenis en onderlinge verhouding, vragen gesteld door de Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer en wel in het kader van art. 3.7.1.14a lid 1 BW (thans art. 3:186 lid 1 BW). De vragen zijn, zo zal blijken, ingegeven door de behoefte misverstand omtrent de betekenis van het begrip ‘verdeling’ te voorkomen. Deze behoefte strekt zich ook uit over de reikwijdte van het begrip ‘levering’ en de verhouding van het begrip ‘verdeling’ tot het begrip ‘levering’.
In het kader van de Invoeringswet wordt onder art. 3.7.1.11 (thans art. 3:182 BW) de volgende slotzin vermeld:
‘Zie voor uitleg van de term “verdeling” L.v.Vr. II Inv. en L.v.Antw. II Inv. bij artikel 3.7.1.14a [thans art. 3:186 BW, THS], hieronder blz. 1299.’2
Gelet op het gewicht van de in dit citaat bedoelde uitleg voor het goed verstaan van het begrip ‘verdeling’ zullen de aan de minister gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden hieronder grotendeels worden weergegeven.
Tot de lijst van vragen, vastgesteld door de hiervoor bedoelde Commissie voor Justitie in het kader van de wijziging en invoering van Boek 3 BW, behoren de onderstaande vragen:
‘Kan de minister (ter voorkoming van misverstand) onderschrijven[:]
dat met “verdeling” in titel 3.7 bedoeld is het “vaststellen” wat aan ieder der deelgenoten toekomt,
dat met verdeling niet bedoeld is levering,
dat de levering van art. 3.7.1.14a [thans art. 3:186 BW, THS] een uitvoeringshandeling is die op de verdeling volgt en die nodig is wil de deelgenoot aan wie het goed is toegedeeld, dat goed ook kunnen verkrijgen,
dat voor de verkrijging door de deelgenoot nodig is zowel een rechtsgeldige verdeling als een rechtsgeldige leveringshandeling. (Anders W.R. Meijer, Kiezen of delen, oratie Open Universiteit, 1986.)’3
De minister antwoordt:
‘De hier aan de orde gestelde vragen dienen inderdaad alle bevestigend te worden beantwoord. Daarbij verdient aantekening dat ook in artikel 3.7.1.11 [thans art. 3:182 BW, THS] de term verdeling wordt gebezigd in de door de commissie aangegeven zin van de vaststelling van wat aan ieder van de deelgenoten toekomt, “krachtens” welke vaststelling de verdeelde goederen worden geleverd en aldus verkregen. (…) De tweede zin is zoals aan het slot is uitgedrukt, uiteraard zonder enige betekenis als het gaat om de nakoming van een schuld uit een handeling die zelf al een verdeling is.’4
Tevens stelt de vorenbedoelde Commissie aan de minister een vraag, die betrekking heeft op de aard van de verdeling. De aard van de verdeling wordt mede bepaald door het eerste, zowel als het tweede lid van art. 3:186 BW. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat hetgeen een deelgenoot verkrijgt, door deze wordt gehouden onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen voor de verdeling hielden. De Commissie:
‘Is de conclusie van de commissie juist dat in titel 3.7 noch voor het zogenaamde translatieve stelsel, noch voor het zogenaamde declaratoire stelsel is gekozen, doch voor een tussenfiguur in die zin dat de deelgenoot eerst verkrijgt door de leveringshandeling die op de verdeling volgt (translatief), doch dat die verkrijging krachtens de onderhavige bepaling een verkrijging is onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten het goed tezamen voor de verdeling hielden (declaratoir).’5
Hierop antwoordt de minister onder meer:
‘De conclusie van de commissie wordt geheel onderschreven.’6
Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat van de zijde van de wetgever moeite is gedaan om het verdelingsbegrip duidelijk af te bakenen. Of de wetgever hierin is geslaagd valt echter nog te bezien. Het komende hoofdstuk zal worden gebruikt voor een analyse van het verdelingsbegrip met als doel inzicht te krijgen in de betekenis(sen) van het begrip ‘verdeling’ en, waar nodig, daarover een standpunt te bepalen. In de analyse zal aandacht worden besteed aan de wijze waarop aan het begrip ‘verdeling’ in de beide volzinnen van art. 3:182 BW vorm wordt gegeven, daarbij mede gelet op het leveringsvereiste van art. 3:186 BW.