Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.3.5
2.3.5 Gebondenheid akkoord
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS449763:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verderop in dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de overige redenen.
Vgl. art. 163 Fw. Voor de surseance ontbreekt een dergelijke bepaling; hiermee is overigens niet gezegd dat de regeling van art. 163 Fw niet ook voor de surseance zou gelden. De surseance kent immers met betrekking tot de diverse groepen schuldeisers, dezelfde rangorde als in faillissement. Aannemelijk is derhalve dat ook voor de surseance geldt, dat eerst de boedel- en preferente schuldeisers dienen te zijn voldaan, alvorens aan de concurrente schuldeisers een akkoord kan worden aangeboden.
Vgl. Kortmann e.a., WPNR 6463 (2001), p. 903 e.v. en Abendroth, Tvl 2004/57, p. 283 e.v. Zie ook paragraaf 4.7.
In het voorontwerp Insolventiewet is deze hobbel inmiddels genomen en is het akkoord verbindend voor alle schuldeisers met insolventievorderingen. Hiertoe behoren ook schuldeisers met een preferentie. Vgl. art. 6.2.1 jo. art. 6.2.20 voorontwerp Insolventiewet.
Adriaanse e.a., WODC-rapport, 2004.
Het akkoord is het enige formele saneringsinstrument dat ons recht kent. Hiervoor is opgemerkt dat de insolventiepraktijk weinig gebruik maakt van de regeling van het akkoord. Hiervoor is een aantal redenen te noemen.1 Ik volsta thans met het noemen van één ervan. Een akkoord in faillissement en surseance is slechts bindend voor concurrente schuldeisers.2 Andere groepen schuldeisers worden in beginsel niet bij een akkoord betrokken, althans zij raken ingevolge art. 157 Fw niet aan een gehomologeerd akkoord gebonden. Een schuldenaar die in financiële moeilijkheden verkeert, kan zijn concurrente schuldeisers eerst een akkoord aanbieden indien alle andere schulden zijn voldaan, althans indien hiervoor een voorziening is getroffen.3 In dit verband kan de vraag worden opgeworpen of de regeling van het akkoord ook bindend zou moeten zijn voor preferente schuldeisers. De mogelijkheid tot het aanbieden van een akkoord is immers beperkt, nu conform de wettelijke rangregeling eerst alle andere schuldeisers dienen te zijn voldaan. Het spreekt voor zich dat de kans op een sanering door middel van een akkoord zou kunnen worden vergroot, indien alle groepen schuldeisers op grond van de wet aan een akkoord zouden worden gebonden. In het kader van een reddingsoperatie zou van elke schuldeiser een bepaald offer mogen worden verlangd en derhalve niet alleen van concurrente schuldeisers.
De vraag is of de wetgever bereid zal zijn om de gebondenheid van schuldeisers aan een akkoord uit te breiden tot andere groepen schuldeisers. Dat er openingen zijn in die richting blijkt uit de regeling van het akkoord in de schuldsaneringsregeling.4 De wetgever heeft in die regeling immers bepaald dat een akkoord ook verbindend is ten opzichte van preferente schuldeisers. Bij een integrale herziening van de Faillissementswet zou de regeling van het akkoord zodanig moet worden aangepast, dat ook schuldeisers met een preferent recht aan een akkoord worden gebonden. In het licht van de discussie over het al dan niet afschaffen van voorrechten, kan in ieder geval worden gezegd dat voor het ontbreken van gebondenheid van preferente schuldeisers aan een akkoord in faillissement en surseance geen redelijke grond aanwezig is.5 Bovendien gaan de argumenten die ertoe hebben geleid dat een akkoord in de schuldsaneringsregeling ook verbindend is voor preferente schuldeisers vanzelfsprekend ook op voor een akkoord in faillissement en surseance. Ik zie niet in waarom de wetgever het nodig acht op dit punt te moeten differentiëren tussen de diverse schuldeisers.6
De slagingskans van een akkoord zal worden vergroot indien alle schuldeisers aan een akkoord worden gebonden. Indien de wetgever met de herziening van de Faillissementswet de effectiviteit van de surseance en het faillissement wenst te bevorderen, dan zal ook deze hobbel moeten worden genomen. Onderzoek7 verricht in opdracht van het ministerie heeft immers uitgewezen dat de gebondenheid van slechts concurrente schuldeisers aan een akkoord ten gevolge heeft dat van een akkoord in het reorganisatieproces weinig gebruik wordt gemaakt. Als we een akkoord in de insolventiepraktijk als een volwaardig en serieus saneringsinstrument willen zien, dan moeten de regels nader worden aangescherpt. Het volstaat dan niet de regels met betrekking tot de totstandkoming te versoepelen en daarnaast de regeling van de gebondenheid van schuldeisers aan een akkoord te laten voor wat die thans is.