Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.3.3:8.3.3 Niet-ontvankelijkverklaring van het OM in een doel-middel benadering
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.3.3
8.3.3 Niet-ontvankelijkverklaring van het OM in een doel-middel benadering
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613049:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover nader par. 4.2.4.2.
Zie de rapporten ‘Alles is niets, Rapportage naar aanleiding van de niet-ontvankelijkheid in de mensenhandelzaak Sierra’en ‘De zaak van de kater, Evaluatie onderzoek Tom Poes’, beide bijgevoegd bij de brief van de minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 20 mei 2010, Kamerstukken II, 2009/10, 29279, nr. 110.
Zie par. 8.3.1.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De doel-middel benadering die in dit boek wordt bepleit, dwingt ertoe onder ogen te zien welke doeleinden met niet-ontvankelijkverklaring kunnen worden nagestreefd. In de rechtspraak zullen die doeleinden moeten worden geëxpliciteerd en dient de toepassing van niet-ontvankelijkheid af te hangen van de daaraan verbonden voor- en nadelen. Die beoordeling moet in concrete gevallen primair door de feitenrechter plaatsvinden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Dat neemt niet weg dat hierover op deze plaats in het algemeen iets kan worden gezegd dat ook voor de afbakening van het toepassingsbereik van deze reactie in de rechtspraak van de Hoge Raad relevant kan zijn.
Wat betreft de doeleinden geldt in theorie dat alle drie de in dit boek onderscheiden doeleinden van het reageren op vormfouten met de toepassing van niet-ontvankelijkverklaring kunnen worden gediend: a. het verzekeren van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, b. het bevorderen van normconform gedrag aan de zijde van politie en OM en c. het bieden van compensatie aan de verdachte voor inbreuken op andere rechten dan dat op een eerlijk proces.
In theorie, want de evidente nadelen van toepassing van nietontvankelijkverklaring zijn zo groot, dat de toepassing van dit rechtsgevolg in beginsel niet gerechtvaardigd lijkt te kunnen worden als zij er uitsluitend toe zou strekken de verdachte compensatie te bieden als onder c. bedoeld. Niet-ontvankelijkverklaring betekent dat de waarheidsvinding met het oog op eventuele bestraffing wordt gestaakt. Het eigenlijke doel van het strafproces wordt daardoor gefrustreerd. Dat is vooral bij ernstige strafbare feiten nauwelijks te verteren en kan bij strafbare feiten waardoor inbreuk is gemaakt op door het EVRM beschermde rechten van het slachtoffer onder spanning staan met de uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen tot effectieve strafbaarstelling van bepaalde verdragsinbreuken, zoals in paragraaf 8.2.4.1 besproken. Een ander nadeel van het verbinden van nietontvankelijkverklaring aan een bepaalde rechtsschending is dat de praktische betekenis van het desbetreffende recht waarschijnlijk zal krimpen. Dat gebeurt onder invloed van de effecten die Levinson remedial equilibration heeft genoemd en die in paragraaf 4.2.4.1 zijn besproken. De rechter zal ter voorkoming van de toepassing van dit rechtsgevolg minder snel een schending van het desbetreffende recht aannemen, zodat ook uit een oogpunt van rechtsbescherming van de verdachte zeer de vraag is of deze netto het grootst is bij toepasselijkheid van dit rechtsgevolg. Ook dreigt bij toepassing van dit rechtsgevolg overdeterrence, oftewel een situatie waarin politie en OM ten onrechte niet meer durven op te treden op een wijze of in gevallen waarin dat wel wenselijk is.1
De belangrijkste pre van niet-ontvankelijkverklaring is haar effectiviteit als noodrem om te voorkomen dat de verdachte wordt veroordeeld op basis van een proces dat niet voldoet aan de daaraan op basis van art. 6 EVRM te stellen eisen. De mogelijkheid van toepassing van dit rechtsgevolg vervult een vangnetfunctie voor de uitzonderlijke gevallen waarin als gevolg van vormfouten een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet meer mogelijk is. Niet-ontvankelijkverklaring kan voorts een zeer krachtige prikkel opleveren voor politie en OM om het gedrag waarop de inzet van dit middel de reactie vormt in de toekomst te vermijden. Die sterke signaalfunctie kan ook als voordeel worden gezien: duidelijker dan met toepassing van niet-ontvankelijkverklaring kan de rechter niet laten blijken dat de vormfouten waarop deze reactie volgt niet worden getolereerd. In het recente verleden vormde in verschillende gevallen een door de rechter uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring voor de verantwoordelijke autoriteiten aanleiding om een nader onderzoek in te stellen naar de gang van zaken.2 De uitvoerende macht trekt zich er dus veel van aan als de rechter deze noodrem hanteert.
Zoals hiervoor duidelijk werd, is in de rechtspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof het bevorderen van normconform gedrag aan de zijde van politie en OM in beginsel geen zelfstandig dragende reden voor het blokkeren van de vervolging: ermoet afgezien van een ‘absolutely shocking case’ sprake zijn van onherstelbare schade aan de verdedigingsrechten.3 Interessant is het nu de blik te richten op de Nederlandse rechtspraak: welke doeleinden kunnen daarin met niet-ontvankelijkverklaring van het OM worden gediend en wordt de toepassing van dit rechtsgevolg gemotiveerd aan de hand van de daaraan in concrete (soorten) gevallen verbonden voor- en nadelen?