Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.3.3:2.3.3 Paritas creditorum
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.3.3
2.3.3 Paritas creditorum
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS442380:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Boekraad, diss. (1997), p. 5 en 6.
Boekraad, diss. (1997), p. 6.
Vgl. Vreeswijk, diss. (1973), p. 43 en Leuftink, p. 45.
Zie voor de homologatie van het akkoord paragraaf 5.6.
Zie de paragrafen 4.2 en 4.6.
Zie de paragrafen 4.2 en 4.6.
Rb. Leeuwarden 16 december 1926, NJ 1927, 564.
Rb. Utrecht 9 augustus 1989, NJ 1990, 399 (Breevast). Zie de paragrafen 4.2 en 4.6.
Zie nader de paragrafen 4.2, 4.6 en 4.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het gelijkheidsbeginsel oftewel de paritas creditorum is één van de hoofdbeginselen van het verhaalsrecht alsmede van het faillissementsrecht. De paritas creditorum wordt onder meer tot uitdrukking gebracht in art. 3:277 lid 1 BW:
"Schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om, na voldoening van de kosten van executie, uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang."
Het gelijkheidsbeginsel omvat niet alleen het verdelingsaspect zoals expliciet is neergelegd in art. 3:277 lid 1 BW, maar ook het verhaalsaspect, dat schuldeisers onderling een gelijk recht hebben om verhaal uit te oefenen op de goederen van hun schuldenaar.1 In een faillissement komen beide aspecten van het gelijkheidsbeginsel tot uitdrukking. Indien een schuldenaar niet meer in staat is om al zijn schuldeisers te betalen, komt in eerste instantie het verhaalsaspect van het gelijkheidsbeginsel in de verdrukking. Zonder faillissement zouden schuldeisers met spoed individueel beslag leggen en executeren, waardoor niet alleen het risico bestaat dat onvoldoende verhaalsmogelijkheden overblijven voor anderen, maar ook dat de ene schuldeiser wordt bevoordeeld boven de andere. Met een faillissement worden dergelijke situaties voorkomen.2
Zowel voor faillissement als voor surseance geldt dat het beginsel van gelijke behandeling van gelijkgerechtigde schuldeisers een voorschrift is, waarvan de wetgever niet heeft gewild dat hiervan kan worden afgeweken.3 In onder meer art. 233 Fw, art. 153 lid 2 sub 3 Fw en in art. 157 Fw is de paritas creditorumgedachte, in verschillende bewoordingen, terug te vinden. Wat voor invloed heeft het gelijkheidsbeginsel op het akkoord?
Aangezien de paritas creditorum een hoofdbeginsel is van het faillissementsrecht, heeft dit uitgangspunt ook te gelden in een akkoordsituatie. Dit is dan ook terug te vinden in art. 157 Fw, waarin is bepaald dat het gehomologeerde4 akkoord bindend is voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers zonder uitzondering. De wet maakt binnen deze groep van schuldeisers derhalve geen enkel onderscheid, waardoor iedere gebonden schuldeiser krachtens het akkoord gelijkelijk zou moeten worden bedeeld. In vroegere jurisprudentie was ongelijke behandeling van gelijkgerechtigde schuldeisers binnen een akkoord, een reden voor de rechter de homologatie ervan te weigeren.5 Latere jurisprudentie laat echter zien dat niet elke ongelijke behandeling van schuldeisers behoeft te leiden tot weigering van de homologatie.6 Over deze verschuiving binnen de rechtspraak een aantal opmerkingen.
In 1926 is door de rechtbank Leeuwarden de homologatie van een akkoord nog principieel geweigerd, omdat aan gelijkgerechtigde schuldeisers verschillende percentages werden aangeboden.
"O. dat hiermede op het beginsel van de paritas creditorum inbreuk wordt gemaakt en de Rechtbank op dien grond deze bepaling ongeoorloofd acht en ook hierin een principieel bezwaar tegen de homologatie van het akkoord ziet;"7
De rechtbank Utrecht daarentegen homologeerde in 1989 een akkoord met de volgende overweging:
"De omstandigheid, dat in een akkoord de gelijkheid van gelijkgerechtigde schuldeisers niet in elk opzicht in acht is genomen, behoeft op zichzelf geen beletsel te vormen om het akkoord te homologeren. Immers, een akkoord is een overeenkomst die allerlei afspraken kan bevatten. Daaraan dient goedkeuring slechts te worden onthouden indien het tot grote onbillijkheid zou leiden. Uit het enkele feit, dat aan de schuldeisers niet een voor allen gelijksoortige bevrediging wordt geboden, volgt niet zonder meer dat dit het geval is. Evenmin is een beletsel te achten, dat aan een enkele schuldeiser om het akkoord haalbaar te doen zijn een hoger percentage wordt geboden dan aan de overige schuldeisers (...)-"8
In latere jurisprudentie is deze lijn voortgezet. In de praktijk is het intussen heel gebruikelijk om akkoorden aan te bieden, waarbij schuldeisers een bepaald percentage van hun vordering voldaan krijgen al naar gelang de grootte van hun vordering. Hierbij krijgen zogenaamde 'kleine' schuldeisers doorgaans meer op hun vordering uitgekeerd dan schuldeisers met grote vorderingen. Dergelijke akkoorden doorstaan in beginsel probleemloos de homologatietoets van art. 153 Fw. Dergelijke akkoorden worden onder de gegeven omstandigheden kennelijk aanvaardbaar geacht.9
Niet iedere inbreuk op de paritas creditorum behoeft derhalve de homologatie van een akkoord in gevaar te brengen. Onderscheid maken tussen gelijkgerechtigde schuldeisers is gezien de jurisprudentie toegestaan, zij het in beperkte mate. Voorop blijft immers staan dat de paritas creditorum een hoofdbeginsel is van het faillissementsrecht en dat dit uitgangspunt dus ook heeft te gelden voor een akkoord. Een inbreuk daarop is mijns inziens slechts toegestaan, indien daarvoor een rechtvaardiging aanwezig is. Of die rechtvaardiging aanwezig is, hangt af van de omstandigheden van het geval en dient door de rechter in het kader van de homologatie te worden onderzocht. In hoofdstuk 4 zal op deze problematiek nader worden ingegaan.