De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.4.1:5.8.4.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.4.1
5.8.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949561:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1975, 276.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Wet BAB moest volgens de wetgever niet worden gezien als het sluitstuk van de administratieve rechtspraak.1 De regering zegde bij de behandeling van de Wet BAB reeds toe dat zij zou bezien hoe de Wet BAB in de praktijk werkt en of deze wet ook van toepassing moet worden op beschikkingen van lagere overheden. Daarnaast heeft de regering toegezegd te bezien hoe er meer uniformiteit gebracht kan worden in bestaande procedures. Hiertoe werd de commissie Wiarda opgericht die in 1967 met een voorstel kwam om de Wet BAB te vervangen door de Wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Wet AROB). De Wet AROB trad in 1976 in werking.2 Hierin werd, onder andere, geregeld dat beroep mogelijk werd tegen beschikkingen van lagere overheden. Beroep moest niet langer worden ingesteld bij de Kroon, maar bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State.3 Ten aanzien van het onderwijsrecht bevatte de Wet AROB twee belangrijke ontwikkelingen waar hierna dieper op in wordt gegaan. Ten eerste werden de onderwijswetten niet langer integraal op de negatieve lijst geplaatst en kreeg de negatieve lijst een aflopend karakter. Ten tweede werden (onder andere) examenbeslissingen uitgezonderd van beroep.