Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/1.10
1.10 Reductie van transactiekosten
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS594949:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Barendrecht e.a. 2004.
Tzankova 2004.
Barendrecht e.a. 2004, p. 169-88, in het bijzonder p. 179-80.
Hetgeen hierna wordt opgemerkt, vindt men uitgebreid terug bij Barendrecht e.a. 2004, p. 12-33.
Barendrecht e.a. 2004, p. 195-6, bijvoorbeeld de afwikkeling van massaschade in combinatie met schadefondsen en materiële normering of economische prikkels voor belangenbehartigers.
Barendrecht e.a. 2004, p. 15-6 jo p. 32.
Uitgebreider over de verschillende soorten kosten Barendrecht e.a. 2004, p. 12-14. Het betreft de in het aansprakelijkheidsrecht algemeen aanvaarde onderscheiding van Calabresi, die spreekt van tertiaire kosten: alle kosten van het behandelen van claims in het rechtssysteem. Calabresi 1970, Weterings 2004, p. 2-3 (nt. 2), Barendrecht e.a. 2004, p. 2-3.
Dat kunnen tactische/strategische, cognitieve en institutionele belemmeringen zijn: Barendrecht e.a. 2004, p. 16-9: Mnookin&Ross 1995, p. 4 e.v.
In zijn proefschrift over een betere afhandeling van letselschade onderscheidt Weterings 2004 acht coördinatieproblemen en bijhorende oplossingsrichtingen, die gedeeltelijk aansluiten bij de analyse van Mnookin&Ross 1995 en gebaseerd zijn op een studie naar de Nederlandse letselschadepraktijk: Barendrecht e.a. 2004, p. 19-20. De acht coëndinatieproblemen zijn: competitive interactie, positioneel onderhandelen, uitsluitend distributief onderhandelen, overmatig optimisme bij partijen, asymmetrische verdeling van informatie, moeizame communicatie, onevenwichtige machtsbalans, eigen afwijkende belangen belangenbehartiger. Weterings 2004 schetst ook de bijhorende oplossingsrichtingen.
De afwikkeling van aansprakelijkheid en schade kan men ook zien als een besluitvormingsproces waarbinnen partijen en andere betrokkenen informatie uitwisselen (gebaseerd op Mackaay 1982: Barendrecht e.a. 2004, p. 20-3. Het creëren, verzamelen, selecteren, bewerken en overbrengen van informatie aan de bij de besluitvorming betrokkenen kost ook tijd en geld, net als het bediscussiëren en verwerken van informatie door alle deelnemers aan de besluitvorming. Deze benadering van het probleem van transactiekosten suggereert in de eerste plaats een kosten/baten afweging: alleen informatie gebruiken als de kosten van verzamelen, leveren en verwerken van informatie lager zijn dan de kwaliteitsverbetering in de besluitvorming. Mogelijke aandachtspunten bij de hervormingen zijn onder andere het managen van verwachtingen over wat aan informatie nodig zal zijn, zodat geen onnodige informatie wordt aangeleverd (bijvoorbeeld geschilpunten beperken).
Dit is de vierde en laatste invalshoek, waarin wordt onderzocht in hoeverre de 'markt' voor afwikkeling van schadeclaims goed werkt. Men zou het aansprakelijkheidsrecht kunnen zien als een methode om marktfalen te verhelpen (met name negatieve externe effecten), maar bij het uitvoeren daarvan krijgt men te maken met private partijen (adviseurs, verzekeraars) en overheden (regelgevers en rechters) die ook weer onvolkomen werken. Partijen, hun adviseurs en degenen die over hun belangen beslissen, functioneren in het kader van een 'markt' die een aantal bijzondere kenmerken heeft, zoals informatieachterstand, keteneffecten, tourrooi-effecten, keuzeproblemen: Barendrecht e.a. 2004, p. 23-8 met verdere verwijzingen.
Dit onderdeel van het onderzoek is uitgevoerd in 2004 in het kader van een opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie (het WODC-onderzoek). De opdracht luidde om twaalf veelbelovende buitenlandse alternatieven voor de in Nederland gebruikelijke procedures en mechanismen te inventariseren die mogelijk de transactiekosten bij het verhalen van schade kunnen verlagen en deze vervolgens in te delen in de categorieën meest kansrijke, kansrijke en minst kansrijke.1
Eén van de onderzochte mechanismen betrof de gebundelde afwikkeling van massaschade, zoals daaraan vorm is gegeven in Amerika en Engeland.2 Deze werd kansrijk beoordeeld.3 Ik maak hier integraal gebruik van die onderzoeksresultaten die in 5.3.1 slechts in een verkorte vorm zullen worden weergegeven.
De desbetreffende resultaten uit het WODC-onderzoek zijn naar mijn mening nog steeds actueel. Althans, ik zie geen redenen die tot noemenswaardige aanpassingen nopen. De focus van het WODC-onderzoek ligt op de afwikkeling van massaschade met een letselschadecomponent. De omvang van de besparingen die eventueel te realiseren is, zou voor vermogensschade op het punt van de emotionele lasten iets afwijkend kunnen zijn. De transactiekostenreductie zou daar iets hoger kunnen uitvallen, omdat de berekening van vermogensschade zonder letselschadecomponent, bijvoorbeeld beleggingsschade, via formules mogelijk is.
Over de mogelijkheden van de in deze studie onderzochte stelsels van afwikkeling van massaschade om tot transactiekostenreductie te komen, is weinig bekend. Dat maakte een vergelijking en het tegen elkaar afzetten van de twee buitenlandse regelingen lastig. Om toch tot theoretisch verantwoorde en zinvolle uitspraken te komen over de transactiekostenreducerende werking van de twee regelingen is gebruik gemaakt van een methodiek die als volgt kan worden samengevat.4
Hoe verschillend beide buitenlandse stelsels van afwikkeling van massaschade ook zijn, ze blijken een aantal overeenkomsten te bevatten die als richtinggevend kunnen worden gezien voor de afwikkeling van dit type schade. Deze overeenkomsten vormen het uitgangspunt voor de schatting van een eventuele minimale transactie-kostenreductie bij een gebundelde afwikkeling van schadevergoedingsaanspraken bij massaschade. Indien gebundelde afwikkeling zou worden gecombineerd met andere (meest) kansrijk bevonden instrumenten, zou de reductie nog hoger kunnen zijn.5
Er wordt een onderscheid gemaakt naar drie delen van de claimafhandeling die ook in de praktijk vaak worden onderscheiden:
Het deskundigentraject: onder meer de vaststelling van het causaal verband tussen schade en schadeveroorzakende gebeurtenis;
Het aansprakelijkheidstraject: de vraag of sprake is van aansprakelijkheid respectievelijk welke mate van aansprakelijkheid en eigen schuld er op de verschillende partijen rust;
Het schadevaststellingstraject: de vaststelling van de omvang van de schadeposten.
Voor de onderlinge verhouding tussen de lasten van deze drie trajecten geldt dat deze ongeveer even groot lijken te zijn.6 Om inzicht te krijgen in de orde van de grootte van de effecten is dit een verantwoorde aanname. Een volgende stap is een onderscheid maken tussen zes verschillende soorten kosten die in de drie trajecten worden gemaakt:7
Kosten van rechtshulp en rechterlijke macht;
Kosten van ingeschakelde derden, zoals getuigen en deskundigen;
Kosten van de tijd aan claimafhandeling besteed door benadeelde en verweerder; Kosten van onzekerheid (in de periode dat een claim nog niet is afgewikkeld kunnen partijen geen beslissingen nemen over aanwending van de betrokken vermogensbestanddelen);
Emotionele lasten (secundaire victimisatie van slachtoffers indien er sprake is van letselschade, stress en gezondheidsschade);
Kosten van systeem- en uitvoeringsbewaking (toezicht en controle).
Voor ieder van de in totaal achttien verschillende componenten van transactiekosten wordt vervolgens steeds de richting van het effect van een type hervorming geschat vanuit vier benaderingen uit de onderhandelingstheorie en de rechtseconomie. Theorieën over het ontstaan van transactiekosten kunnen namelijk behulpzaam zijn bij het opsporen en bestrijden van deze kosten. Het gaat daarbij om theorieën over beletselen voor geschiloplossing,8 over coördinatieproblemen bij buitengerechtelijke afhandeling van letselschade,9 over kosten van informatie-uitwisseling,10 en over marktfalen.11
Vanuit deze vier perspectieven wordt gekeken naar de potentie van de stelsels om transactiekostenreductie te realiseren, waarna een beredeneerde schatting van het besparende effect in de drie onderscheiden trajecten van de claimafhandeling kan worden gemaakt. Omdat het moeilijk is om over de omvang van het effect een exacte uitspraak te doen, is alleen getracht om tot een schatting te komen van de orde van grootte van het opwaartse- danwel neerwaartse effect:
-
Vermindering kosten tussen 10 en 50%:
--
-
Vermindering kosten tussen 2 en 10%:
-
-
Gelijk blijven kosten tussen –2 en +2%:
0
-
Vermeerdering kosten tussen 2 en 10%:
+
-
Vermeerdering kosten tussen 10 en 50%:
++
-
Vermeerdering kosten hoger dan 50%:
+++